Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 2 No.2

Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben, dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?....

Ik herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij door het lezen van shilling-shockers voor te bereiden op het ambt van literair criticus, dat ik nu bekleed-en zoo ge deze opleiding ietwat vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging; weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we allen trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!-nu, ik herinner mij dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken en een van 't gezelschap-het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn geweest-in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent, en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot-ik mij met een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon, als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden bloementuin....

Ook herinner ik mij-en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan woorden aan een zilversnoer? Ja zeker, als de bescheidenheid-gelijk hier- en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden, is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele onwaarheden-ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een zoogenaamden Polk, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was, ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt, dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!

Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat zich afwenden van eigen tijd, dat is niet voornaam, en dat trekken van het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde-dan moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook: als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang, allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.

VAN OORDT: NAGELATEN WERK

Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en-ik mag dit van een doode immers wel zeggen:-ge hadt zijn gelaat slechts behoeven aan te zien, om te weten, dat hij ook een groot mènsch was. Als een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen, treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid, die dreigend is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt, dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over-u-zelf. Het was ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal kunst, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk tronend in de zielsdiepten. En dit Nagelaten Werk, dat nu voor mij ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij hier.-Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.

In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave geschreven opstel zegt de Gids-criticus, de heer Scharten, dat de heer Van Oordt een middeleeuwsche ziel had en dat een, in het Nagelaten Werk opgenomen, stuk als Een Pleiziervaart, dat fijntjes humoristisch het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers verzeild, na?ef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk een stuk, bij langer leven van den schrijver uitzondering zou gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken Roman-Begin en Fragment uit Floris de Zwarte dezen beoordeelaar gelijk te geven. Maar ook niet anders dan oppervlakkig beschouwd. Want zoo 't mij geoorloofd zij-en hier wensch ik u de beloofde opheldering te geven-tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het middeleeuwsche-en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene -zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan-gelijk wel, al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen-; dáárdoor verhinderd het leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want-en moge dit mijne beweringen ondersteunen:-een vurig sociaal-demokraat als Van Oordt was, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een vurig sociaal-demokraat kan onmogelijk een geest bezitten, die hem zich precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een begraven verleden te evoqueeren, dat aan sociale rechtvaardigheid niet rijker was. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem een rijke en groote. Toch-laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door oprecht te zijn-niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst-zoowel van stoffelijke als geestelijke momenten-mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde Een Pleiziervaart als In de Kroeg-het verhaal van een dronkemansruzie-en Een Liefde in Limburg te lezen, om te merken, dat, wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen-niet bewust, maar instinctief-in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit Nagelaten Werk, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen in dit:

En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar tot een burgerlijke versiering de zonnestralen[3] langs mottige vitrage gelen bij het wee? rood en bij het uitgebloeide blauw der kameromgeving.

En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een geestdriftige stijging, en als hij op sprong staat zich over te geven aan den val der gindsche daling, glimt hij in de zon als een lint van gele japansche zijde.

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in Een Zeereis. De verhaalgang zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk een gang en een leven in dat Fragment uit Floris de Zwarte. Hoe onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde ontbloeien in Een Liefde in Limburg....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was-en ik zeg 't u om uw-zelfswil-lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten, allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar-zóó, in de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden, allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen keer-en ge hebt 't uit den aanvang van dit opstel reeds bemerkt-niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats aan den roman De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche Meren, door C. en M. Scharten-Antink, fournisseurs de la cour. Dezen laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden, maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het-gij zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer vereend heeft, de recensent mag scheiden!-het echtpaar Scharten is het, niet voornamelijk wijl het de erkende romanleverancier van De Gids is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche- woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene seizoen in Soieries Fran?aises, 'n ander in Inverniciatura Italiana handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in High-life tailor-made Dressing-gowns, maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche katoentjes zal "doen"-neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral, omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven, absoluut hoff?hig te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af, tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht wie de Cavarner landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee machtige vuurstroomen-die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen droom!-Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken. Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant de invasie der Duitschers in Itali?, die met hun flair voor zaken-doen den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt. Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen. En dat beeld wordt er des te volkomener door en blijkt zelfs rijk aan een ongezochte symboliek, als we erop letten dat de roomsche priester Jacchini de handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is! Op deze tendenzen der huidige samenleving de hand te hebben gelegd, en ongetwijfeld een in-kunst-herscheppende hand, dàt is de machtige verdienste van de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt: tusschen de beide dorpspatrici?rs-families Muzzo en Tadde?, in verband staande met de beide andere konflikten-en het dunkt mij goed, met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit werk m.i. miskend is, op dit verband den nadruk te leggen-want de afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat de jonge Tadde? wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert-wat als eervol geldt-en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een Tadde? met een Muzzo trouwt, maar-er is een vierde dramatische botsing, die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat is de levenstragiek van den blinden Zacharia Banfi, een prachtig-gebeelde figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandi?, één idee in zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt, sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het land terug te winnen.... Luister:

Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar hem een zeemen zakje op de borst hing.

"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire, met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... de Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn er honderd ... honderd...."

De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over de binnenplaats....

De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in Banfi op: een van die Duitschers, een broer van dien Walther, die op Banfi's "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent Banfi en hij geeft een deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen worden, om Fulmignano, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij, waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe kabelspoor en daar laat Walther het grootsche Kulm-hotel bouwen, daar zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man, die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke, kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen, die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht verklaarde in een zachte opgetogenheid. Toen hij vóór noch achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren....

Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag, naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar Noranco lag,-hij zag dat alles in één teeder gewemel van honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze, glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het azuur van den hemel en aan het versche gras der wijngaard-glooiingen,-heel dit lente-land, dat hij kende plekje bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in den geest.-"Che bellezza," zei hij zacht.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat wij hem zien:

Onbeweeglijk bleef hij zitten.

Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede, waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld. Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Tadde? laat trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het Mayertje, ofschoon uitstekend doorvoeld, is niet zóó goed gebeeld: de schrijvers hebben hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend, te spottend, te humoristisch geworden. Met den Zoppo, den uit den treure preekenden vegetari?r en theosoof vormt zij niettemin een aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "'t Mayertje" te waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt. Zij blijkt dan, dunkt mij, van zelf te symboliseeren het verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende, landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze minnehandels gebruikt Madame Mayer een jong meisje uit het geslacht der Muzzo's als "postillon d'amour," welk kind op een van die boodschaptochten door den "minnaar" van het Mayertje wordt verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen-en is dit niet fraai en goed?-maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om, wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die balken er niet zijn!-En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n "ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: Wat dit boek zegt, dat zegt het voortreffelijk-een enkele, in de sfeer van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor eigen vermogens bewijst-maar in 't verzwijgen, daar zit 'm het ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren gehoord, dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit niet voortkomt uit zekere zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het-en vindt men dit een "insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!-dàn is het: wijl zij fournisseurs de la cour zijn!

LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet praten.... Diens Antiek Toerisme verplaatst ons zoowel naar vreemde landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari, een brok armoe?gheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan. Een schatrijk Romeinsch patrici?r gaat met zijn van hem afhankelijken oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij -eerste rangs tooneelmalligheid!-voor eene hem ontrouw geworden en met een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart. Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.-Kijk, als ge nu een boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden-en welke gedachte zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?-hoe komt ge dan bij het betreden van dit Couperus-huis bedrogen uit! De gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden, maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ou? Romein, men ontmoet een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene.... Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname.... Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft; meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn grooter tijd een ontzaglijk Magi?r was, die machtige geesten opriep, hen bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb, den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig en lief. Die beschrijving van den Witten Nacht is fraai en wij geraken wel in de stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch verleden ... jawel ... máár de centrale fout van het werk is, dat de menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen. Er wordt gespeeld met menschelijkheid. En de taal is verbijsterend slordig! Het woord immens komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens Nagelaten Werk voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo reuzig immens was" als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan, weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een edeler spel van hem zien? Sla dan Groot-Nederland van Maart[5] op. Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te maken: het décor is er om de menschen.... Neen, zéker: de groote Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich voor op een schitterend heroptreden-de kleine Couperus houdt zoolang het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.-

* * *

BRIEVEN OVER LITERATUUR

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022