Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
Willem Kloos
Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens-dat is geen mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid, als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog menschjes zijn, en van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan ware onze spraak van zijn diepste accenten en schoonste geluiden beroofd en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den ziels-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.
REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.
Aldus gaat het hen, die van hen spreken. Die hen beelden, in een kunstwerk, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid, die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden, maakt het den beelder moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die ieder niet àl te laag staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven, dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft.... En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn. Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames, maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van Jeanne Reyneke van Stuwe heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al: het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn: de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine wijze: Eva; de toekomstige ego?st, goedhartig en vrijgevig uit praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben, is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich zoo voornaam door eigen, onbewuste noblesse, maar bewust wordt haar die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar! Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog is uitstekend. En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te bekijken. Is dit niet allerliefst:
Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, kleine poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij, wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet steken.[6]
En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een scherpe psychologische observatie gezegd:
Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel zei:
-Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en zij háátte hem op dat oogenblik met een snellen haat, maar vergat dien weer, omdat Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam, haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets van haar in het openbaar goedkeurde.
Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd," zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als ze merkt, dat haar vrijertje Piet Erckelens het woord ook zoo goed weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt achter boomen opgesteld, om den "rijken reiziger in 't eenzame bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:
De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou hij nog eens in den moestuin probeeren.
Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom, gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.
Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.
-Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op somberen toon gezegd:
-Ik condoleer je wel, Arl.
Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles' speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet tot schreien te kunnen brengen. Ik zou u even willen toonen de houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal, als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind, neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen; haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken, dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid, bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof zij, in plaats van door de schrijfster-zelf, door de hen verheerlijkende kinderen zijn gezien. En ofschoon deze omstandigheid de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove, zinnelijke Oom Carel beter gebeeld is dan de hoogstaande Alexander en Jeannette, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig ingevoeld hebbend in de levenssfeer der kinderen, werd door de visie van de in reinheid aan kinderen verwante Alexander en Jeannette niet uit de kinderlijke levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus van uit die sfeer; door de visie echter van Carel, die niets met het kinderlijke gemeen heeft, werd zij wel uit het kinderlijke denk-voelen gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden, en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien verschijnen? Welnu, zie toe:
Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven. Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek, gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was anders[8] voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende. De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.
Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar scheen deze vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de levende, spartelende massa der over elkaar glippende, kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas, onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint; zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker, doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen ernst.
Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome-vlug verschijnen en verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende glansen.... Deze bladzij, op een oneindig hooger plan dan het overige van dit werk levend, bevat-'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische" overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat ik zeg-een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.
Van kind tot kunstenaar il n'y a qu'un pas. En zoo ge schalk genoeg zijt mij hier te vragen, of het diezelfde pas is, welke van het sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden, dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans, immer geviel in kind en kunstenaar een essenti?ele gelijkaardigheid te erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een zonderling en zeldzaam wezen, dat het meest wezenlijke en karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt. Dat meest wezenlijke en karakteristieke is het vaak en grootendeels passief-zijn van het menschelijk bewustzijn en het zeer actief-zijn van het zoogenaamde Onbewuste, dat ik, elders, het Natuurlijk of Goddelijk Bewustzijn heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en onberekenbare in kinderen en vandaar ook het onbeheerschte en onberekenbare in de handelingen van vele groote kunstenaars; vandaar het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het, blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasie?n door kinderen, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen en verbeeldingen door kunstenaars.
De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding tusschen de beiden somtijds als van het sublieme tot het ridicule wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje lacht, als uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar-ge behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch-dat alles heeft een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste," dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke reacties-het zij herhaald-zoo zij zich voltrekken in de samenleving der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching "onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat ik mij toen voelde-en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn-als die ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd. Helaas-ik houd van Turken!-ook het verhaal van dien barbier was geen dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?... Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen. Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen, aan de vrij zuiver uit zijn kunstenaarsaard voortvloeiende weigering van Cyrano de Bergerac, om de gunst van den almachtigen kardinaal de Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden, die deze in Cyrano's tragedie mocht wenschen aan te brengen. Ook zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten eerste, omdat zijn glazen er nimmer door kunnen breken-want laat mij u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd, niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...-en ten tweede, omdat hij niet door het leelijk-vinden eener daad, die de materie aan de idée offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een dergelijk offer niet in staat is....
VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.
Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van Anna van Gogh-Kaulbach, Voor Twee Levens, dat ons een daad laat zien, die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van ?g.W. Timmerman, Leo en Gerda, dat ons daden toont, die hinderlijk en ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid, laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In Voor twee Levens is in Ada de groote artisten-natuur gebeeld, die, gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn, waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden-is en blijft deze arbeid een geslaagd kunstwerk, omdat een uiterst moeilijke taak: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en voorstellingsmacht roemen, waarmede in Ada, als bij stukjes en beetjes, als door een levende moza?ek-van-vele-kleine-handelingen, het bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik genoten van die, door treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door Ada teleurgestelde Ru; het voelen van Louise, die als Ada, die alleen voor haar kunst kan leven, van Ru is heengegaan, hem met haar liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster dankbaar zullen zijn.
TIMMERMAN: LEO EN GERDA.
De figuur Leo daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te houden," omdat, in een woord, z'n kunstenaarsnatuur daaraan behoefte heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intu?tief voelt. Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed, geest-vermummi?nd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste part noodwendig voortvloeit uit Leo's aard, dat wil zeggen: een kunstenaarsaard van zekere soort. En het is een verdienste van den schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen; dat hij ons Leo's plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. Gerda, een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood, ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne beeldingen-gelijk het leven zelf-door hun wijze van zijn, natuurlijk voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden, vóór of tégen iets, al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, van zelf en zelf een of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf niet sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten worden uitgestort! Maar het samenleven van Leo en Gerda, hoe goed ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het eerste hoofdstuk.
Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen Gerda en haar vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter, deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer, op grof-zinnelijke wijze te prikkelen-er is daar een epische zwier en tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden, dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken valet, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te zien....-En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige werken te spreken, maar ook sommige mijner lezers, naar ik mij vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze be?nvloedt-nu voel ik toch de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam te vatten: dat die be?nvloeding nml. beiden tot buitensporigheden brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot uitspattingen drijft, alle welke buitensporigheden echter de deugd bezitten van de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te openen voor nauwelijks vermoede hoogere en lagere mogelijkheden, en dus hetzelfde te bewerken, wat een ver afgedwaalde vogel doet, die uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar verwekt....
Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen als een waarschuwing, wàt met het kunstwerk gebeurt, als de lagere persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep leedwezen.-
15 April 1912
* * *
BRIEVEN OVER LITERATUUR