* * *
Lofgezangen maken een deel uit van de openbare godsdienstoefening bij elke Christelijke Vereeniging-behalve bij de Kwakers, die ik soms benijd-en ik wensch dadelijk te zeggen, dat ik niet voornemens ben te preeken voor de afschaffing van het loflied. De vromen van het Oude Testament hadden een muzikalen dienst, die voldoende was om het hart van een ritualist met wanhoop te vervullen en men kan zich maar flauwtjes voorstellen wat een zuur leven de priester had, wiens taak het was het tempelorkest te verzorgen en die moest omgaan met de bespelers van instrumenten. De heiligen van het Nieuwe Testament begonnen zonder een orkest, en schenen waarlijk gedurende eenigen tijd bij de regeling hunner lofzangen de beginselen van het gezond verstand toegepast te hebben, zingende zoo goed mogelijk met blijde lippen en kloeke harten in donkere gevangenissen. Maar even als vele andere beste menschen, wisten ze niet precies, wanneer zij gelukkig waren en langzamerhand vonden zij zwaarmoedige liederen uit, die een bijzonder zwak zijn geweest van alle Christenen van alle geslachten.
Men is wel eens benieuwd ernaar, hoe de Kwakers er zoo vreedzaam kunnen uitzien en waarom hun eeredienst zoo heerlijk is, en ik ben eenigszins geneigd te gelooven, dat dit komt, omdat zij geen muziek bij hun godsdienstoefeningen hebben. Hadden wij ze ook niet, dan-zou ik willen zeggen-zou een vaak voorkomende oorzaak van twist zijn weggenomen uit menige Gemeente en de dominee zou haast niet weten, wat hij met zijn tijd moest uitvoeren. Toch wensch ik te gelijkertijd duidelijk te verstaan te geven, dat ik de muziek beschouw als een noodzakelijk onderdeel van den eeredienst, dat organisten een gedeelte van de kracht der Christelijke Kerk uitmaken en dat ieder, die niet ten volle den leider en de leden van het koor waardeert, een onwetende, slechtaardige Philistijn is.
Indien er eenige twist in de Gemeente is door de muziek, en indien de dominee ooit zich ergert, laat ik dan op den voorgrond zeggen, dat alleen de Gemeente en de dominee te laken zijn. Maar er zijn toch moeielijkheden en het kan goed zijn er over te spreken in een geest van gepaste menschlievendheid. In de eerste plaats dan, is de organist een kunstenaar en elke kunstenaar heeft een bijzonder fijngevoeligen aard, die de gewone holderdebolder manieren van het dagelijksch leven niet verdragen kan. Met een man, gevormd uit gewone klei, zoudt gij spreken op praktische, recht op het doel afgaande, desnoods lompe wijze; ge zoudt met hem redeneeren, hem berispen en hem terecht zetten als hij ongelijk had. Maar met een van kostbaar porselein moet niemand op die wijze handelen of, de kunstenaar zal dadelijk gekwetst worden en zijn ontslag nemen en zijn hartroerende geschiedenis overal rondvertellen, want hij staat boven de kritiek en de openbare meening. Het is onmogelijk hem iets te leeren; het is een beleediging te veronderstellen, dat er verbetering mogelijk is; het is het best aan te nemen, wat hij geeft en te erkennen, dat hij recht heeft te doen zooals hem behaagt en het de plicht is van ieder ander te verklaren, dat, hetgeen hij doet, bij elke gelegenheid, te liefelijk is om onder woorden gebracht te worden en dat de uitwerking ervan bijna te sterk is voor de vermoeide menschelijke natuur. Dit is de schatting, welke de Gemeente behoort te betalen aan den meest geestelijke onder de artisten, den organist.
Men wordt werkelijk boos op den dominee, die beter behoorde te weten en toch zijn eigen plaats vergeet, ten gevolge van gemis aan waardeering der kunst en van een overschatting van zijn eigen werk. Hij is aanmatigend tegen den organist en wordt billijkerwijs gestraft. De dominee behoort zich te herinneren-en de Gemeente mag hem wel eens erop wijzen-dat zijn werk ondergeschikt is aan dat van den kunstenaar, en dat het overige gedeelte van den dienst geen andere bedoeling heeft dan een steun en een achtergrond aan de muziek te geven. Wat de Gemeente wenscht te hooren is, niet zijn preek, ofschoon ik nooit een organist zich tegen de preek heb hooren verzetten, tenzij de prediker te veel tijd in beslag nam. Werkelijk heb ik reden om te gelooven, dat vele organisten de preek beschouwen als een welkomen rusttijd voor hun overspannen zenuwen. Wat de Gemeente werkelijk begeert is een lofzang te hooren en het wèlslagen van den dag hangt af van den goeden afloop daarvan. Wanneer een predikant dit feit goed ter harte neemt en zorg draagt, dat de menschen, die opgevoerd zijn tot een hemel, die niet door menschelijk geluid kan beschreven worden, niet onbehoorlijk gekweld worden doorzijn domme praatjes, dan is hij ten minste aan één steen des aanstoots ontkomen.
Het is eveneens zeer kwalijk te nemen, als een dominee zich wil bemoeien met de keuze der liederen en altijd denkend aan zijn preek, liederen wil uitzoeken in verband met den inhoud daarvan. Het is best mogelijk, dat de door hem aangewezen liederen uitstekend passen bij den tekst en zeer geliefd zijn bij het volk, maar alleen de organist weet of de wijzen ervan in het liederenboek verheven of platte muziek zijn. De wijsjes vallen zoo in den smaak van het publiek misschien, dat ieder er naar haakt ze te zingen met zijn geheele hart en uit volle borst, maar de organist verbleekt van schrik eenvoudig bij de gedachte, dat een duizendtal menschen zich, om zoo te zeggen, te goed zullen doen aan zijn lekkernij. Het is een voorrecht, en op zijn minst genomen blijft het altijd nog de vraag of het wel een recht is, dat zij in het geheel mogen zingen; maar als het toegestaan wordt, dan moeten zij met beving en vreeze hun vreugde genieten.
Een van de voornaamste pogingen van een degelijken beschaafden organist-er zijn uitzonderingen, dat herinner ik mij nog dankbaar-is bekende zangwijzen uit te roeien en ze te vervangen door arrangementen, die geschikt zijn om de Gemeente te leeren zwijgen. Ik vernam eens een geval-en als ik zoo iets hoor, dan weet ik niet meer, hoe het met mijn broederen geschapen staat-waarbij een dominee in een gloeienden toorn ontstak tegen een organist, omdat deze verheven persoon een wijs op zijn eigen handje had uitgevonden voor ?Rots der Eeuwen," die de vergadering in diepe bewondering deed wegzinken, als het ware in een schoonen droom. Niets verbittert meer een muzikaal gestel dan te hooren, dat het volk, dat altijd bezield is met een ongezonde begeerte om een vreugdevol geraas te maken, zich meester maakt van een werkelijk schoone wijs en haar later totaal ongenietbaar maakt voor fijne ooren. Niets is noodzakelijker dan den lofzang der Gemeente te vrijwaren tegen deze verkeerdheden en daarom dadelijk op te houden met het gebruiken van al was het de edelste wijze, als de menschen haar eindelijk gepakt hebben.
Alleen onafgebroken waakzaamheid van de zijde van den organist kan de muziek behoeden tegen den strooptocht der Gemeente, want de lieden zijn zoo vol zotte eerzucht, dat zij zelfs er zich toe zullen zetten om vreemde wijzen te leeren en in den loop van een maand het koor zullen overstelpen met muziek, die men voornemens was buiten hun bereik te houden; en de dwarsdrijverij van een predikant, die de Gemeente helpt bij dien verraderlijken inval op een andermans grondgebied verdient al de moeielijkheden, die hem daardoor te beurt vallen.
Er waren tijden-en sommigen onzer, die niet meer tot de jonge lieden behooren, herinneren ze zich-dat geen enkel instrument werd gebruikt bij den eeredienst en toen alle hulp van iets dergelijks, met uitzondering van een stemvork, werd beschouwd als een terugkeer tot de beginselen van het Oude Testament. Maar dit waren tijden van duisternis. Heden leven we echter in een meer verlichte eeuw. Een Gemeente zal misschien tegenwoordig zoo weinig aan een dominee geven, dat zijn vrouw nauwelijks weet, hoe ze aan fatsoenlijke kleeren voor het huisgezin moet komen; zij zal wellicht niets, dat de moeite waard is, bijdragen voor uitwendige zending of voor ziekenverzorging-er is geen Gemeente, die eerbied voor zich zelf heeft en niet zal zorg dragen een orgel te bezitten. Menschen, die hun hart verharden tegen de meest nuttige liefdadigheid zullen bijdragen voor een orgelfonds en wat niet door inschrijvingen verkregen kan worden, zal door een bazaar met loterij opgebracht worden. Wanneer het orgel wordt bespeeld door een erkend musicus, die van verre is gehaald, dan zal de Gemeente dien man met ontzag aanzien als een bovennatuurlijk wezen en zij zal de gebeurtenis beschouwen als van meer gewicht dan een herleving van den godsdienst. Men zal ten zeerste verbaasd staan over de kracht en de verscheidenheid van het geluid, dat hij uit het instrument haalt en als hij de Vox-Humana (register der menschelijke stem) gebruikt, dan kunnen moeders van gezinnen niets meer doen dan elkander aankijken en met het hoofd schudden, als hoorden zij geluiden uit de andere wereld. Wanneer hij behendig den donder nabootst door het orgel in volle kracht te zetten, dan zullen de hoofden der Gemeente zich zelf door teekenen gelukwenschen, omdat iedereen nu kan zien, dat men volle waar voor zijn geld heeft gekregen.
Nadat de voordracht is afgeloopen, speelt de groote man nog wat voor zijn eigen genoegen en wanneer gewone menschenkinderen tot hem kunnen doordringen, dan vraagt een groep van eerbiedige ambtsdragers hem, wat hij denkt van het orgel. Wellicht geeft hij dan op beschermende en voorzichtige manier zijn goedkeuring te kennen, maar hij zorgt er voor goed het getal registers aan te geven, die nog aangebracht moeten worden en aan te wijzen, welke verbeteringen nog volstrekt noodzakelijk zijn. Inderdaad doet hij de gedachte oprijzen, dat zij nog maar een begin van een orgel hebben en dat de voltooiing ervan vele jaren zal duren en een eindelooze gelegenheid zal aanbieden tot het uitgeven van geld. Misschien zal hij zoo goed zijn te zeggen, dat een duizend gulden drie, vier, besteed voor een of twee verbeteringen, die hij in de gauwte in schets brengt, het instrument vrij bruikbaar zullen maken voor een gewoon organist; maar hij zal hen verlaten onder den indruk, dat de Gemeente minstens tien jaar lang al haar geldelijke hulpbronnen zal dienen uit te putten om het geschikt te maken voor een meester, zooals hij.
Indien de Gemeente een weinig in de hoogte gestoken is door het bezit van een orgel, dan zal niets zoo zeer de ijdelheid en de zelfmisleiding kastijden dan het bezoek van een musicus, die een examen heeft afgelegd en verscheidene letters achter zijn naam heeft; en indien iemand zijn raad verdacht maakt als die van een al te vitlustig speler en veronderstelt dat er nu verder geen twist over dat orgel zal wezen, dan is zeker zijn onnoozelheid aandoenlijk en een bewijs, dat hij nooit iets te maken heeft gehad met muziekinstrumenten op plaatsen van openbaren eeredienst.
Welke beproevingen de Gemeente te voren moge gehad hebben door tocht in het gebouw of kwesties over verwarming of geldelijke moeielijkheden of rustverstoring door oproerlingen, al deze zaken zijn minder dan niets in vergelijking van de buitensporigheden en eischen in verband met haar nieuwe orgel. Als de lucht erin gebracht wordt door werken met de hand, dan blijkt het zoo groot, dat twee blazers noodig zijn en daarom wordt er voorgesteld een hydraulische machine aan te schaffen. Deze machine werkt gewoonlijk twee van de vier Zondagen niet, omdat er geen druk genoeg te krijgen is en dan moeten eenige leden der Gemeente de blaasbalgen bewerken-als men ten minste zoo wijs is geweest die te laten zitten voor voorkomende gelegenheden en vóórdat zij klaar zijn met hun werk hebben de diakens, wel forsch gebouwd maar niet gewoon aan handenarbeid, een heel nieuwe gedachte omtrent dat orgel gekregen en bepalen zij zich voortaan bij hun plichtplegingen tot de Hebreeuwsche taal.
Langzamerhand zal iemand de meening trachten ingang te doen vinden, dat het orgel behoort bespeeld te worden met electriciteit en de Gemeente, maar vooral de dominee en zij, die bevel voeren in de afdeeling muziek, komen nu te weten, wat eigenlijk wederwaardigheid beteekent. De verandering zal, naar gezegd wordt, zes weken duren en betrekkelijk weinig te beduiden hebben. Inderdaad is er een jaar mee gemoeid, met nog eenige maanden als toevoegsel, en gedurende dien tijd heeft de Gemeente de gelegenheid de verschillende samenstellende deelen van haar orgel te bezichtigen in de zaal en in de lokalen voor bijbellezing en de doorgangen en in de nevengebouwen, waar het ligt in geheimzinnige stukjes en brokjes.
In dien tusschentijd zullen de leden der Gemeente vergeten hebben, dat het onmogelijk is voor welopgevoede lieden God te loven zonder instrumentale muziek en in loutere onnadenkendheid zullen zij hartelijker zingen dan zij in de laatste tien jaar gedaan hebben. Daar er geen orgel is, moeten bekende wijzen worden opgegeven en de menschen zullen verlof hebben God te vereeren uit volle borst. Wanneer onwetende vreemdelingen in de kerk komen, die zich niet herinneren dat er een orgel is, dan zeggen zij, dat zij nooit in hun leven beter hebben hooren zingen en het koor zal zich beleedigd gevoelen door de complimenten over de manier, waarop het de vergadering leidt, daar er immers geen deftig koor is-een paar uitgezonderd-dat het niet als een onbeschaamdheid beschouwt, wanneer de Gemeente het durft volgen en dat er niet op staat alleen zijns weegs te gaan.
Als het orgel eindelijk weer in elkaar zit en de dag aanbreekt, dat er weer op gespeeld kan worden, beweert de Gemeente verrukt te zijn; maar zij heeft toch een boosaardig gevoel, dat de dagen harer vrijheid voorbij zijn. Het was voor de leden der Kerk misschien nog mogelijk, te trachten uit de verte een orgel te volgen, door water gedreven, en gesteund door een daaraan ge?venredigd koor; maar zij zullen niet de stoutheid hebben zich te bemoeien met een orgel, dat electrisch in beweging gebracht wordt en dat bijgestaan wordt door een nog verhevener koor. Indien de Gemeente echter al gewillig is uit een gevoel van beleefdheid te zwijgen, dan wordt het electrische orgel niet door zulke teere beweegredenen beheerscht, want de buitensporigheden ervan zijn eindeloos. Als het vrijwillig er in toestemt vooruit te spelen, dan zal het eindigen in een lang, welluidend gejank, waarvoor niemand den organist aansprakelijk kan stellen, en het zal een even welluidend getoet doen hooren onder het gebed, welke geluiden misschien bedoeld zijn als antwoorden, maar niet als zoodanig zijn gearrangeerd; en dan midden in een Te Deum zal het, ten gevolge van den eenen of anderen bijzonderen aanleg tot het stichten van verwarring, heil zoeken in een hardnekkig zwijgen. Gedurende de eerste zes maanden na de opening zal het onder dokters handen blijven en gedurende het daaraanvolgende jaar zal het min of meer behept blijven met de gewoonten van een vroolijke en wispelturige jeugd en de Gemeente zal heen en weer slingeren tusschen twee meeningen, een geheime tevredenheid, wanneer het orgel niet speelt, zoodat er een kans is op vrijheid bij het zingen en een sterke begeerte om het op een kar te laden en het in de eerste de beste rivier te doen werpen.
Wat het orgel, bij bouw en vernieuwing en vergrooting en stemming, elk jaar kost aan rente van kapitaal en aan loopende uitgaven, zou voldoende zijn om een zendeling te onderhouden in eenig vreemd land of om een dominee te steunen in een arme stadswijk; en wat het den organist, die zoo ongeveer van alles de schuld krijgt, kost aan bezorgdheid, terwijl de goede man gewoonlijk een uur vóór den dienst in zijn hemdsmouwen aan het tobben is in zijn schuilhoek en wat het der Gemeente kost aan voortdurende verbittering, zou, indien het in gelds waarde kon worden uitgedrukt en vermenigvuldigd met het aantal der Kerken, die dan van een orgel verlost zouden zijn, voldoende zijn om de schulden te delgen van de geheele uitwendige zending van de Angelsaksische wereld.
Mijn eigen ondervinding van een koor en ook van een organist is een zeer aangename en een van de bijzondere zegeningen, die ik niet waardig ben; maar ik beweeg mij in de wereld en ik hoor van tijd tot tijd iets. Daar een koor, zooals men vermoedt, bestaat uit een zeker aantal uitgelezen personen, mannen en vrouwen, die begaafd zijn met muzikaal gehoor en prachtige stemmen en die liefde hebben voor de meest teedere en geestelijke van alle kunsten-de meest beschaafde lieden feitelijk in een Gemeente-is men geneigd aan te nemen, dat de heele atmosfeer van een koor vol liefde en vrede is. Toch worden soms geruchten vernomen, alsof de twisten in sommige kerkkoren alleen in hevigheid kunnen overtroffen worden door de vurigheid van een vereeniging van Iersche patriotten en dat er niets zoo kleingeestig en onbeteekenend kan zijn of het is in staat een koor in vlam te zetten. Alles is aanleiding tot ergernis, zelfs een niets: de directeur van het koor geeft iemand een plaats, die hem niet bevalt, laat hem of haar een partij zingen, die haar of hem niet aanstaat, maakt een aanmerking of geeft een pluimpje aan den verkeerden persoon, een korist waagt een opmerking,-dit alles zijn even zoo veel bronnen van ergernis voor den fijngevoeligen koorzanger. Hij begint te pruilen, maakt onaangename opmerkingen, neemt ontslag of is oorzaak, dat eenige anderen het doen en dan bij de een of andere groote gelegenheid nemen al de koorleden ontslag en nemen een zoo gewichtige houding aan, dat de gebeurtenis even belangrijk beschouwd wordt als een oorlog. In het algemeen mag een koor zoo'n standje wel, want het geeft een prikkel aan een kunstenaarsgestel. Maar er zijn toch eenige menschen, die niet ten volle deelen in die blijdschap. Een van dezen is de arme dominee, die zich op een goeden Zondag in de moeielijkheid bevindt zijn eigen voorzanger te zijn en die als middelaar moet dienst doen bij elk twistgesprek; en de anderen zijn de lidmaten der Gemeente, die gevaar loopen ook in vlam gezet te worden door de vonken van dezen muzikalen brand en die nooit zeker ervan zijn of zij niet den een of anderen Zondag verplicht zullen zijn zelf te zingen.
Er zijn oogenblikken, maar misschien zijn het dwaze, dat een zeker iemand met overdreven en beteekenisvollen spijt terugdenkt aan een dorpskerk, waar een voorzanger het van ouds bekende en ge?erde schotsche wijsje ?Martelaarschap" aanhief met een krachtigen toon en waar een vergadering van mannen en vrouwen met heldere stemmen en sterke longen die wijs volgde, terwijl geen enkele zweeg en het geheele lied gezongen werd vol vuur, met hier en daar een bas- en een tenorstem, zelfs misschien een altstem er tusschen in om de muziek voller te doen klinken. En er zijn andere tijden, dat diezelfde zeker iemand, die toch eigenlijk beter moest weten, zeer ontroerd is in zijn hart, wanneer hij bij een zendingsbidstond de menschen een van die wijzen hoort zingen die misschien geen zeer goede muziek zijn en die voornamelijk zich leenen tot luid gezang, maar terecht opwekkingsliederen genoemd worden, omdat zij de ziel verkwikken en uitdrukking geven aan de blijdschap dier ziel, die voor het eerst ervaart, dat God haar lief heeft en tot haar redding Zijn eenigen en veel geliefden Zoon heeft gegeven.
Het is een goed ding, dat men hij den lofzang ter eere Gods de hulp heeft van den goeden smaak en de muziek, ondergeschikt aan de rechten der menschen, maar het beste is, dat de menschen zingen met lippen, die God opent en uit harten, die verlost zijn op Golgotha.
* * *