Tusschen de roovers stapte ik nu voort, schreiende Charis op mijn rug, den bongerd door, dan een eikenwoud door, tot wij naderden den wit gestoofden wand van het rotsgebergte, dat als een vreemd kasteel, immens en duizend malen getorend, op rees. En verwonderde ik mij, waar zij ons henen leidden.... Tot de rooverhoofdman zeide:
-Jonkvrouw, schre