O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het
mastomboorde Manhattan?
Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom?
De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip
in den schemer en den lichter in den nacht?
Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij
met stemmen, lieflij