Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan,
Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken,
Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok,
door de golven bespoeld,
Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt
gehoord,
Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren
telgen,
Ik,