Mevr. Henriette Roland Holst, Studies
over Socialistische Aestetica.-
H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.
Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij zijn alleen gebleven....
O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt, nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim, oneindig, zoo standvastig beklijvend en toch zonder eenige weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar, arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn. Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat, het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en dorst.-Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och, droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken ochtendgloor.
Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst ... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom ... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra, verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher, dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet, in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het "leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden, maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de eigenschap der hedenmatigheid-mogen wij zóó haar even noemen?-onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven in de wisselende verhoudingen van het heden; de eigenschap dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden, wàt dit uitzonderlijk eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het essentieele in hen is.
Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen, niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het opkomen eener marxistisch-socialistische aesthetiek, die het probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat "algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen van het Onbewuste in hen bleef: een intu?tief aanvaarden van een gevoelde maar niet doorvoelde en evenmin begrepen waarheid, een aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren zij bij machte geweest uit te zeggen waarom dat andere als het vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr. Holst's Studies over Socialistische Aesthetica en Gorter's Kritiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland, zijn invloed begon uit te strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd, hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch- en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene menschelijkheid-waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt, geen kunst te maken is-maar het bestaan eener algemeene menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen gespecialiseerde menschelijkheid, waarvan de kunst van dien tijd gemaakt wordt, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende gespecialiseerde menschelijkheid.-Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen alsof ik niets zie! Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen? Ziehier: Niet de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de "door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en meevoelbaar blijvende schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat dat werk voortbracht.-Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten, van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der scheppende ziel, de schoone daden der kunst-scheppende Natuur, die in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar, in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de vergankelijke tijd niet doorstroomde-ja, hoe grooter hij is, des te opener staat hij voor dien tijd!-van diens vergankelijke beelden en neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het vergankelijk is?
Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is: de taal: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner beweging, de uit zich-zelf blijkende noodzakelijkheid daarvan, in één woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend gebaar, van de scheppende daad. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend, als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer is: dat niets anders dan de in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal, dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent. En wat nu de werking dier twee?enheid op het complex der verleden beelden en neigingen in betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en volmaakt, in de herleving van dat doode, èn-hebben gelijk! Want: op het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem, hebben zij het iets van hùn eigen menschelijkheid, onbewust, geleend, hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield.
Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al minstens evenzeer om de vrucht-de literaire critiek-als om den boom, waaraan zij groeit-de aesthetiek-te doen is, zij het mij vergund ook in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel letterlijk citeeren plicht. En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]
Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding. Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme, de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen onbeduidende menschen-zij het geheel objectief of in een tint van medegevoel of ironie.
Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van de neiging tot het afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen van hero?sche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot, die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren die er niet geweest, misschien hadden zij dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna altijd bij een nabloei hoort, nu van het naturalisme en in andere tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer klein-zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te zijn-hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers, vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook kunst is, kregen zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij verder:
Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken-dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te brengen-des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in haar soort zijn kunst.[4]
De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap van kunst, ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het "ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar daarin slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt-hetgeen vrijwel zeker is-indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan nog-tweede onjuistheid:-kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd uitgaande van de premisse, dat die voorstelling kunst en dus voor haar verreweg grootste deel wel geslaagd is, zal het gevoel van neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk, dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.
De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid het helderst straalt.[5]
Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend scheppend vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden-gelijk het óók gebeuren kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt-dat een socialistisch kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil (kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en hero?sme van zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de enge beperktheid daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr. Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers-van dezulken moeten wij immers hier toch vooral spreken-van ons land: Querido en Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes mummelt! Integendeel: het breede en hero?eke is juist in hen, dat zij zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk tot leven brengen, en hun beste werk bestaat zelfs uitsluitend[6] uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:
De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid-is hun (der burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De hoogste bewondering hun gebracht, kan niet anders dan de zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan, d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een terugstootende ziel.[8]
Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst het zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren ten gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van 't voorgesteld gebeuren uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren, zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag rustte of die miste-zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus, dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet. Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding bewondert, verkeert in de positie van iemand, die in de physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken ... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is zijn kunst." Zulk werk is dus kùnst, is dus voortreffelijk, ook in háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk dat kind wèl een edele ziel hebben? Zou wellicht datgene, wat ìk voor de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn, Zouden wellicht niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn niet-verstelselde intu?tie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een voortdurend verband met die intu?tie leeft, dat zij hem, in weerwil van zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°. dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze meening aldus geformuleerd en verdedigd:
De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is. Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, het algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is, zóó voor den dag komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig ook nog heeft-die handelt en zich uit, zooals een levende superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal kunnen en moeten spreken en doen.[10]
Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik, voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie aan te toonen:
Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen in het verstand voorkomt.
Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen worden....[11]
Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre waarheid, van dit, juist door zijn algemeene eeuwige menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken dood" kunst kunnen maken?....[12]
In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid, dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder menschelijke.[13]
Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is, toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en onbruikbaar.[14]
Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen (productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik reeds zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid, die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de gespecialiseerde menschelijkheid, een iets geboren uit zoo vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk wezen moet en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren nog ontroert-ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt. Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.-Maar ook Gorter moest natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier, die-des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van min of meer ééuwige natuur te zijn:
De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]
Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's Gorter-karakteristiek:-in een Handelsbladkroniek-dat hem in zijn betoogend proza altijd een zoo bijzondere schijnklaarheid eigen is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is heel eenvoudig," "biedt ook u waarschijnlijk niet de minste moeite," "de simpele waarheid is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid, opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering: dat er "niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kàn het, sterker of zwakker, ook wel voelen"-overigens een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien-zegt hier niets. Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht heeft, ons onder zekere omstandigheden-die van kunst-enorm sterk, enorm fel ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid. Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó, dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van jeùgdig schoon....-En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij, den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat niet?! Dat zijn die half of heel vergane gevoelens van een lang verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die gevoelens-herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?-zij werden gevormd, bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar, dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.-Intusschen: zelfs in gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen en tijdsafstand niet bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de Maldoror" aesthetisch hebben genoten, is er niet één, die iets van sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.
Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs gewenscht is, de erin gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men kunstgenot noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid te sterk meevoelden! Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.
"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten "Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of dit speciaal-menschelijke, dit kleinburgerlijke Keesje den lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En dat hangt weer af, behalve van de artistieke kracht[17] van den heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren. Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat zij hem vasthouden wilden.
Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:[18]
Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en kunnen zij, als zij maar door een groot kunstenaar[19] worden beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.
Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder zijn, dat zij maar liever die valschheid en vuilheid niet willen vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid door een groot kunstenaar worden beschreven? Maar, veroorloof mij: zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van "behalve" van des heeren van Hulzen's artistieke kracht, niet uitsluitend daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren-o, onbescheiden vrager, die ik ben!-dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes, die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's Decamerone; noch door het zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende der voorstellingen, zooals bij de Sakuntala; noch door het niet medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij Les Chants de Maldoror, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van de artistieke macht, die het werk schiep, het Scheppend Vermogen, dat erin straalt, en of men diens schoone bewegingen daarin zoo onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of 't wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen. Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van den betrokken kunstenaarsaanleg; wij hebben waarschijnlijk gemaakt, dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen, omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen. Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal-terwijl wij hebben aangetoond, dat een kunstenaar als zoodanig, d.i. een ziener en ontdekker der noodwendigheid niet door het eerste kàn worden be?nvloed-"want zulk een ideaal geeft aan het leven een zin"[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de kapitalistische productiewijze. Ziehier dus als oorzaak van deze haar aesthetische redeneering: de historisch-materialistische gedachtegang.-Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij immer daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere "burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij bedoelt, geen kunst zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt, waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk, bewondering, opgeheven worden.-Zoo gebood 't het historisch-materialisme.-
Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken der dichteres maar ook der proza?ste Roland Holst gelezen heeft, dat zij niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk- en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft. O erger-en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die zie-; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer of je dat ermee zagen kunt....-Maar wilt ge trots dit feit en niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij hem, tenminste éénmaal, aangetoond zien? Welnu dan: In zijn betoog, dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is door de productieverhoudingen gespecialiseerd-waarin ik het volstrekt eens met hem ben-en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,-'t geen ik een evidente ongerijmdheid acht-slaat hij twee vliegen in een marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, dan liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme ontsnappen!
Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder Scheppend Vermogen versta en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een kunstwerk kan verschijnen. Want dit alles mag geen abstractie voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:
"De kunst-scheppende Macht heeft geen menschelijken wil of bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de verrukkelijkste omvaming der intu?tie, verschijnt Zij den onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intu?tie, maar Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest, máár-gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn, oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend. Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en de zoete saamklinkingen der harmonie?n opwellen en deinen en blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste en de intu?tie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn, leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn, zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan, wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, blijde tot 't baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog. En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem-die geestelijke aarde-de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen: uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen der menschheid ontving.
"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: de volkomenheid van haar werk verdwijnt. Want hier ontmoet Zij voor 't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen, zijn menschelijk bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het werk van het Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept. En alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten door de schepping der Natuur heen, moet, dáárbij vergeleken, leelijk zijn, omdat het uit ònvolmaakte krachten werd geboren, terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon moet zijn, omdat het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]
Maar wat nu de waarneming van de bewegingen van het Scheppend Vermogen betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van den waarnemer verzinnelijkten tot die van een mensch; van den mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik 't-daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken, Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:
Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:
Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid, verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch, en het leven omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....
... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee waar hij gaat hoog op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als honden aan zijn voeten....
... hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende etherische goudene tapijten de luchten....
... hoe hij het leven bewoont als een koning, zijn rood-gouden levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]
Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het Scheppend Vermogen, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ... wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten tijd? Ook Querido's Geschreven Portretten, zij zijn er pràchtig van, van dat niet vóóral zien van het werk, maar van het Scheppend Bewustzijn en zijn bewegingen, waardoor het werk is ontstaan.-Maar ge vraagt mij wellicht, of dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat stelt het te begrijpen, lief te hebben?-Och, zou er dan wel één mensch zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle leven maar één schoonen droom van verlangen? Kent gij één kind, dat geen schepper is?-Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? There are many poets who have never penned, welk een diep woord was dat!-Ongetwijfeld zijn er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. Zij is niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:
Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen van geest en stof, het spreekt over den inhoud van het denken en het toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en zoo is en zoo en zoo verandert.[26]
Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek op, de beschouwing van het hoogste, het meest essentieele bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is. En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de kennis van de herkomst van den denk-inhoud niet het minste licht, en ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde kunnen baten!
"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:
Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het geheele menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke het niet bestaat?[27]
En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het pas. Want niet het leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden. Het leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken, wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de goddelijke essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware hij daarvan verwijderd geweest, omdat zijn aandacht zich dan in 't bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren. Hij deed beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven begint....
Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze uitsluitend-literaire van Van Deyssel u den Gorter der sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!
En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch materialisme dan op, deze geologie der maatschappij, ter verklaring van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar "gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op na?eve en jonge geesten dien indruk maakt! Maar is zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die middelen, ja daardoor, haar dòel mist.-Er is één middel: de aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt, dat haar wetens- en gevoelsinhoud is uitgebreid, maar in waarheid, zij 't voor nog zoo gering een deel, haar potentie om te voelen en te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot, maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek, die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijksoortigs aan dat geluk.
Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat de critische kunstenaar in hem klaarblijkelijk zelf het historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht, dan-ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen worden.-Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:
Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote po?zie wordt verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft de groep Lessing, Schiller, Goethe en,-daar in de po?zie de daad geldt, niet de aanleg-Shelley staat als een toren boven Goethe. Dat zegt niet alleen de zekerheid van een hart, dat tegenover po?zie nooit heeft gedwaald, maar het verstand dat van Marx geleerd heeft waardoor po?zie groot wordt[28].
Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is-Gorter zal wel de laatste zijn om het te ontkennen-in zulk een verreweg grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij daaraan onmogelijk recht en moed had kunnen ontleenen, om zich autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat dit hier, in kwesties van kunst den doorslag had te geven. En in weerwil van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit-en hoor de heerlijke aandoening beven in zijn woord:-"dat zegt de zekerheid van een hart, dat tegenover po?zie nooit heeft gedwaald."-O, dus dat is het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet zoo Muziek als hij, niet zoo groot-na?ef als hij, niet zoo "adamisch" dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen moest.
Geloof is geprosterneerd denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn knielhouding weer verrezen, is het gesublimeerde boven al zijn broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid schenkt, het is de overgave.... Het is het zich-verdroomen, het zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren! Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en volgroeide subjectieve waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen, maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in.... Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil, zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....
Anders Gorter's levenswerk.
Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....
Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht schalt, zijn geluid straalt.
Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even terug. Een streeling van de hand, een innige blik....
Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is kalm omdat zij zèker is....-
Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort, midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een ademloos leven van voortijlende haast, en èven voor het bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende, in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met tanden....
O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter. Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn Mei....
Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te streven van hoe dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien: dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan.
* * *
NOTEN:
[1] Voor de eerste maal gepubliceerd in De Gids, 1913-'14.
[2] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[3] Den burgerlijken kunstenaar.
[4] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[5] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[6] Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.
[7] Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische gezindheden en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet thans natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in "Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.
[8] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.
[9] Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst geen zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: alle kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij als kunst wordt genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altru?sme: De verrukte aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar lief, en vergeet, zij 't voor korten tijd, zich-zelf voor hem en zijn werk.
[10] Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.
[11] De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17-18.
[12] Ibid. blz. 18.
[13] Ibid. blz. 22.
[14] Ibid. blz. 31.
[15] De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.
[16] Algem. Hbl., 9 januari 1913.-De schrijver voegt er nog, m. i. zeer terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen ijver."-
[17] Deze cursiveering is van mij.
[18] De Nieuwe Tijd, 1909.
[19] Cursiveering van mij.
[20] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.
[21] ibid.
[22] ibid.
[23] Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's prachtig "Sjofelen"; veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van Van Deyssel en, last not least, menig stuk van Van Looy!
[24] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161-163.
[25] L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 e.v. (Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, waar ik hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht. Cursiveering van mij.
[26] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.
[27] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.
[28] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.-Cursiveering van mij.
[29] Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "daar In de po?zie de daad geldt, niet de aanleg," nog een van die typische denk-fouten welke door het marxistisch-aesthetisch denken vooral veroorzaakt worden, de meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets anders zou kunnen weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner zou kunnen zijn-zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden-dan de aanleg, die immers niets anders is dan de potentie van den kunstenaarsgeest. Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad zichtbaar is geworden met de daad-zelf, d.i. de beweging van den kunstenaarsgeest. Wat hij de daad noemt, is in waarheid het product van de daad. Dit product weerspiegelt de daad èn de worsteling van de daad met de stof èn met de haar weerstrevende omstandigheden, maar die daarin dus névens al het andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar bewegen: hoe zij worstelt, overwint of succombeert, is alleen en uitsluitend de zuivere spiegel van de grootte, de macht of de zwakheid van den aanleg. Men kan dus niet zeggen, "dat in de po?zie de daad geldt, niet de aanleg," alsof uit beiden iets verschillends zou kunnen blijken!
* * *
HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK