Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 5 BEJAARDE PREDIKANTEN.

* * *

Te een of ander tijd, en misschien heel plotseling, komt een Gemeente tot inzicht van het feit, dat een zekere wederwaardigheid den dominee heeft getroffen, die zijn kracht van dag tot dag sloopt en misschien zijn leven zoowel als dat van de Gemeente met den ondergang bedreigt. Het heeft niets te maken met zijn karakter, want hij is werkelijk een veel heiliger man en misschien ook een veel wijzer man dan hij vóór twintig jaren was en stellig begaat hij minder vergissingen in woord en daad dan in de dagen zijner jeugd. Ook staat het niet in verband met zijn herderlijken arbeid-want hij is meer dan ooit de raadgever en vriend der menschen, die tot hen spreekt met rijker levenservaring en grooter liefde. Het zou ook niet geheel juist zijn te zeggen, dat zijn preeken aanstoot geven, want die zijn waarschijnlijk even degelijk en nuttig als vroeger. Inderdaad, hij zegt dezelfde dingen, die hij placht te zeggen tot groote voldoening en op dezelfde wijze als hij gewoon was ze te zeggen... lang geleden.

Er hapert niets aan hem, tenzij dan dat hij niet meer zoo vlug loopt als eertijds, dat hij wat langzamer spreekt en dat hij de vorige week een sterker bril moest aanschaffen, dat hij niet altijd hoort, wat men tot hem zegt, dat zijn haar van grijs tot wit overgaat, dat hij vermoeid wordt bij het beklimmen van een heuvel. Er is met hem gebeurd, wat er met alle andere menschen gebeurt: hij wordt oud.

Zoodra de Gemeente dat feit merkt-en het kan soms jaren duren, eer men het ziet-beginnen de bestuurders der Gemeente zich minder op hun gemak te gevoelen. Ouderdom heeft zijn voordeelen in de Bediening des Woords, maar hij heeft ook zijn duidelijk merkbare nadeelen en wanneer men de balans opmaakt, heeft de Gemeente misschien gelijk in de meening, dat zij aan den verliezenden kant is en niet aan den winnenden onder de Bediening van een oud man. Eén zaak is zeker-en dat is een zeer ernstige zaak-een dominee wordt op een zekeren leeftijd bijna ontoegankelijk voor nieuwe denkbeelden. Natuurlijk verschilt die leeftijd voor onderscheiden mannen en het is gevaarlijk ook maar een gissing te wagen, daar de lezer altijd wel de een of andere uitzondering zal weten. Er zijn menschen, die na hun dertigste jaar geen nieuwe gedachten toelaten tot hen door te dringen-mannen van hopelooze stompzinnigheid, die al hun levensdagen een nachtmerrie voor hun Gemeente zijn; en er zijn mannen, wier geest op hun tachtigste jaar nog open staat voor de nieuwste idee?n-mannen van buitengemeene verstandelijke frischheid en levendigheid.

Voor den middelmatigen mensch komt er een tijd, dat zijn geest vast wordt en dat zijn meeningen totaal onveranderlijk blijven. Wellicht neemt hij geen aanstoot aan de ontdekkingen der jongeren; maar zich ermee vereenzelvigen doet hij zeker niet. Hij zal zich misschien niet verzetten tegen nieuwe wijzen van optreden maar ze aannemen zal hij stellig niet. Zijn prediking kan juist zoo goed zijn als zij vroeger was, omdat zij dezelfde is, zonder eenige toevoeging of nieuwe gedachte; maar zij kan wellicht verkeerd zijn, vergelijkenderwijs sprekend, omdat er eigenlijk nieuwe stof in wezen moest en dat zij ook meer verband moest houden met den tijd, waarin wij leven.

De middelbare leeftijd is geneigd eenig wantrouwen te koesteren tegen het opkomend geslacht en een zekere jaloerschheid te gevoelen van zijn standpunt, zoodat de man van middelbaren leeftijd soms vervalt tot vitlust en kwaaddenkendheid. Hij wordt langzamerhand een rem aan het rijtuig en hoewel de rem een nuttig ding is in zekere omstandigheden, is zij toch niet geschikt om in de plaats van paarden gebruikt te worden.

Wanneer een predikant geplaatst is in een stad, dan is het een ernstige vraag of hij, na de zestig eenigen tijd achter den rug te hebben, nog wel in staat is zijn werk naar behooren te verrichten. De menigte bijkomende werkzaamheden in een stedelijke parochie, het drukke leven, de groote inspanning van den geest en de zware verantwoordelijkheid eischen een man in den bloei des levens, met een vlug begrip en een sterk lichaam. Zooals de toestand nu is, zou het heel goed zijn, indien mannen na twintig jaren dienst in een stad zich terugtrokken en een rustiger arbeidsveld zochten in een landelijke Gemeente. Zij zouden, als het ware, geplaatst kunnen worden op de lijst der half gepensionneerden.

Daarenboven is het niet te ontkennen, dat de man van middelbaren leeftijd door geheel en al afscheid te nemen voor zich zelf van de jeugd, ook in veel opzichten ophoudt in verbinding te staan met jonge menschen. Zij mogen eerbied voor hem gevoelen en hij moge belang in hen stellen, zij hebben niet meer een gemeenschappelijke wijze van zich uit te drukken en koesteren verschillende sympathie?n.

Zij zijn geneigd hem te beschouwen als een ?stoffel" (en als man van middelbaren leeftijd, meen ik, dat wij inderdaad wat onnoozel worden), terwijl hij hen allicht wat ?wuft" vindt. Er zijn weinig menschen, die de gaping tusschen twee geslachten kunnen overbruggen en even goed kunnen omgaan met de jongen als met de ouden en de moeielijkheid wordt eer grooter dan kleiner. En dit alles is het nadeelig gevolg van het oud worden of zelfs maar het overschrijden van den middelbaren leeftijd.

Wat moet er dan gedaan worden met dien ongelukkigen man? De moeielijkheid wordt zoo klemmend gevoeld, dat een voornaam godgeleerde van onzen tijd-die nu overleden is-voorstelde, dat een dominee, zoodra hij den bloeitijd des levens was gepasseerd, ergens zou heen gebracht (ik vermoed naar de een of andere overdekte plaats) en daar doodgeschoten worden. Zijn meening was, dat rustende geestelijken op dezelfde wijze zouden behandeld worden als versleten paarden. Het is altijd gevaarlijk geweest ironisch te spreken in Engeland sedert den tijd van Swift, want ofschoon het Engelsche volk elke andere deugd van de wereld bezit, het heeft zeker geen vlug begrip voor humor en ik ben er niet zeker van, dat er niet menschen waren, die geloofden, dat dit barbaarsche voorstel ernstig gemeend was. Voorzeker sprak hij in den geest van eenige ondankbare armzalige Gemeenten, voor wie het een heele opluchting zou wezen van een ouden dienaar af te komen op de snelste en goedkoopste manier. Misschien zou het ook een vriendendienst zijn aan den dominee, wanneer deze bemerkt dat hij een sta-in-den-weg wordt voor hen, die hij liefheeft en die hem eens liefhadden, wanneer men hem op de een of andere manier den genadeslag gaf; maar daar zijn wetten, die deze krachtige methode van wegzending verhinderen en men moet het denkbeeld van een slachtplaats voor geestelijken opgeven.

Men heeft dan vier manieren van handelen met dezen ongelukkigen man, die, indien hij eenig gevoel van gepastheid had gehad, fatsoenlijk zou gestorven zijn na een kortstondige en hartroerende ziekte in den leeftijd van zestig jaar en de eerste manier is, dat de Gemeente niets doet en hem zijn leven laat eindigen op den preekstoel. Naar alle waarschijnlijkheid placht hij, ongeveer dertig zijnde, te zeggen, dat hij nimmer dominee zou blijven na het geel worden zijner bladeren; dat hij er zich over verwonderde, hoe oude menschen niet konden zien, dat hun tijd voorbij was en dat zij beter zouden doen kool te gaan planten in een dorpstuintje. Toen hij deze brave dingen zei, stond hij aan den anderen kant van de heg, en nu, nu hij tweemaal zoo oud is, heeft hij een heel anderen kijk op de dingen. Hij verklaart, dat hij zich nooit in zijn leven jonger gevoeld heeft dan thans en nooit geschikter om te preeken. Bij gelegenheid wordt hij heldhaftig en verklaart, dat, zoolang hij de preekstoeltrappen kan opklauteren, hij zal voortgaan en dat hij zal sterven in het harnas.

Dwaze menschen (meestal oude dames) zullen hem wijsmaken, dat hij nooit zoo gepreekt heeft als den vorigen Zondag en hij zal het oor leenen aan dezen kleinen kring van bewonderaars en weigeren raad aan te nemen van verstandige menschen, die zijn welzijn op het oog hebben en die het plan opperen, dat hij vrijwillig een ambt zal nederleggen, dat hij zoo eervol vervuld heeft. Zoo zal het er toe komen, dat Kerk en stad een van de droevigste treurspelen zullen aanschouwen: een man bezig de Gemeente te verstrooien, die hij eens vergaderd heeft en zijn goeden naam weg te werpen, dien hij eens won.

Of de Gemeente kan misschien zich verstouten en er op staan dat de waardige oude heer een medewerker, een collega neemt. ?Wij zouden niet gaarne uwe diensten missen," zoo spreekt de een of andere sluwe diplomaat, die weet, dat de dominee, om niet te spreken van diens vrouw, hem voortdurend met wantrouwende blikken gadeslaat. ?Wij wenschen alleen u te ontlasten van het zwaarste gedeelte van uwen arbeid. Zou het niet goed wezen, dat wij een sterken, jongen man aanstelden, die de catechisaties op zich nam en al het bijkomstige werk en die één keer per dag zou preeken om u vermoeienis te besparen en u gelegenheid te geven van tijd tot tijd eens vacantie te nemen? Gij zijt wel goed geweest, dat ge geen hulp voor de prediking gevraagd hebt, maar de Gemeente voelt, dat het niet meer dan plicht is u blijvende hulp te geven. Daarenboven," en nu verzwakt de afgezant en voelt, dat de domineesvrouw hem met verachting aanziet als een ontdekt bedrieger en een verbazend leugenaar, ?het zou zoo goed zijn voor een jong man het voordeel te hebben uw prediking te hooren en uw raadgevingen in te winnen."

Zeer waarschijnlijk zal de oude heer, na een samenspreking met zijn vrouw en haar vriendinnen, weigeren iets te maken te hebben met een collega; hij zal verklaren, dat hij een dergelijken maatregel zal voorstellen, zoodra hij dien werkelijk noodig acht, en erbij voegen, dat er niets akeliger is voor een jongen man dan zijn tijd door te brengen met niets te doen. Misschien zal hij nog erbij zeggen, en met diep leedwezen zeggen, dat eenige invloedrijke lidmaten van de Gemeente hem verzekerd hebben, dat de inmenging van een collega al het werk zou vernietigen, dat hij heeft opgebouwd en oorzaak van scheuring zou wezen.

Mocht echter de dominee er in toestemmen een collega te hebben, dan zullen de gevolgen in negen van de tien gevallen bedroevend zijn. Een van beiden, of de oude man zal zoo heerschen over zijn jongeren broeder, dat de laatste geen kans zal hebben zelfstandigheid te ontwikkelen en ooit tot volmaking te komen, of de jonge man zal zich tegen den ouden inzetten en gesteund door de jongere lidmaten den ouden dominee uit de Kerk drijven. Het was inderdaad een onverstandige en onnatuurlijke positie, dat twee mannen gelijke macht zouden bezitten en dat wordt er te erger op, naarmate beiden meer afhankelijk zijn van de openbare meening. Heeft men er ooit van gehoord, dat er twee kapiteins op hetzelfde schip waren, twee opperbevelhebbers van één leger of zelfs twee machinisten bij één machine? En toch komt het voor, dat verstandige menschen voorstellen, niet dat een dominee een hulpprediker zal nemen, maar een collega om met hem gelijk te staan in macht en verantwoordelijkheid.

Natuurlijk kan een Gemeente het den man, die haar gediend heeft gedurende de beste jaren van zijn leven, zoo zuur maken, dat hij geen keus heeft en blij is te kunnen heengaan, zelfs al staan eenzaamheid en armoede voor de deur. Wanneer een Gemeente dien weg inslaat om den band te verbreken, dan begint men te wanhopen aan het Christendom. De laaghartigste koopman, die op een cent dood blijft, zou een ouden kantoorklerk niet zoo behandelen als Christenen soms een armen en versleten dominee bejegenen. Zij hebben zijn jeugd en zijn mannelijke krachten verbruikt en al zijn geestdrift en zijn vuur; zij hebben den bloesem van zijn geest en den oogst zijner ziel genoten. Voor hen leefde en dacht hij; voor hen putte hij zich uit in zijn krachtige dagen elken Zondag en is hij voortgegaan zijn laatste krachten te verslijten. Al wat er uit hem te halen was, hebben zij genoten en nu, na een paar jaar hem te hebben gadegeslagen, zijn ze tot het besluit gekomen, dat zijn beste tijd voorbij is en zij doen hem een misleidend aanbod en verzoeken hem heen te gaan. Dan gaan zij, met de pet in de hand, naar den een of anderen bekenden jongen dominee en smeeken om zijn gunst, verklarende dat hunne harten naar hem zijn uitgegaan en dat zij gelooven, dat het overeenkomstig Gods wil is, dat hij hun dominee zij. En hij, op zijn beurt, komt en spoedig hoort men hem zeggen, dat er geen getrouwer menschen zijn. Laat hem maar een poosje wachten.

Zou het niet beter zijn, dat elk kerkgenootschap of elke Kerk een plan voor emeritaat ontwierp op ruime schaal met twee voorwaarden? De eerste voorwaarde behoorde te zijn, dat elke predikant, zeg op vijf-en-zestigjarigen leeftijd zou uittreden uit den werkelijken dienst en dat hij na dien tijd kon optreden als helper zijner broederen of rustig leven, al naar hij verkoos. De tweede voorwaarde moest zijn, dat hij een pensioen ontving van niet minder dan de helft van zijn traktement, tot, laat ons zeggen, een bedrag van drieduizend zeshonderd gulden (£ 300). Mocht iemand beweren, dat zulk een wet willekeurig is, dan antwoord ik daarop, dat zeker elke predikant liever nog door een wet dan door geweld gedwongen zou worden tot aftreden en dat hij in goed gezelschap zou zijn, want hij zou het lot deelen van alle zee- en landofficieren en elken burgerlijken ambtenaar en elken ge?mployeerde aan ieder groot lichaam in de gansche beschaafde wereld.

En de Kerk mag niet onderdoen voor den Staat. Zij moet staat maken op de personen, die haar dienen, voor haar zichtbaar wèlslagen en haar doel behoort te zijn, dat elke Gemeente een dominee heeft in de volle kracht zijns geestes en zijns lichaams, en dat elke man, die zich heeft afgesloofd in den dienst der Kerk, behoorlijk onderhouden wordt voor zijn overige levensdagen.

Er is, behalve onzedelijkheid en ongeloof, niets dat een grooter beletsel is voor de geestkracht der Kerk dan naar verhouding een groot aantal oude en zwakke dominees in werkelijken dienst. Want dit beteekent verouderde godgeleerdheid, verwaarloozing van de jongere leden, ontoegankelijkheid voor de nieuwere denkbeelden, en een eindeloos gekibbel. Niets zou zekerder bijdragen tot vernieuwing van de geestkracht der Kerk dan een bij een wet geregeld emeritaat op voldoende voorwaarden voor elken predikant boven de vijfenzestig jaar. Want dit zou beteekenen niet alleen een reserve van geschikte mannen, waarop de Kerk kon rekenen in geval van nood, maar een onophoudelijken toestroom frissche gedachten.

Tegenwoordig hebben de Gemeenten een grief tegen oude dominees, die meenen, dat zij jong zijn en oude predikanten hebben een grief tegen Gemeenten, die geen eerbied hebben voor den ouderdom en tusschen die twee partijen komen vele onaangenaamheden en vredebreuken voor.

Wanneer de Kerk even goed bestuurd wordt als een koopmanszaak van den eersten rang, dan zal die bestaande vijandschap verdwijnen en niemand zal in de Christelijke Kerk meer ge?erd en geliefd worden dan de getrouwe predikant, die haar gediend heeft in de volheid zijner kracht en nu gedurende zijn welverdiende rust haar verrijkt met zijn raadgevingen.

* * *

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022