* * *
Er zijn heel wat veranderingen gekomen in de inwendige inrichting van de kerk sinds de tijden onzer vaderen, maar geen verandering is van meer beteekenis dan die vrije plaatsen, die in verhouding van evenveel gewicht is als de vermindering van de voorrechten in Engeland en de afschaffing van staatkundige onbevoegdheid. Men herinnert zich de goede dagen van ouds, die wij voor een groot gedeelte goed noemen, omdat zij oud waren en nu omsluierd zijn door een nevel van eerbiedige genegenheid. Men ziet de lange rijen van familiebanken, elk zorgvuldig afgescheiden van alle andere en door een deur, die van binnen gesloten werd met een stevigen grendel of in geval dat de bezitter van hoogeren stand was met een klein koperen boutje, afgescheiden van het publiek in de gangen.
Indien de huurder van de bank behoorde tot de hoogste kringen van het district, dan bedekte hij haar met laken-rood of groen-, legde er een kussen in van drie duim diep-, dat in zijn plooien het stof verborg van vijfentwintig jaar-en een kastje voor Bijbels, goed gesloten, waarin de boeken voor de godsdienstoefening beveiligd waren tegen vreemde handen. Er waren ook bankjes van een zeer stevige makelij, niet om er op te knielen-want niemand, die in zulk een bank thuis hoorde, zou er ooit aan gedacht hebben zulk een ongepaste houding aan te nemen-maar om er gemakkelijk de voeten op te zetten.
En er was zelfs zoo iets als een plankje, waarop de elleboog gemakkelijk kon leunen, opdat een arme zitter gelegenheid had zijn hoofd op te houden met zijn hand, terwijl hij naar de preek luisterde.
Het was een belangwekkend gezicht en men denkt er nog met genoegen aan, hoe de plaatselijke waardigheidsbekleder des Zondagsmorgens de kerk inkwam om bezit van zijn sterkte te nemen en deel te hebben aan den eeredienst. De bankopsluiter, een slimme oude man, opgebracht in een kerkatmosfeer en op wiens gezicht zelfs de meest duistere leerstellingen te lezen stonden, die een ambtelijk gesprek had gevoerd met de diakens en die vijftig leden van de smalle gemeente had laten voorbij gaan zonder hun meer dan een nauw merkbaar knikje en een opmerking over het weer waard te keuren-met heel onderdrukte stem geuit-komt naar voren om de hoofden der synagoge te ontvangen en hen naar hunne zetels te geleiden. Hij gaat hen voor met statigen tred door de gangen, noch ter rechter- noch ter linkerzijde omziende, gevolgd door de vrouw van Dives, achter haar de kinderen, achter dezen den vreemdeling, die tijdelijk binnen hunne poorten gehuisvest was, en, eindelijk heel achteraan, den zelf-voldanen en verheven Dives zelf.
Bij aankomst aan de deur van de versterkte heerenplaats, kijkt de bankopsluiter, terwijl hij behendig de deur opent met één hand en ronddraait op één voet, den optocht achter de open deur in het gezicht, terwijl deze nog halfweg de doorgang is. Hij maakt een lichte buiging en kijkt recht voor zich uit, eerbiedig, maar toch niet onbewust van de plaats, die hij inneemt onder de bestuurders der Kerk, terwijl de leden van de familie een voor een binnenkomen en hunne plaatsen innemen, totdat er eindelijk nauwelijks plaats overblijft voor den grooten man zelf. Het is echter voldoende, als hij zich maar juist kan neerzetten, want in dat geval is de invloed van een zwaar lichaam zoodanig, dat de ruimte er door ingenomen, langzamerhand grooter wordt, terwijl de lichtere lichamen in de bank als van zelf inkrimpen onder den dienst, totdat Dives eindelijk op zijn gemak zit.
Zeker, het had eenige moeite gekost om de deur te sluiten en onder den dienst hoorde men haar vaak kraken en men kon niet helpen, dat men hoopte-maar dat was, toen men nog jong was-dat door het een of andere fortuintje de deur eens zou losschieten, en dat Dives, die er al te sterk op leunde, terneer zou komen in de doorgang.
De bout echter, om niet te zeggen de scharnieren er bij, was stevig gemaakt en de bankopsluiter zag wel, dat alles in orde is zoowel met het oog op veiligheid als op waardigheid, en dan ging hij statig weer terug naar de kerkdeur, niet onbewust ervan, dat hij zich loffelijk had gekweten en dat hij tenminste eenigen indruk had gemaakt bij het plechtstatig nederzetten van den rijken man en zijn familie in hun bank.
Dives ontsluit het bijbelkastje met een sleutel, die bevestigd is aan zijn ring en deelt de boeken uit, alsof het een prijsuitdeeling was in een school, terwijl de moeder van het gezin aan de jongste leden zoodanig voorraad lekkers geeft als voldoende zal zijn om uitgeputte schepsels tegen de twee volgende uren te doen stand houden.
Het geval kwam voor, dat Dives ongehuwd was en niets anders had dan zijn eigen hoogwaardigheid om zijn heerlijkheid te bezetten; maar de plechtige binnenkomst geschiedde geheel op dezelfde wijze en hij zette zich met waardigheid aan het einde der eenzame bank. En als gij zoudt veronderstellen, dat de een of andere vreemde, die een plaats wilde hebben, in Dives' bank werd ondergebracht, dan zoudt gij toonen geen verstand te hebben van de bescheidenheid van den bankopsluiter; en als gij u verbeeldt, dat iemand, die zoo maar eens de kerk binnenliep, zou probeeren om binnen te dringen in die majestueuze ledige plaats, dan kan uw verbeelding sterk genoeg zijn, maar zij is nog niet bestand tegen de uitdrukking op het gelaat van Dives.
Vreemdelingen kwamen in vroeger dagen niet in kerken, tenzij als gasten van een der families, omdat ieder zijn eigen kerk had en daar ging hij heen door regen en in de brandende zon, wie er ook preekte en wat er ook daar of elders te doen was. De menschen pochten er in die dagen op, dat zij nooit rondzwierven en het had kunnen gebeuren, dat een geheel onbekende vreemdeling den bankopsluiter had doen wankelen, maar dan zou hij hem, daar hij steeds zich zelf gelijk bleef, in elke gebeurlijkheid, naar zijn eigen bank gebracht hebben, die, met het oog op omstandigheden, dicht bij den preekstoel was, zoodat de zwerver niet behoefde inbreuk te maken op het eigendom van een en ander en tevens onder behoorlijk toezicht gesteld werd.
Wanneer de kerk vol was, dan zag men het haar aan, dat zij stevig en eerbiedwaardig was; dan wekte zij ook de gedachte op aan waardigheid en welvaart en het is billijk erbij te voegen, dat ook een geur van gezinseenheid en huiselijken welstand u zeer aangenaam en troostend aandeed in die gemeente van den ouden tijd.
Als een ouderwetsch man en iemand, die misschien al te zeer ingenomen is met het verledene, met al zijn fouten, wenscht geschokt te worden, dan heeft hij alleen maar een van de hedendaagsche kerken te bezoeken van den nieuwsten trant, die gewoonlijk vrij en open heeten, alsof het herbergen waren of stukken waardeloos land, waar een hoop vuilnis was neergegooid. Het open zijn is zoo ver mogelijk uitgestrekt, want niet alleen zijn er geen deuren aan de banken en geen kastjes voor de Bijbels en geen rugbekleeding en geen kussens, waarin gij kunt weg zinken,-misschien zijn er vloermatten en bidbankjes-en is er nauwelijks eenige afscheiding tusschen de banken, maar wellicht zijn er in het geheel geen banken, alleen stoelen, en gij steekt uw psalmboekje in een rekje aan den rug van den stoel van uw voorman, die gaat verzitten, als gij dat doet en gij knielt tegen dien stoel-als er tenminste mogelijkheid is om te knielen-en dan geeft gij uw voorman een duw, wat hij natuurlijk kwalijk neemt. Het spreekt vanzelf, dat er geen bankopsluiter is, omdat er geen banken behoeven open gedaan te worden en meer dan dat, er is geen bijzondere plaats voor u om te gaan zitten, om de eenvoudige reken, dat ge u kunt nederzetten, waar ge wilt en elken keer ergens anders kunt neervallen, indien ge dat wilt.
Geen pelgrim of vreemdeling behoeft zich te schamen in een hedendaagsche kerk, want alle menschen die er zijn, verkeeren in dezelfde omstandigheden als hij; allen zijn vreemdelingen, daar zij geen recht hebben op een duim breed gronds, en allen zijn pelgrims, daar zij geen tweemaal op dezelfde plaats behoeven te zitten. Niemand kan zich beklagen over de zelfzucht van anderen, want alle dingen zijn gemeenschappelijk bezit.
Wanneer Dives, opgesloten achter zijn deur, deed denken aan uitsluiting, dan kan tot zijn verdediging worden aangevoerd, dat het de uitsluiting was, die huiselijkheid beteekent, en in die bank was een kleine gemeenschap-die het huisgezin is. En als er iets gezegd kan worden voor algemeene vrijheid en openheid op grond van de Christelijke broederschap en menschelijke gelijkheid, dan klampt men zich toch nog vast aan het geloof, dat men recht erop heeft onder zijn ?eigen" te zijn-dat is te zeggen, met zijn vrouw en zijn eigen kinderen-in het huis van God, en dat men het best God zal vereeren, wanneer men in eenigszins afgesloten kring is.
Misschien zal een bezoeker zich vrijer gevoelen in een vrije en open kerk, maar daar staat tegenover, dat het huisgezin in stukken gebroken wordt aan de deur en geen gemengde menigte kan ooit een zoo sterke Gemeente vormen of een, die een zoo geweldigen indruk maakt op het gezicht als de lange rij van banken, laat ons in dit geval zeggen, zonder deuren en stoffeering, maar waar toch in elk een huisgezin zit, met de moeder aan het hoofd van de bank, den vader aan het achtereind en de jongelingen en jonge dochters tusschen die beiden in. Want de familie bestond eer dan de Kerk en als de Kerk iets anders zal zijn dan een priesterlijk eigendom of een zaal voor voordrachten, dan behoort zij te berusten op het huisgezin.
De bank is een getuigenis voor de familie en behoort gehandhaafd te blijven, zonder de deuren, en het komt er volstrekt niet op aan of iemand honderd gulden per jaar huur betaalt voor zijn bank of drie gulden. De machthebbenden in de Kerk moeten er voor zorgen, dat ieder gezinshoofd zijn eigen bank heeft, met voldoende ruimte erin voor hem zelf, zijne vrouw en de kinderen, die God hun gegeven heeft. Er is geen enkele reden te bedenken, waarom de rijke niet een flinke som zou betalen voor zijn tehuis in het kerkgebouw. En velen onzer hebben nooit kunnen begrijpen, waarom niet een handwerksman ook iets zou geven voor zijn kerkelijk tehuis. Behoort een Christen niet te doen wat goed is om zijn Kerk te steunen? Ieder man, die zich zelf acht, wenscht te betalen voor zijn huis, hetzij het groot of klein is, en iemands eer is er mee gemoeid te wonen in een armhuis, waar hij geen huur betaalt en afhankelijk is van het publiek. Het is volstrekt niet noodig, dat dit gevoel voor een eigen tehuis en persoonlijke onafhankelijkheid verloochend wordt in het Huis Gods, maar het schijnt eer wenschelijk, dat de man, die werkt en genoeg verdient om een huis te onderhouden waar hij en zijn kinderen zes dagen van de week in een zekere weelde en zelfachting samenleven, ook zijn deel draagt in de onderhouding van het Huis, waar zij God vereeren op den zevenden dag. Het is een armzalig schepsel, die wil dulden, dat een rijke man zijn huishuur betaalt voor de zes dagen, en ik ben nooit in staat geweest eenig onderscheid te zien tusschen het zijn van bedelaar op Zondag of een bedelaar te wezen op Maandag.
Ik zou er echter willen bijvoegen, en met nadruk, dat het bezit van een bank in den zin, waarin iemand zijn huis bezit, een maatstaf is voor karakter en een gelegenheid tot gastvrijheid. Daar is een soort van menschen, wie het niet alleen spijt, dat zij geen deur aan hun bank mogen hebben, maar die liefst hun bank zouden willen afsluiten met een dak, die het een vreemdeling kwalijk nemen als hij er in komt-ofschoon er overvloed van ruimte is-als was dat een persoonlijke beleediging en die vreemdelingen zullen verjagen, indien zij bij ongeluk erin gebracht zijn vóór hun aankomst. Als zoo'n man maar een halve bank gehuurd heeft, dan durven de kerkedienaars geen andere huurders aannemen voor de andere helft, omdat hij met hen twisten zal over de vraag welke helft zij mogen bezetten, over de kwestie, wie het eerst moet binnen gaan, over een liederenboek, dat niet op zijn plaats ligt of over een vriend, dien zij eens meebrachten en die twee duim van zijn plaats in bezit nam. Billijkerwijze zij gezegd, dat die man in de kerk niet erger is dan elders, want hij is overal een vlegel-jaloersch, twistziek, onherbergzaam, onhandelbaar.
Maar zet als een tegenwicht tegen zulk een misbruik van de bank nu eens mijn besten ouden vriend Jeremias Goedhart. Hij is nu alleen met zijn lieve, beminnelijke gade, want de kinderen hebben zich een eigen tehuis gevormd; maar hij houdt de familiebank en wil in geen geval die opgeven. Somtijds lijkt het den bestuurders van de kerk toe, dat Goedhart wel een banklooze familie bij zich kan nemen, maar zij dringen niet op de zaak aan, daar zij er aan denken, hoe lang hij en de zijnen de bank voor zich gehad hebben en hoe goed hij de ledige ruimte gebruikt. Hij heeft een tal van boezemvrienden, die nu oud en grijs zijn en die van tijd tot tijd met hem en zijn vrouw naar de kerk komen en voelen, dat zij in zeer goed gezelschap zijn. Hij heeft ook een grooten kring van kennissen, die bij honderden geteld kunnen worden, en de personen van dien kring hebben ook de gewoonte wel eens binnen te komen en in zijn bank te gaan zitten; en als hij een vreemdeling aan de kerkdeur ziet, dan kan Goedhart niet laten een woordje tot hem te zeggen, hem welkom te heeten en het beste te wenschen. Als de vreemdeling toevallig een jonge man is, dan neemt hij hem onder den arm en mee naar zijn bank en er bestaat veel kans, dat hij hem naar zijn huis brengt en ten eten vraagt en hem zegt, dat hij maar nooit alleen op zijn kamers moet blijven zitten, maar zijn huis moet beschouwen als een tehuis.
En mevrouw Goedhart vertelt haar vriendinnen met veel voldoening de grootte van den kalfsbout, dien zij op Zondagen hebben, omdat, ofschoon hun eigen zoons zijn heengegaan, zij toch nooit nederzitten zonder eenige jonge mannen als gasten en mijnheer Goedhart leerde hen kennen door de kerkbank. Indien de een of andere familie in de Kerk logés heeft en behoefte aan zitplaatsen, wel dan komen de kinderen van de familie in de bank van Goedhart zitten en worden met open armen ontvangen. Gezegend mogen zijn witte haren en scherpzinnig gelaat zijn, nooit is hij volkomen gelukkig of geniet hij de preek ten volle, tenzij hij zijn behoorlijk aantal gasten heeft; daar zijn tijden, dat hij er een teveel meebrengt en dan wedijveren de andere bankbezitters om het eerst een plaats aan Goedhart aan te bieden.
Zooals hij in de kerk is, is hij tehuis, hand en hart geopend, nooit tevreden, tenzij vrienden komen en gaan, nooit boos dan wanneer zij niet willen blijven eten bij hem, nooit zoo verheugd als wanneer hij een flinke wandeling maakt of een praatje houdt over den ouden tijd met hen, aan wie hij verbonden is door honderd banden van vriendelijke woorden en daden. Zooals hij gehandeld heeft met alle menschen, vreemdelingen zoowel als vrienden, in zijn Kerk en in zijn huis, zoo zal God met hem handelen en wij kunnen als zeker aannemen, dat hem een gastvrije ontvangst wacht daar waar de kerken der aarde veranderd zijn in: het Huis onzes Vaders.
* * *