Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 6 No.6

Mevr. Holst's Rousseau.

(Literair-critisch beschouwd).

De literaire critiek toetst nimmer eens schrijvers subjectieve waarheid, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan eenige andere waarheid haar van elders bekend, om daarna, al naar het resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij toetst-hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij emotioneel-omvattend en meer synthetisch-het te beoordeelen werk aan die subjectieve waarheid, en onderzoekt hoe deze zich daarin uit. Want zich uiten in een werk, dàt doet zij altijd. Het is alleen de vraag op welke wijze. Uit zij zich, ònbestreden, ònweerstreefd door het lager bewustzijn des schrijvers, èn voortgestuwd en bestraald door zijn Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en zoo simpel 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is 't niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts één oorzaak waaròm een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de allervoornaamste noemen:

Het van nature psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dàt Scheppend Vermogen, noodig om diè zekere subjectieve waarheid in kunst te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt vereischt, kunst maken wil).

Het verstelseld of verdogmatiseerd zijn van het lager bewustzijn, zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden, ge?igend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend Vermogen te worden ver-beeld.

Een te critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen en voortdurend verhinderd wordt.-

Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft, vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en beweging van 't kunst-scheppende Hooger Bewustzijn èn aard en beweging van het ingegrepen-hebbend kunstbedervende lager bewustzijn. Wel beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende kunst. Immers óók de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen, benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan de zaak-in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere-ten slotte zijn eigen, óók louter subjectieve, want meestal niet te bewijzen-waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel, hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van critischen aard daar veel meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de bijzondere menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur, heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander blijkt te dekken, d.i. zoo hem de noodwendigheid in de beelding blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in die sfeer misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat hij een-meest zeer impulsief-mensch is, zich-zelf de gelegenheid beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's Rousseau in deze studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal splitsen. Ten eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai dus als literair kunstwerk-den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk zijn, waarom men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"-; ten tweede: het toetsen van haar waarheid omtrent Rousseau aan mijne en de mij van elders bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het vólgend hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet remmend be?nvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk, dat door den socialistisch-aesthetischen invloed wèrk en sùbjectieve waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet, althans niet bewijsbaar, het geval. Onweerlegbaar aan te toonen, dat er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.

* * *

Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk en ongedwongen uit zich laat opwellen-dit boek opent met een zeer eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken, economischen en politieken toestand der stad Genève ten tijde dat Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van de omglorie?ng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde dier weinige bladzijden bloeit die diepe aandoening open, welke zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Genève. Bij het uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen, hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen. ... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zóó voortreffelijk; de psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu, zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun aanraking sterk èn teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend, trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is Jean-Jacques Rousseau.-

En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, één zoete, innige melodie, maar-als door een fluit een nachtegaal nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in Les Confessions, dat stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat elk later dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit, zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te scheppen, maar het is zelf een subliem gedicht, dat den lezer, en zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een Rousseau verre overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nòg heller doorlichten, nòg schoener en ànders gezien in kunst zou kunnen beelden-vrijwel ondenkbaar in dit geval-hij zich niet slechts niet zal kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te zullen komen tot het maken van werk, dat èn slechts quasi-zelfstandig èn sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in herinnerings-schrijn, om straks-o toch luttele vergaarde schatten van dit aardsche leven!-te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven, waarnaar hij smacht.-Want wèl ter dege behoort men, om naar àlle zijden rechtvaardig te zijn, de relatieve waarde der dingen niet uit 't oog te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal een gedicht onder hare handen," las ik in De Ploeg![30] Wel waarlijk, dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en droge kroniek-zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!-de stof had opgediept en daaromheen, daaruit haar schoonen droom, haar gedicht had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre volgend" en het zeer verzwakkend, heeft nagedicht en dit-een tweede oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar en Rousseau-door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen, hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in 't oorspronkelijke po?em aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen aesthetische waarden, in dit gedeelte eenige noemenswaardige vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote oorspronkelijk-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk, als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde jeugdverhaal in de Confessions, haar oogst niet meer hoeft te maaien onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dàn huivert door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn, waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich één met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt, dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van Thérèse Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe, lieve vrouw" en vlijt er alles neer, àl bloemen voor dat "eenvoudige plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Thérèse Levasseur".... En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....

Dàn openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts ééne werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een reminiscentie is[31] en slechts één vergelijking, 'n rhetorische, en nog wel eene van zeer geringe soort, welke geheel uit het kader van haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar stijl,[32] later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "dat koortste van goudkoorts als een delverskamp," het Parijsche volk lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte van een modern reuzenschip"; ziet zij: de gedachten zich uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't woud." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik wensch te noemen: de hoofdzakelijke als additioneele schoonheid aan goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties zijn. Immers de hoofdzakelijke schoonheid van een "beeld," bestaat daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een algemeen-menschelijke èn een artistieke. De eerste is: dat het doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid, hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in diepste wezen één zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij dus-om 't zoo eens te zeggen:-een stukje van dit bewustzijn heeft veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht voor die zoo rijk genot schenkende eigenschappen van een "beeld" is, dat het niet rhetorisch en geen reminiscentie is. Kent immers de lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van de eenheid der dingen nù niet meer dáárdoor verrijkt worden, en, in beide gevallen, kan hij dááraan het Scheppend Vermogen in dien auteur niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld" slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden schenken,-een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire critiek wordt aanvaard.-En wat nu de additioneele schoonheid betreft: deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is het meer gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met haar innigste wezen in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en nu-verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.-En zie nu eens, in hoe sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid bezitten. De beide eerste, die iets van het maatschappelijk leven beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in Rousseau beeldt, aan het natuurleven.

En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het Contrat Social bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich tusschen hen." Even te voren zegt zij: "Men voelt den gloed wel, maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.

En dàn is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt." Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw, en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een Ander, in hòngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zóó, dat zij het in dertig eeuwen niet vergat....-Maar is dit stukje fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en teederders, dat mij vreemd is"-terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

Wie anders dan òf een heel groot, "objectief-indringend menschenschepper, die Mevr. Holst-ik heb het indertijd aangetoond-niet is, òf een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk deze groote lyrische dichteres er eene is-wie anders dan een dièr twee had dit vermogen te schrijven....

Hoe diep heeft zij dan ook àlles doorvoeld, wat Rousseau's persoonlijkheid en de hare gemeen hebben, hoezeer is zij erin geslaagd, ook de leiddraad aanvaardend van Rousseau's zelfbeluisteringen in de Confessions en de Rêveries, een beeld te scheppen dat nagenoeg harmonieus is in zichzelven. Luistert ge slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten: Henri?tte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit háár innerlijkheid, èn Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der Confessions:

Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.

Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van De Vrouw in het Woud, vóór zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Rêveries:

Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon vinden, bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. .

Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:

Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn idealen,-met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,-èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.

Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen, den lezer niet mag onthouden:

Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in eenen,-zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend van verlangen-zoo deed hij.

Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad heeft. Ziehier, een kort stukje:

Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?

En dan met nog heller intu?tief doorvoelen van de verhouding van Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch van herinnering.

Maar buiten hem groeide,[33] schepsel van vuur en tranen, het wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Hélo?se." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.

Hoe zuiver en diep-gegrift is met één trek in die paar door mij gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt door dat ééne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der Nouvelle Hélo?se duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zóó schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische po?zie betreft, waarin een dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst hier wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de kunstuitbeelding van een sentiment zelfs precies het tegenovergestelde sentiment in den beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en anders dan het in 't leven buiten de kunst gebeurt; dáár zou smart wel aanleiding tot genot kunnen geven, maar tot wreedheidsgenot, hier wekt het iets goddelijks in den genietenden mensch: een blijdschap van "bevende zaligheid"! A bon entendeur demi-mot suffit. En overigens-de literaire criticus mag zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn tweelingbroer verwijst-zie het eerste hoofdstuk dezer studie: daar staan de hééle woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dìt zelfs niet had mogen doen-welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de literaire-criticus-in-deze-studie néémt hier afscheid. Eérlijk gezegd: ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van, dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet hij hier den schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken," hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar, dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het lager bewustzijn heeft gebracht, òndoorlichte subjectieve waarheid dus, en van een soort, die niet kòn doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?" En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat, daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.

NOTEN:

[30] "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, De Ploeg Febr. 1913.

[31] "Hij eenvoudige burgerknaap, zoo gesprongen uit het zwarte hol van zijn leertijd." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns of my dreary youth I sprang" etc.

[32]"Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?

[33] Cursiveering van mij.

* * *

HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022