Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 9 No.9

Praatjes van Juffrouw Bess.

De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkig genoemd moeten worden, wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!

Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan, en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de grillige wijzer van den anero?de-barometer zachtkens terug tot op ?veranderlijk". Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd, kon miss Campbell onmogelijk voldoen.

Daags daarna, den 8sten Augustus, werden de zonnestralen door warme neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss Campbell wenschte te zien.

En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een zekere teleurstelling te vermijden.

Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in dat van iemand anders?

Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen Oceaan opdoemen.

?Wil mij mijn onhandigheid vergeven!" (bladz. 83).

Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aan haar voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval, dit kan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.

?Hij staat mij niets aan," herhaalde zij. ?Neen! hij staat mij niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan der ?Mac-Ego?sten" of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell, vertel eens, bevalt hij u?"

?Over wien spreekt ge?" vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.

?Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar ter wille van den clan!"

?En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?"

?Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren."

Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.

Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch terug gezien had, wien de Glengarry zoo gelukkiglijk hulp en redding verleend had.

?Neen, miss Campbell," antwoordde juffrouw Bess, ?ik heb hem niet gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben...."

?Wanneer?"

?Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!"

?Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden, en bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid geen enkel oogenblik!"

?Dat's mogelijk," hernam juffrouw Bess; ?maar voorzeker heeft dat jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen zijn, om u te bedanken...."

?Mij bedanken?" vroeg miss Campbell. ?Mij bedanken? En waarvoor? Ik heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder ander in mijn plaats zou gedaan hebben."

?Zoudt gij hem herkennen?" vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge meisje oplettend aankeek.

?Voorzeker," antwoordde miss Campbell openhartig, ?en ik wil wel bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!"

?Maar op wien gelijkt hij toch?" vroeg de waardige huishoudster. ?Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi gelijkt."

Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk, en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren; toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.

Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk, langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.

Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar kamer terug.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022