Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 8 No.8

Een teleurstellend wolkje.

Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.

Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij in mededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook wezen mocht.

Daar zat miss Campbell dan als de peinzende Mina. (bladz. 65).

Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.

Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden, wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het woord zoude toevoegen.

De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van, dat het der moeite niet waard was er van te spreken.

De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee, de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn, waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.

?Welnu," zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk trachtte te uiten, ?men had een ander punt dan Oban moeten kiezen, al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!"

De broeders Melvill bogen instinctmatig het hoofd en beantwoordden dien rechtstreekschen aanval niet.

?Wij gaan onze beschikkingen treffen," zei miss Campbell, ?en heden vertrekken wij nog!"

?Welnu, vertrekken wij dan!" antwoordden de twee ooms, die hunne onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid konden trachten goed te maken.

En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:

?Bet!"

?Beth!"

?Bess!"

?Betsy!"

?Betty!"

Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs de redenen van dat overhaaste vertrek niet.

Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian Hotel, gerekend.

Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen, wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken, zonder alles in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde juist in deze omstandigheid.

Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was, verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk ten zijnent behouden mocht.

Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen, dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van de noordstreken van het kompas belemmeren.

Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige wandeling van vier of vijf mijl, niet meer. En wanneer het weder gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.

Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag- en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.

De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.

?Maar," merkte broeder Sam op, ?het is toch op zijn minst genomen zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!"

?De natuur is zoo grillig!" antwoordde broeder Sib.

Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam, dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken voor haar meteorologische waarnemingen. Maar hij was zoo verdiept in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen blijken.

Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef, ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.

Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk ?mooi", maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.

Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt, zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittanni? in zwang, in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren, en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen; of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen; verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen, morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte, wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen; photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo'n gelegenheid gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onder de laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen, welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.

Zijn bal behendig voortgestuwd. (bladz. 79).

Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen, alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.

Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte, bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai begrenzen, gaan zoeken.

Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit den Zeeschuimer met den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund, het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden, die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van een ?stack", welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de een of andere donkere grot, een van die ?helgers", zoo als men ze in Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo'n brullend geluid kon doen hooren.

In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen en over de kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.

Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden zij zich vergist hebben.

In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, de Glengarry, die de zee?ngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen, die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de boot met vriendelijk gebaar groette.

Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman, maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude zij het weer kunnen openen, nu ?haar held," aan den een of anderen Wodan uit de Ga?lische heldentijdperken gelijk, verdwenen en niet meer te voorschijn getreden was?

Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte, die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar, had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van de Glengarry opgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming van den Groenen Straal te staan gekomen!

Dit was inderdaad zoo goed als zeker.

Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.

In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen, de andere was achter een stipt incognito verscholen.

De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken anero?de-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin een heldere kim te mogen waarnemen.

Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen, die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen, dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel luisterde.

En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling zouden aannemen!

Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes, wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt als voor zijn eigen persoon.

Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet, of deed althans alsof hij er niets van merkte.

Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven ?veranderlijk."

De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans, en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid zijn azuurblauw in de wateren der zee.

Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan gebruik te maken.

Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen koetsier, gewoon aan het rijden met ?de vier," gemend werd. Partridge klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban naar Glachan op.

Begon zij meer ernstig te spelen. (bladz. 80).

Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt-niet van miss Campbell-verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomen werd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.

Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig hield den weg langs de kust, die zich langs de zee?ngte uitstrekt, die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland, van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden, en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk het zuidelijk uiteinde bekroonde.

?Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne," merkte broeder Sam op.

?Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen," vervolgde broeder Sib; ?want het werd door de Campbells vernietigd, die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de kling gejaagd te hebben!"

Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan zachtkens in de handen.

Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen, na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.

Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd, hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten en het eiland Colonsay in het zuidwesten, vertoonde zich een breed zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou dompelen.

Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen bevolkten, zweefden boven de ?dens", soort van dalen, uitgehold als trechters met rotsachtige wanden.

Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in de richting van kaap Ardanalish.

Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eiland Colonsay haar bij het ondergaan voor het oog verbergen.

Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming van het natuurverschijnsel gekozen.

In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver ontwikkelden horizon toe.

De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep weerkaatst werd.

En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een ondeelbaar oogenblik.

Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.

Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.

Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.

En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje, dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.

Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk, het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022