Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 10 VACANTIE.

* * *

Daar is geen predikant, met een gezond hoofd en gevoelig hart, die niet in vrede en vriendschap wenscht te leven met alle afdeelingen zijner Gemeente, maar in het bijzonder is elke dominee gesteld op den eerbied en het vertrouwen der jonge lieden. Dit is niet, omdat dezen wijzer dan de oudere menschen; ook niet omdat zij geestelijker zijn, maar omdat zij minder vormelijk en in hooge mate oprecht zijn.

Een vrouw zal, uit welwillendheid en eerbied een dominee eer bewijzen, omdat hij dominee is; een jonge man respecteert hem wegens zijn persoonlijke eigenschappen. Als de predikant een ondegelijk, gekunsteld, laf of lui man is, dan, al was hij twaalf maal geordend en zoo welsprekend als Apollo en al had hij een zalvende stem en voordracht en al was hij nog zoo innemend in zijn omgang, doorzien jonge mannen hem; zij verachten hem, willen niets met hem te maken hebben, en weigeren naar de kerk te gaan om zijnentwil, terwijl zij daarentegen, al is de dominee niet knap en zijn preek oppervlakkig, al praat hij maar heel eenvoudig en heeft hij weinig verstand van de gebruikelijke godsdienstige termen, naar hem zullen gaan luisteren, en voor hem zullen opkomen, als achter zijn rug over hem gesproken wordt, hem zullen bezoeken in zijn studeerkamer en hem raadplegen, zoodra zij in de klem zitten, indien zij hem kennen als een degelijk man, die hard werkt en den moed zijner overtuiging bezit in woord en daad.

Zij zijn geen rechters in heiligheid en loopen gevaar werkelijk goede mannen te onderschatten, omdat dezen soms week en verwijfd zijn, maar zij zijn onfeilbare rechters in manlijkheid en bovenal gelooven zij in een dominee, die een flink man is. Zij vragen niet van hem, dat hij meedoet aan hun spelen, want hij wordt misschien al wat oud of heeft een gebrekkig lichaam, maar zij eischen van hem, dat hij in de levenssport zich dapper en eervol gedrage.

De ware dominee is er volmaakt mee tevreden geoordeeld te worden naar den maatstaf der jonge lieden-hoe hij het groote levensspel speelt-maar het hindert hem soms, dat jonge mannen denken, dat hij op één punt een bijzonder voordeel heeft, en hij is de laatste man om een voorgift in den wedstrijd te begeeren. Hij wenscht niet beschut te zijn tegen kritiek of iets toe te krijgen wegens zijn positie, maar hij wil zijn werk doen en gebruik maken van zijn goede kansen, hij wil zijn tegenspoed verdragen en zijn strijd strijden precies als elke andere man. En daarom is de dominee terecht prikkelbaar omtrent één punt van beoordeeling en dat is zijn vacantie.

Verleden zomer-willen we aannemen-bracht hij de maand Augustus op het land door en deed daar niets noemenswaard, behalve wandelen en klimmen en visschen en kolven en rijden en vijftig andere dingen, die hij als jongen ook gedaan had. Hij had zijn vacantie verdiend met elf maanden te preeken, te onderwijzen, te studeeren, vergaderingen te presideeren, raad te geven, te troosten, te berispen, te bezoeken, te regelen en vijftig anderen dingen, die hij, toen hij een jongen was, nooit gedacht heeft ooit te zullen doen. Zijn geweten was aan het einde van den dag volmaakt zuiver, ofschoon hij geen woord geschreven had, omdat hij den volgenden Zondag geen preek behoefde te hebben, en ofschoon hij geen enkel bezoek had afgelegd, omdat er geen mensch te bezoeken was, en hij wenschte zich zelf geluk, omdat hij in de lange dagen van ledigheid lichaamskracht opdeed en zijn geest nieuw leven verwierf voor het werk, dat in den winter hem wachtte.

Eens op een avond kwam een tweewieler langs den eenzamen weg in vollen spoed en de rijder sprong eraf aan de poort; hij kwam, gekleed in zijn luchtig costuum en blootshoofd door den tuin; zijn gezicht was verbrand tot chocolade-kleur toe, hij zelf overdekt met stof, prettig vermoeid na zijn rit van veertig mijlen, maar vol gezondheid, kracht en vroolijkheid. Hij daagde den dominee uit als eerlijk man precies te zeggen of hij hem kende.

Hem kende! de dominee, zonder te kort te doen aan de deugd der waarheidsliefde, mocht zeggen, dat hij wist, wie hij was; want hij was immers de jonge man, die Zondags morgens altijd op de punt van de voorste bank in den zijvleugel zat en des Zondags avonds orde hield in een jongensschool in het Oost-einde en die altijd bereid was een oogje te houden op den een of anderen kameraad en die zoo'n flink jongmensch was, als er maar konden wezen.

Hij werd in vroolijken triomf binnengehaald en na zich gewasschen te hebben en een stevig maal te hebben gebruikt, zwierven de dominee en hij rond langs de helling van den heuvel en zij spraken over vele zaken; toen zij terugkwamen, zetten zij zich neder in den tuin te midden der geurige bloemen, totdat zij van slaap niet langer konden spreken. Des morgens beklommen zij den heuvel van de achterzijde en bekeken de landstreek en toen aanvaardde de jonge man zijn reis weer en bij een kromming van den weg nam hij afscheid; en terwijl hij vaarwel zei, schudde hij eenigszins treurig het hoofd, want hij ging naar het naaste spoorwegstation en den volgenden dag zou hij weer hard aan het werk zijn in het brandende kantoor in de city. ?Mijn laatste dag", zei hij tot den dominee, toen zij scheidden, ?en het is een allerprettigste geweest" en ofschoon de jonge man den dominee niet benijdde, dat hij nog veertien dagen vacantie had, kon deze toch niet nalaten te gevoelen, dat zijn vriend wel dacht, dat de dominee beter af was dan hij.

Toen die gelukkige zomerdag alleen nog maar in de herinnering bestond, zaten beiden eens weer te zamen in de studeerkamer van den dominee-dezen keer voor de brandende houtblokken. Zij spraken over vele dingen-onder andere ook over dien tuin met zijn rijkdom aan anjelieren-en de dominee maakte den jongen man deelgenoot van zijn overdenking en verklaarde te gelooven, dat elke jonge man dezelfde meening koesterde in den grond van zijn hart. Men kwam overeen, dat men dadelijk een bespreking zou openen en de dominee nam op zich te bewijzen, dat hij minder vrijen tijd had dan een kantoorklerk en dat niet om een belachelijke stelling te verdedigen, maar omdat hij meende, dat het de waarheid was. De jonge man had er schik in om tegenpartij te wezen.

Het was inderdaad een eenvoudige rekensom om twee rijen cijfers neer te zetten op een velletje papier en het kleinste getal van het grootste af te trekken; het verschil zou over den uitslag van het twistgesprek beslissen.

Daar de dominee een stadsparochie had en een voorname Gemeente, werd hij edelmoediger behandeld dan menig ander van zijn collega's en had hij zes vrije weken per jaar, welke hij verdeelde in twee deelen, een maand aan het eind van den zomer en veertien daag in de lente, wanneer het zware winterwerk ge?indigd was. En dit maakte samen twee en veertig dagen. Tusschen Januari en December had hij waarschijnlijk behalve zijn vacantietijd nog wel eens een dag, dat hij uit de stad ging of een halven dag, dien hij in de stad naar vrije verkiezing besteedde. De heele dag buiten werd zeer dikwijls doorgebracht met kolven en den halven dag in de stad gebruikte hij om in een bibliotheek te snuffelen en de boekwinkels te plunderen. Laten al die halve en heelen dagen in het geheel te zamen acht dagen uitmaken, zoodat des dominees vacantie in alles en alles vijftig dagen bedroeg.

Terwijl de dominee zelf dit totaal nederschreef, meende zijn tegenstander, dat het nauwelijks de moeite waard was zijn zaak te verdedigen. Toen de dominee aanhield en den jongen man een blad papier gaf en een potlood, had het er veel van, dat de geheele zaak niet veel meer dan op een grap zou uitloopen.

?Twaalf dagen is de regel in ons kantoor en het is een bijzondere tref, wanneer men in Augustus kan gaan, want het kunnen ook dagen in April zijn," zei de jonge man. En hij was reeds bezig twaalf af te trekken van vijftig en benieuwd wat de dominee zou zeggen over een meerderheid van acht en dertig.

?Tellen de Zondagen mee bij uw verlof?" vroeg de dominee. De jonge man gaf toe, dat dit niet zoo was en zoodoende werd het getal twaalf veranderd in veertien, maar dat maakte niet veel verschil.

?Is uw kantoor open op Kerstdag?" ging de dominee voort. ?Ik denk van neen; evenmin als op Nieuwjaarsdag, op Paaschmaandag, of op Pinkstermaandag. Gewoonlijk is de tweede Kerstdag ook een vrije dag en Goede Vrijdag ook. Zoo gaan we aardig de hoogte in; dat zijn zes dagen, die gij niet gerekend hadt en dan is er een vrije beursdag in het begin van Augustus, dien gij liefst buiten uw jaarlijksche vacantie sluit. Hoever zijn wij nu? Een en twintig dagen, dat wil zeggen-drie weken. Het is niet veel voor iemand, die zoo hard werkt; maar het is toch meer dan gij hadt uitgerekend."

?Ja, het vermindert uw meerderheid, maar die is toch altijd nog aanmerkelijk-negen en twintig dagen meer voor den dominee dan voor den klerk."

?Misschien," antwoordde de predikant, ?maar uw firma moest zich toch eigenlijk schamen,-en zij heeft zoo'n goeden naam en doet zulke groote zaken!-dat haar klerken den geheelen Zaterdag moeten werken inplaats van een halven vrijen dag te hebben. Niets, zou ik zoo zeggen, zou voor een jongmensch aangenamer zijn dan eens op zijn fiets naar buiten te gaan op den Zaterdag-achtermiddag, in den tijd, dat de bloemen beginnen uit te komen en dat de heggen het eerste groen vertoonen of op een anderen tijd een paar uur te gaan schaatsenrijden in het heldere, reine versterkende winterweer. Ik heb medelijden met u," zei de dominee, ?dat gij dien halven vrijen Zaterdag niet hebt. Gij zijt al even slecht af als ik, voor wien Zaterdag op een na de drukste dag van de week is."

De predikant stond op en wierp een nieuw blok op het vuur, want hij was een edelmoedig man, met een tikje humor, en hij wilde zijn vriend niet verlegen maken.

?Daar heb ik nooit aan gedacht," zei de jonge man rondborstig, ?dat is eerlijk waar. Ik herinner me, dat ik eens medelijden met u kreeg, toen ik ging schaatsenrijden en bij u aanliep om te vragen of ge meegingt en dat ge bezig waart met het maken van uw avondpreek."

?Welnu," zei de dominee, ?twee-en-vijftig maal een halve dag is zes-en-twintig heele dagen, en daar afgetrokken de twee halve dagen, die in uw geregelde vacantie vallen, blijven er vijf-en-twintig heele dagen over, die moeten opgeteld worden bij uw een-en-twintig dagen, dat maakt zes-en-veertig, of ik moet heelemaal niet kunnen tellen.

?O!" zei de dominee, ?heb ik gelijk of niet? Gij staat nu zes-en-veertig tegen mijn vijftig. Ik moet u gelukwenschen met uw minderheid. Geen dominee klaagt over zijn werk, zelfs niet over de drukte en beslommering van den Zaterdag, maar ik vertel u eerlijk, Dick, er zijn oogenblikken, dat hij een leek den Zondag benijdt, want de Zondag is de rustdag van den leek en voor den dominee de dag van harden arbeid. Op dien dag slapen de meeste menschen des morgens iets langer-ofschoon gij waarschijnlijk des Zondagsmorgens te vijf uur opstaat om Duitsch te bestudeeren-en dan ontbijten zij op hun gemak; want waarom zouden zij zich haasten, het is immers geen werkdag? Tusschen het ontbijt en den kerktijd praten zij over alle soorten van zaken en doorbladeren boeken en lezen brieven, die van verre gekomen zijn en gevoelen zich geheel op hun gemak. Als het mooi weer is, kiezen zij den langsten weg om naar de kerk te gaan, liefst door een plantsoen of een park en zij drentelen kerkwaarts met ongedwongen geest. De vader zit met zijn gezin in hun bank en kan zonder afleiding en zonder vrees zich geheel wijden aan den eeredienst. Misschien denkt hij nooit eens aan de domineesvrouw, die als was zij een weduwe in haar bank zit met hare als verweesde kinderen, want het hoofd des gezins vervult op dien dag zijn zwaarste taak en heeft zooveel te doen bij het leiden van de godsdienstoefening der anderen, dat men nauwelijks kan zeggen, dat hij tijd genoeg heeft om zelf God te vereeren. Wees zoo goed niet in de rede te vallen"-want de jonge man gaf teekenen van toenadering om zich over te geven.

?Weet je," zei de dominee, in het dansende vuur starend, ?dat ik eenige jaren geleden eens een Zondag voor mij zelf had met mijn gezin, en ik kan nog het aangename van dien dag smaken in mijn herinnering. Wij begonnen na het ontbijt te praten over Bijbelsche personen en godsdienstige onderwerpen en ik kwam voor het eerst te weten, hoe mijn jongens er over dachten. Wij zochten boeken op, waarover gesproken was en ik las mijn geliefkoosde gedeelten uit dichters en liet zeldzame uitgaven zien en deed mijn kast met gebonden boeken eens open, waar de banden tegen licht en stof beschermd stonden. We babbelden, we verbeuzelden onzen tijd een weinig, we vermeidden ons in onze schatten. We dronken thee in den tuin, we praatten over den ouden tijd, we maakten plannen voor de toekomst. Wel, ik wandelde met mijn gezin naar de kerk, met licht gemoed en zonder reden tot haast. Zoo zeer genoot ik den dag, dat ik besloot er al van te halen, wat te halen was.

?Denkt gij, dat ik in de kerkekamer ging vóór den dienst, omdat het mijn consistorie was en dat ik den dominee inlichtingen gaf omtrent de aankondigingen, omdat het mijn kerk was? Zeker niet. Ik ging binnen door de voordeur, precies als ieder ander lid van de Gemeente en knikte vriendelijk de kerkeknechts toe, als ik hen voorbij ging. Ik liep door de gangen achter mijn gezin en ging zitten aan het eind van de bank net als ieder ander hoofd van een gezin. Na den dienst ging ik naar de kerkekamer en na binnen gelaten te zijn, dankte ik den dominee voor zijn preek als een van zijn hoorders en toen ging ik naar huis en praatte met mijn jongens over den dienst, want het gesprek liep over de preek van een ander en ik kon op al de mooie gedeelten wijzen. Dien achtermiddag tijd te mijner beschikking hebbende, bezocht ik een zaal, waar een man met een eigenaardige gave aan twee honderd ongeleerde boeren de beginselen van den godsdienst ontvouwde en kwam tehuis heerlijk verfrischt en toen lazen wij weer en praatten en mijn gezin en ik werden heel innig, omdat wij tijd hadden en omdat het Zondag was.

?Bij de avondbeurt had ik het genoegen een jongen man aan de deur op te visschen, die op een plaats wachtte en ik nam hem mee naar mijn bank en legde hem uit, dat hij 's avonds altijd daar kon gaan zitten en dat ik blij was, dat hij was gekomen, omdat wij stellig een heerlijke preek zouden krijgen. Hij keek mij eenigszins nieuwsgierig aan en wilde wat zeggen, toen ik hem voor was en uitlegde, dat ik dien dag niet de dominee van de kerk was, maar eenvoudig zelf toehoorder. Ik praatte al weer met mijn gezin na den dienst-het aangename van den hak op den tak springen, wat echter niet nutteloos behoeft te zijn, van menschen, die niet vermoeid, overspannen zijn en zoo eindigde de dag van rust in een vriendelijke gezelligheid en innerlijke rust. Wij moeten allen iets opofferen, Dick, maar de zwaarste opoffering, die een dominee heeft te doen is zijn Zondag, want zij is tot schade van zijn eigen ziel en die van zijn familie. Wees dankbaar voor uw rustige Zondagen en behoud ze met jaloerschheid voor de rust van geest en lichaam."

?Ge hebt uw zaak bewezen," zei Dick; ?door vijftig Zondagen en vijftig halve Zaterdagen er bij te voegen, wordt mijn vacantie zes-en-negentig dagen tegenover vijftig van u."

?Het is laag," zei de dominee, ?een verslagen vijand af te maken, vooral wanneer hij zoo'n goede kerel is, maar cijfers zijn niet voldoende om de zaak geheel uit te drukken, omdat er ook nog gelet moet worden op het verschil in den aard van het werk, dat verricht wordt, laat ons zeggen in een kantoor en in een studeerkamer. Ik weet, dat zaken nauwkeurigheid vereischen, dat er voortdurende inspanning noodig is en dat men telkens voor verrassingen staat en voor teleurstellingen en dat er kans is op grooten tegenspoed, maar de man van zaken heeft ook zijn eigenaardige voordeelen. In de eerste plaats is er een grens aan zijn werk, en als hij des avonds thuis komt, laat hij zijn werk achter. Aan den arbeid van den predikant nu is geen grens. Hij blijft altijd boven zijn hoofd hangen, roept altijd zijn gedachten tot zich, zijn werk spant altijd zijne zenuwen bovenmate, het drukt altijd op zijn geweten. Wanneer hij zich een gezelligen avond veroorlooft, dan verkeert hij niet in dezelfde gunstige omstandigheden als de andere gasten, omdat zij hun brieven hebben afgeschreven en hun geheele dagtaak hebben afgedaan en wanneer zij naar huis gaan dan zal dat wezen om nog even een laatste hoofdstuk van een boek te lezen vóór zij naar bed gaan; maar hij rukt zich los uit werk, dat half af is en als zijn vrienden reeds zijn ingeslapen, brandt op zijn lessenaar het licht nog. Daarenboven-en, Dick, gij kunt u niet verbeelden, wat dat beteekent-de koopman weet, dat hij een zekere hoeveelheid werk in acht uren kan verrichten, omdat het over zaken handelt; maar de dominee weet nooit wat hij kan doen, omdat zijn werk betrekking heeft op denkbeelden. De noodzakelijkheid van voort te brengen, zelfs wanneer de geest niets heeft te uiten, werkt op de zenuwen van den dominee en kan zijn gezondheid benadeelen.

?De dagbladschrijver schrijft elken dag, maar hij heeft nieuwe onderwerpen om over te schrijven; de letterkundige werkt wanneer hij gestemd is; de dominee moet schrijven over een oud onderwerp-ofschoon het belangrijkste wat de geest kan bevatten-en hij moet schrijven, onverschillig of zijn geest helder of dof is. Misschien is er niemand, die zulke oogenblikken van vreugde kent als hij-wanneer hij bezield is; zeker heeft niemand zulke uren van gedruktheid-wanneer hij niet tot zijn onderwerp kan opklimmen. Alleen door geduldig lezen en onophoudelijk gebed kan hij zijn taak vervullen, en dan is hij steeds zoo sterk mogelijk ingespannen en kent nooit de rust van den man, die zijn werk verricht met overvloed van tijd, kracht en denkbeelden. Wanneer de dominee komt te overlijden, terwijl hij nog in de Bediening is, dan zal hij op zijn sterfbed in zijn laatste oogenblikken van bewustheid nog iets te zeggen hebben omtrent een brief, die niet beantwoord is en nog eenige verklaringen te geven hebben aan een gezin, dat niet bezocht is en wanneer zijn geest begint af te dwalen, zal hij ronddolen tusschen teksten, waarmee hij gestreden heeft en pogingen, die niet tot het doel hebben geleid."

?Hij behoorde elk jaar twee maanden te hebben," riep Dick, ?en als ik diaken word, zal ik zorgen, dat mijn dominee daarenboven elke zeven jaar een half jaar vacantie krijgt, opdat hij daarna weer beginne als een geheel nieuw mensch, naar geest en lichaam."

?Ge zijt een beste kerel, Dick, en ge zijt verstandig voor uwe jaren en als de Kerk haar predikanten behandelde op deze wijze, dan zou zij daar veel voordeel bij hebben. Want elke nieuwe gedachte, die doordringt tot den geest van den dominee, en elk nieuw boek, dat hij leest en elke nieuwe landstreek, die hij ziet en elke nieuwe kunstverzameling, die hij in zijn vacantie bezoekt, vermengt zich met zijn woorden, met zijn leven en de goede zorg, de edelmoedigheid der Gemeenten zou met woeker terugkomen tot hun eigen zielen."

* * *

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022