Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,
Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar
nest zat en haar jongen koesterde.
Ook zag ik het mannetje,
En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk
lied van leven.
En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel
zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch
enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken.
Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,
Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die
pas geboren waren voor de toekomst.