Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 4 No.4

Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: De alomtegenwoordigheid in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te verwerven.

Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen-terwijl ik spreek, keer tot u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure.... Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden, vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende parafrase en verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten zijn.

Dus: waarom dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij-en hier ziet gij oprecht vragend op-toch waarlijk niet behept zijt?!... Och neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet ook liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, wàt het is, naderen, toen ik zei, dat wij ook liefdevoller zijn dan wij-zelf denken?... Het is: omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer zielen! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij wilden het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet altijd geleerd-ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend zelfbedrog-dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een groote van onzen tijd, van ons land, die ons de handen smachtend naar andere tijden en andere landen laat strekken. En geen andere dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in onzen tijd, in ons geslacht, in ons land, als een evenmensch met ons verkeerend, een Groote leven kan. Daarom is het spreekwoord: Geen profeet wordt in zijn eigen land ge?erd, een waarheid: De zelfgeringschatting staat niet toe te gelooven, dat het eigen land een profeet kan voortbrengen! En daarom zou een alomtegenwoordige Groote nergens worden ge?erd!

Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk, dat indien al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei practisch belang heeft, want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig zou zijn!

Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is, tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde gelaat aan.... Isra?l is ieders tijd- en ieders landgenoot.... Daarom is het nergens en nooit ge?erd en geliefd met de liefde en den eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt-is altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van hen, die hem moesten eeren en liefhebben. Want luister! Zooals de betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der innerlijke zelfhoogachting, het kunnen-gelooven aan met hen verwante grootheid der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de zelfgeringschatting der middelmatigen, het twijfelen aan de mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid, en zóó, ten slotte, is de haat tegen en verachting van zulk een Groote-en ge ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van zulk een haat!-anders dan de uitgebraakte zelfverachting der verdierlijkten, het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze met hen in aanraking zijnde grootheid, en het dáárom tegelijkertijd haten èn verachten als gehuichelde en geüsurpeerde meerderheid, 't geen inderdaad werkelijke en rechtmatige meerderheid is, en die zij als zoodanig doorvoeld, alleen geháát zouden hebben.

De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie, van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár-het allerbeste behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen, zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij, een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun slachtoffers verachten en niet weten, dat zij niet anders dan zelfverachting braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.

Gij, Hollander, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien: hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer, Isra?ls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar, uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van zonen van dat volk.

Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig decenni?n overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch vermogen-de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd, buiten beschouwing gelaten-vrij wel latent; hun plastiek niet sterk, zelfs de plastiek van Salomo's onvergelijkelijk Lied der Liederen wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn, toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten, overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens aan die prachtige groep: Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal, eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op de knie?n te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand, om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde, als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk-maar ik wensch nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche ellendelingen-deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de jonge Joden, in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op renaissance-meest met beiden!-in hun hart, geen eerbied meer voor het geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur, hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden, nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die Aronsstaf, mijn lezer-gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het boek van Dr. Slousch, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt-die Aronsstaf is de verjongd-uitbottende Hebreeuwsche taal!

DR. SLOUSCH: LA POéSIE LYRIQUE HéBRA?QUE.

Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882-1910) behandelende, boek van dezen geleerden, met een zeer fijne critische intu?tie begaafden Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is, om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár-volkomen ge?mancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt, is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:

Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté du culte grec et le manque de gout des rabbins.

Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:

Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shada?-Dieu-Roc (cette divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des conquérants de Chanaan) et qu'ils ont enchainées dans les cuirs des philactères,

hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der gebedsriemen" een gebod van "Shada?-Dieu-Roc" zelf is. Niet dus van "Adona?, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's po?zie noemt! Maar ten tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel op mijn arm" en ook-hoe rijk is een kind!-hoe ik midden in het ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith-den gebedsmantel-op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond, die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen: niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met een stoffigen hoed tevreden!... Maar dus: "onaestetisch"!... ik begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:

Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à contempler "un bel arbre ou un beau champ."

Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe vertaling, aldus:

Die ten wege gaat en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn meditatie afbreekt, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die zich schuldig maakt jegens eigen ziel.

Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!

Maar-en spreekt dit trouwens niet van zelf?-het opmerken dezer kleine vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij, Westersche Joden, daar Joodjes bij. Van hen allen schijnt Bialik mij de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment uit het gedicht Massa Nemirow, "une description réaliste du pogrome de Kichenev."

Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges, où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront contre les décombres des objets brisés, contre les restes des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et des labeurs surhumains....

Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs fleurs qui sentent le sang....

Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton coeur la fra?cheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....

Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau abattait....

Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht, toont Slousch wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden, ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: La Chose (Dabar) van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:

Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de notre siècle d'égo?sme et de positivisme à outrance.

En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein gedeelte.)

Car une chose s'est declarée chez nous et personne ne sait ce qu'elle signifie.

Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher, est-ce pour jamais?

Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos, et n'offre aucun refuge.

Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?

Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos blasphèmes?

Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent emporterait tout sans laisser des traces.

Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les cieux se sont tus!

Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur faute.

Ouvre donc ta bouche, ? Prophète de la Fin, et si tu as quelque chose à dire, dis-le!

D?t ta parole être amère comme la mort, d?t-elle être la mort elle-même, parle, dis-la!

Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche sur notre dos et met le mors dans notre bouche?

Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe....

En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote, Tchernikhovsky, zegt:

(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le poète prêche aux fils degénerés du ghetto.

Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.

Il a conscience de son r?le de régénérateur. Il est aussi large, aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.

Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot, naar dit:

Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les domaines du Ciel et des ab?mes, à dompter les tonnerres et le feu, et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des rimes, l'enthousiasme de l'ame du poète jaillira puissant comme le grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...

Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle en vernuftig-ondermijnende haat van het intellect tegen het verfoeielijk maatschappelijk systeem, zich heeft gepaard aan de erbarmingsvolle zachtheid van de ziel jegens de menschen; een beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van Marx en Lassalle!-Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit: dat ik in de maatschappij, waarin ik leef, niets van het leven, het denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis met hun geestelijk gelaat herken.

DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.

En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: Heine Reliquien, dan zie ik daarin niet één mensch, hij zij Ari?r of Semiet, of ik vind het meest karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug: Salomon Heine, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit, welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; Gustave Heine, de gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich, een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud, te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de Baron de Custine, met zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann, "die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intu?tief door en door! Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal met het zoo oneindig belangrijker werk van Slousch, is het boek interessant. Het is het vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:

Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des Gesichtes, inclusive den Mund sind gel?hmt. Dabei bin ich lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen und Gott sei gen?dig dem Hintern, den sie n?chstens treffen.

Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de Jiddische Witz zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste karakteriseeren-en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer niet ongewenscht-ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een gemoedelijken, uiterst ervaringrijken en scherpzinnigen grijsaard, een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000 jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár: ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het volgende):

Im Laufe des Gespraches nahm ich ein franz?siches Journal zur Hand, und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was er von den ?ffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte Franz?sische Wachtmeister ?usserte als der Lieferant Lewi seine Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen St?dtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen zu seiner disposition. Er liess deshalb die Ochsen einzeln vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung und bemerkte: Es k?me ihm vor, als seien es immer dieselben Ochsen."-"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."

Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel had hij niet alleen het essenti?ele der Westersche beschaving in zich opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad haar fine fleur: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst- aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen? Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere haar hand en zegt tot Gustave:

Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das kleinste."

Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat hij, lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend, ze kon zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij is, ònder den grond meende te wonen, zij leven daarboven: zij heeten: eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang!

BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.

In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en vooral die van joodschen stam be?nvloed heeft en nog ten huidigen dage be?nvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij Josef Cohen wel de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; van Collem is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; de Haan veel te zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te volgen. Zijn joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan Het Joodsch Nationaalfonds gewijde gedicht in De Beweging van deze maand lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn. Is deze, mijns inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't innigst joodsch-gevoelig, Bonn, wiens bundel Een Bonte Vlucht van Verzen hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft: arbeiders en het socialisme, en dan verder: hollandsche weidjes; hollandsche koetjes; huiselijk leven-heel innig!-. Maar zijn levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone gedachten-ònbelangrijkheid. En-'t zal u zoo op het eerste gehoor wat vreemd lijken!-niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van de laatste naast de eerste, laat weten, dat hij een echt dichter is, al moet ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot zoo betrekkelijk schoone verzen-men weet, ik doe te dezer plaatse niet aan eigenlijke détailkritiek-weet om te vormen, dat is een dichter.

Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht te bepalen, nadat we wat vogels hebben nage?ogd, die zich neerzetten op zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei, dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig gedicht kon schrijven, maar dat de toetssteen voor den dichter het lied was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg niets episch. En indien we nu zoowel naar Bialik zien, die een po?em schrijft, waarin hij naar Slousch's getuigenis, de Kischinewsche gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen Slousch opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait d'eux une perception trop nette de la réalité."

Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij worden en waren, niet langer als heerschers tegenover het hen omringende leven konden staan, dat het heerschersbewustzijn, ook in de besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten ondermijnd, niet leven kon, en-de lezer herinnert zich wellicht dat ik in mijn opstel over H. Roland Holst reeds zeer nadrukkelijk op dit feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]-dit heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn, en het is, dunkt mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten-immers men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de noodwendigheid niet ziet-dat juist in ons Holland niet alleen een van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme verdienste en productiviteit, Heijermans, is opgestaan, maar ook een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de andere nati?n: Is. Querido.

IS. QUERIDO: DE JORDAAN.

Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig, dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal onbewuste, levens-doelen bereikt is-dat is iets wat het Joodsche ras zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras van schuimende dondering en vlei?g gefluister, dat opgolft tot de hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk" inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen-om Slousch's woorden te gebruiken-: ne cessa d'évoluer, de se transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une littérature moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht, bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,-zóó klaar zie ik geen ander beeld-den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?... Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn blijkt bestemd?...-Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is zulk een antwoord.

In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en bewuste tendenzen, dan sommige Zola?stische werken; naakter van romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige subtiliteitjes in de dialoog-men achte dit een fout dan wel een deugd, ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap van het werk, en dus een deugd-dan de Balzac niet alleen, maar zelfs dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur, een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens, toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman pleegt te noemen, het doet geen poging dan-helaas!-in den titel, iets dergelijks te schijnen[10]. Ook wil dit werk niet geestig, niet vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essenti?ele van een zeker levensonderdeel wezen, maar juist omdat het dit alléén wil zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. Want er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch zou zijn. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke climax. Aan weerszijden van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt, zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is als het leven daar, maar zie: dit land met al zijn wezens straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: het licht eener verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan, en terwijl we op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien, worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. Daarom is het zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst is, maar daarom tevens straalt het zoo verklaard en verhelderd òp uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat het 't stralende licht is dat voor ons zoowel dien bergtop als dit veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit boek, zoo één met het al-leven, voor ons toch nog iets anders dan dat al-leven doet zijn, want òns nu doorvoeld, verklaard leven is geworden.

Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen. Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden, in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de massa als dit, al is het tevens-en dit is een zijner schoonste triomfen!-een epos van de individu?n, die de massa samenstellen. Want het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen, verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor alle individu?n in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten, ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit kent, begrijpt ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individu?n is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden, die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden, maar zoodra ge de levensomstandigheden van één Jordaner kent, kan alléén de benieuwdheid naar de individueele psychische reacties u bewegen, ook van de, immers niet-individueele, levensomstandigheden van een twééden Jordaner kennis te nemen. Want-ik herhaal het-de levensomstandigheden-zelf van den tweeden lijken, als twee druppels water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil bestaan, dat verschil is in ons oog-en op ons oog komt het hier voornamelijk aan-even microscopisch als tusschen die twee druppelen water. Dàt proletari?rsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje minder misère-wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk noemde-immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!-zooals ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon-gelijk we reeds gezien hebben-aan de weergave der individueele psychische reacties naast die van de psychologie der massa, al zal menigeen het zijn begonnen te lezen uit nieuwsgierigheid-en nog wat!-naar dat hem onbekende, duister-broeiende leven....-En welk een belangrijkheid bezit het door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der verscheidenheid mij zulk een gevoels-begrip van eenheid geschonken als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.

Het is het heerschersbewustzijn van den auteur, dat bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is-gelijk ik reeds aanduidde -van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn. Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet zijn, maakt zijn essenti?ele grootheid uit. En het doet tot die grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde" en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou gevoelen. Want: deze verstandelijk onontwikkelden zijn dat psychisch niet, en op dit laatste komt het aan. Want wat het laagstaan dier menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit oogenblik kunt voorstellen te leven een psychisch-frisschere en ook sterkere figuur dan Neel Burk; een psychisch-reinere, dan Huib Kilometerboekje-welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk persoons-leven niet meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!-een psychisch meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar belachelijke Tante Antje met haar aandoenlijke onbaatzuchtigheid-en men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid! -maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens duidelijk in, hoe weinig psychische begaafdheid met verstandelijke ontwikkeling en begaafdheid behoeft te maken te hebben. Onderscheid goed den uiterlijken glans van den innerlijken glans. En overweeg eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots, in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke, uiterlijkheid is weggevallen en ziel slechts ziel ziet?

Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde bewijzen, men zou dit reeds alleen door de analyse van de figuur Stijn Burk afkunnen. Niet alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is zonder haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen mogelijkheid zulk een mensch-allerteederste vader, schuchter man met sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust doorkild-zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door observatie van buiten af, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een onderduiken, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich, zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een ander, is alleen den heerscher ten opzichte van den absoluut-beheerschte mogelijk, den veel grootere tegenover den kleinere-precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan binnengaan-nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger. En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat de grond-oorzaak dier onmogelijkheid is de psychische vrees voor het onbekende, die, om zoo te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder dan tot benaderen brengen, alles slechts van den buitenkant angstvallig betasten en nooit iets durven binnentreden.

Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners zelf blijkt ontleend!

Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen als episch auteur, aan Stijn Burk en al de andere prachtig geslaagde figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne minder geslaagde in het geheele boek-ofschoon ook die zeer zeker een waarlijk-levend mensch is gebleven-jegens wien hem grootendeels het heerschersbewustzijn ontbroken heeft: Karel Burk, den begaafden Don Juan van de Jordaan. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat, zoodra het Karel Burk geldt, persoonlijke liefde, d.i. liefde jegens die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke menschheidsliefde. Want waar dit psychische heerschersbewustzijn is-het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals heerschzucht, bazigheid, enz.!-daar is die menschheidsliefde en omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een persoon optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon gebroken. De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn onderdaan omhelzen wil.

De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i. open en bloot. In Karel Hurk, den buitengewoon-intu?tieven psychologischen doorgronder; den artistieken waaghals en bereiker, die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot uiting komt; in Karel Burk, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom, zéér artistieke heerschersfiguur, ligt, op een veel lager plan, een flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien Querido-en dit spreekt m.i. van zelf-zich, in den boven aangegeven zin, geen heerscher voelt.

Men lette er ook op, dat in dit boek-en wat ik nu zeggen ga, bied ik niet aan als een bewijs mijner bewering, maar slechts als een ondersteuning ervan-vol van allerprachtigste dialoog, vol van uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het zelfs Wolf en Deken, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist bij Karel Burk een uit-den-toon-vallen plaats vindt:

Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te koekeloeren, tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als een gloeiende, trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel in het starre blauw.

Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de gewaarwordingen van Burk in Burksch dialect te geven en die dus niet in Querido?aansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in Burk, Querido, den schepper van Burk hier de baas was!

Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, hier, een schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld was m.i. namelijk niet in de allereerste plaats een beeld te geven van het leven van zekere individu?n, van een leven dus, welks eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft, máár, in de allereerste plaats, van een brok volksleven, d.w.z.: een leven, welks begin en einde ver buiten onze onmiddellijke perceptie liggen. Want is onze indruk van een persoonlijk bestaan die van iets eindigs, onze gevoelsindruk van het maatschappelijk, van het massa-leven is daarentegen die van iets oneindigs. Doch, een brok massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat leven: de individu?n, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit gebeurt-en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak-dreigt de daardoor ontstaande indruk van het begrensde en eindige, te verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het oneindige-welke we immers van het massa-leven, als geheel, behooren te krijgen-bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het oneindige te laten voelen van een zeker levensgeheel, naast de een eindigheidsindruk verwekkende uitbeelding der eindige deelen, moest naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen verhaalgang-want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een geheel, versterken den eindigheidsindruk-en, ten tweede, het als 't ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en niet omdat het gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten, zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien, ééuwig voort.-Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het oneindige zagen, niet schaden kon.

Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op het leven van Neel Burk met haar eersten man, den zachten Gronjee maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij getrouwd is met den onberekenbaren Stijn Bark: of, en dat brengt mij meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende stad-en-land uitbeeldingen:

't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.

-Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?-Een donkere worp van doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten, zonder iets te durven doen.-Een paar dagen later hadden diezelfde kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.-Met land- en grasgeurig doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. De kinderen hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door een flonkervleugels-vertrillende libel, die dronken om het vanielje-geurige zoet van witte orchidee?n heen-kringde.[13]

Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.-Uitgesleten, kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en bitterzoet.-Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, dadelijk weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden.-Want dwars tusschen het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de hemel-verspiegelende slootjes,-gierde het luidruchtig vertier der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes, acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en opgewonden.-De keien hadden geschud van de ratelende en rollende vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies vlamde.

Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door Stijn Burk, in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust, van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos is neergezonken, dat prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool van Stijns eigen lijdensleven, dat lijdensleven van hem die door zijn drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken dag gekruisigd wordt:

Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den grond, de armen wijd uit, gelijk een menschelijk kruis.

Of: heel die ruzie in de Wijde Gang met die Danteske visie:

Traag, tegen de grauwe muren, kroop de donkerende en grillige middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim, 't heele Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.

Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs' kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...

Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd. Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen voelen en tasten kan, maar wier leven je voelen en tasten moet en dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende werkelijkheid van den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn kleine kindje naar bed brengen:

Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.

-Mot Siennetje soà ... pies goan?

-Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.

Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.-Hij was bang dat ze, verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel omzichtig moest hij te werk gaan.-Bij elk kleedingstuk, dat hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje. (Ik sla hier een stukje over v.C.)-Nou ... 't jukkekie ... zong Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ... en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ... hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... m? jèi bromme ... in 't auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!... hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is 'n soete schèt!...

-Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns kunstig zoethouden van Sien.-Bij Lien, Mien of Jansje griende ze altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet meer tegen zich op voelde.

Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse Dien:

Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van een kaduuk weegtoestel. (Welk een prachtig beeld is dit, en zoo voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel! v.C.) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar een fel, brandend genoegen te jokken. Ze kreeg zoo'n angstige vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd. (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen, zooals 't gebeurde. En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn te waar geworden was.

Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in des schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn. Men vergelijke hierover mijn artikel over de Studies van dezen auteur, in De Ploeg.[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....

Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun kringen):

Ze waren van één ras, eene klasse, door eenzelfden levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één plek grond.

Of betreffende de waarzeggende "Tante Antje":

Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, meer luisterende dan kijkende oogen.

Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:

-Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de sabelbeenen uitgebogen.-

-As je blief Teun....

Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.

-Soo je siet moeder....

Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.

Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken matroos-eerste-klas.

Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....

De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn herinnering.

-Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?

Plots schoot bezinning bij den matroos terug.

-Nou hep ik je mins!...

-Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen, de armen als hengsels.

-Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ... f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg....

Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.-

Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten braniekraag.

Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk, prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen lach.-Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in een ziekenkamer. Het was altemaal open leven, frisch en frank.-

-Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

Annemie lachte mee en de andere wijven ook.-

Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.-Nog 'n ander slag man dan haar suffe Stijn.-Maar Annemie voelde haar buurt bekeven.

-Alleminse ... wét bi jei grausig....

-Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt het niet uit door een prachtige waarachtigheid?-

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele Neel Burk, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige-met diep mystisch begrip door den auteur doorvoelde-zekerheid in haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die een coup de ma?tre was, dan is het hier:

Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje terug.-Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie in te klimmen.-

Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie tr?nke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

-Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

-Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van kilte in zijn onderbroekje.

-Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje, doende alsof ze inschonk.

De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil gemaakt.-Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje, had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen, morrelde er een heele comedie omheen.

-Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies ... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel, mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek.... 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't kètte-gèsthuys....

-Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... se legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ... moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele schouder-schokjes.-

-Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren slaap.-

Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om steun.

Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend grimas....

-Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend, zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

-In 'n figelènte nie?...

-Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

-En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

-Sèlf meigereije!...

Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

-En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met troostend, fijn vlei-stemmetje:

-Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van de twintigste eeuw nog verzonken lag-dat dan zelfs één klein stukje als het zooeven door mij aangehaalde voldoende zal zijn om elken twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden, zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.

Mag men ook het machtige boek van Else Jerusalem, Het Roode Huis, als een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo volkomen alles doorstralend als bij Querido. Deze bordeelroman, een aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij, lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen-deze prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale belangrijkheid betreft, naast De Jordaan worden gesteld. En ook wat dramatisch inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet licht ook de duldende Janka-de nicht van den verleider, den "prins," den schatrijken heereboer-die met de verstooten moeder en het kind is weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd en van het geslacht kan worden afgewenteld. Maar wat de psychologie betreft-schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag-en wat de dialoog aangaat-vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk-en vóóral de beschrijvingskunst-heel vaak vieux jeu-staat het ònder Querido's werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het heerschersbewustzijn, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan de figuur van Madame Goldscheider, de gewikste waardin, tegen wie nu en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die door haar merkbaar wordt overschat. Doch dat alles neemt niet weg, dat het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die, opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene in de armen, den oever bespringt. Mevrouw Barentz-Sch?nberg, die het prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen, dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde "Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!-En om dit alles nu kan ik dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022