* * *
Niemand heeft meer reden tot dankbaarheid aan zijn publiek dan een dominee, want ik ken geen dienaar, die vriendelijker behandeld wordt. Hoewel er ongetwijfeld in een zoo groot lichaam als de Christelijke Kerk vitlustige en slecht gemanierde Gemeenten zijn, juist zooals er luie en verwarring stichtende dominees zijn, kan men toch zeggen, dat over het algemeen de Gemeente liefderijk is in haar oordeel over haren predikant, geduld heeft met zijn fouten, ten zeerste elk goed werk, dat hij doet, waardeert en zeer dankbaar is voor al zijn goede diensten. Er zijn niet veel klachten, die een welwillend dominee met gezond verstand kan inbrengen tegen een gewone Gemeente, doch hij heeft soms een grief tegen zijn vrienden, die hij niet openbaart, maar die voortwoekert in zijn hart. Het is niet iets, dat zij zeggen of iets, dat zij doen; het is het stille en misschien onbewuste vermoeden, onbewust van hun zijde, dat hij niet genoeg te doen of dat hij een aanmerkelijke hoeveelheid ledigen tijd heeft.
Kon hij staat maken op hunne woorden, dan zou dat vermoeden nooit in hem opkomen, omdat zij slim genoeg zijn, en dat is heel vriendelijk van hen, des Maandags tegen hem te zeggen, dat hij wel heel vermoeid moet zijn na tweemaal zoo wondermooi gepreekt te hebben en dus moet hij wel, daar hij toch maar een mensch is, meenen, dat zij zich verbeelden, dat hij geheel op is na zulk een verstandelijke uitputting. Weer een anderen keer vermanen zij hem, zoo langs hun neus weg, na een praatje over het weer, zich voor overwerking te wachten en zeggen zij niet te kunnen begrijpen, hoe hij in staat is, zooveel te doen. Dit alles is heel vriendelijk en opbouwend en de dominee heeft een aangenaam gevoel, dat zijn werk gewaardeerd wordt en dat hij een van de hardste zwoegers van de wereld is.
Als hij ouder wordt echter, en meer waarde begint te hechten aan den inwendigen toestand van het gemoed der menschen, dan aan de los door hen daarheen geworpen woorden, dan gevoelt hij zich niet op zijn gemak erbij, dat de menschen toch nog niet zoo bepaald overtuigd zijn van zijn regelmatige bezigheden en zijn bezette uren. Lieve dames, en alle dames zijn lief, noodigen hem op een theepartij en dergelijke feestjes, waarbij hij de eenige heer zal zijn; of als er misschien nog een is, dan is het een bejaard man, die zich reeds lang uit de zaken heeft teruggetrokken. Terwijl de dominee de dame dankt voor haar vriendelijke uitnoodiging, komt het hem in de gedachte, dat haar eigen man niet op het aangename partijtje zijn zal, evenmin als haar zoon, omdat zij het te druk hebben en zij zou er niet aan denken, een advocaat of een koopman of een geneesheer of een dagbladschrijver te vragen, tenzij het was voor een groote partij, waarop iedereen komt. Het zou haar een dwaasheid toeschijnen een man van zaken van zijn werk te halen zelfs om een uur door te brengen met haar en andere even bekoorlijke vrouwen. De andere mannen zouden niet komen, omdat zij niet konden. Zij moeten hun werk doen. De dominee wordt uitgenoodigd omdat, zoo als de gastvrouw veronderstelt, hij geen werk heeft, dat hem verhindert. En zij zou hem misschien weinig hoffelijk noemen en zeker heel onvriendelijk, wanneer hij weigerde; en als hij zijn weigering verdedigde door het bezet zijn van zijn tijd, zou wellicht haar oordeel liefdeloos worden en kon zij wel eens meenen, dat hij een andere reden had. Zat hij dan niet in zijn studeerkamer? Waarom kon hij niet even goed in haar huis zijn? En zij zou nooit kunnen begrijpen, dat hij juist op dien achtermiddag moest gebruik maken van een eenige kans om een noodzakelijk boek meester te worden. Was hij niet een half uur geleden haar huis voorbijgegaan en indien hij kon uitgaan voor een wandeling, waarom kon hij dan dien tijd niet doorgebracht hebben in haar tuin, en hij kan haar niet aan het verstand brengen dat hij een zieke was gaan bezoeken.
Secretarissen van philantropische vereenigingen zijn hem komen vragen om uit een buitenwijk naar het midden van de stad te gaan, en een voorstel te steunen op een openbare vergadering van acht bejaarde heeren en zeven-en-zeventig vrouwen van onzekeren leeftijd, met vier fatsoenlijke bedelaars, die gekomen zijn om te zien of ze niet eenige guldens kunnen leenen van den een of anderen barmhartigen Samaritaan. Het was een uitmuntende vereeniging en ongetwijfeld was het noodig, dat het bestuur herkozen wordt, en de dominee zei dat na verloop van tien minuten, maar terwijl hij naar huis ging, moede en ge?rgerd is de gedachte bij hem opgekomen of dit nu het beste gebruik was, dat hij van zijn tijd kon maken en zou de secretaris, hoe onvermoeid die man ook was en hoe dringend ook, er toe gekomen zijn een man van zaken-dat is iemand, die werkelijk iets doet-te vragen zijn kantoor te verlaten te midden van de drukte om drie volle uren van zijn tijd te besteden om naar een buitenwijk te gaan en daar te zeggen, wat totaal onbelangrijk was voor de menschen, op wie het geen bijzonderen indruk zou maken? De dominee weet en de secretaris weet en iedereen weet, dat de man van zaken met de minst mogelijke woorden neen zou gezegd hebben, en dat iemand hem dat kwalijk zou hebben genomen, terwijl iedereen hem een dwaas zou hebben genoemd, als hij er heen was gegaan.
Zulk een tijdverknoeien is onmogelijk behalve voor overoude heeren en voor dominees. En, natuurlijk, als de predikanten inderdaad hun tijd thuis verbeuzelen met het lezen van tijdschriften of het kijken door de ramen of als zij niets anders doen dan hun wijk rondslenteren om beleefdheidsbezoeken te brengen en praatjes over het weer te houden, dan zou het heel goed zijn, al was het maar voor de verandering, als zij eens een achtermiddag zoek brachten met naar een vergadering te gaan en het gehoor te overtuigen, dat inderdaad het bestuur behoort herkozen te worden.
Treuzelaars van allerlei slag dringen de studeerkamer van een dominee binnen bij voorkeur vóór twaalf uur 's morgens, omdat zij dan zeker zijn hem thuis te vinden, en leggen hem in verbazend lange verhalen uit, dat wij de afstammelingen van de verloren tien stammen zijn; dat alle onzedelijkheid reeds lang uit de wereld verdwenen zou zijn, als wij maar wortelen in plaats van vleesch aten; dat het werk, gedaan door zeker iemand, wiens naam de dominee niet kan uitspreken op een plaats in Klein-Azi?, waarvan hij nooit gehoord heeft, het allerbelangrijkste is onder dat der uitwendige zending, altijd alleen afgaande op de mededeelingen van den man, die het salaris beurt in Klein-Azi?. Indien een van deze woordenrijke menschen en het zijn er nog maar drie van een honderdtal, elk met het een of ander bijzonders in het hoofd, het waagde een koopmanskantoor te bezoeken, dan zou hij waarschijnlijk niet toegelaten zijn in de kamer van den patroon, en als hij wel erin was gelaten, zou hij zeker gauw verzocht worden de deur van achteren te bekijken.
De onbeschaamdheid van een treuzelaar is verbazend, maar zij heeft grenzen en na eenige ervaring laat zoo iemand den koopman met rust en in den regel probeert hij niet eens een geneesheer aan boord te komen, maar hij nestelt zich als bij instinct en met een gevoel van ?ik ben hier thuis" in de studeerkamer van een dominee. Als deze een werkelijk goed man is, dan is de bezoeker in zijn nopjes, want hij heeft een hulpeloos slachtoffer gevonden; maar als de dominee maar onvolmaakt heilig is, dan gaat de zeurkous bijna even vlug de deur uit als bij den koopman, maar dan weet de dominee ook, dat zijn leven voortaan in de macht is van de tong des beuzelaars.
Wat den dominee ergert en te meer naarmate hij minder zijn ergenis luchten kan is, dat al die menschen gelooven, dat hij werkelijk niet weet, wat hij met zijn tijd moet uitvoeren en dat die tijd tot ieders beschikking is. Het feit is echter, dat de predikant van een stadskerk, die getrouw zijn plicht doet, harder werkt dan iemand anders in de maatschappij, behalve een arts met dagelijksche praktijk, een dagbladschrijver en een naaister op een atelier, waar de zweep gebruikt wordt. Hij kan des avonds zoo laat op zitten, als hij wil-en inderdaad moet hij, laat ons zeggen, tot minstens twaalf uur op blijven-om niet ten achteren te raken met zijn leesstof, maar hij moet des morgens weer vroeg bij de hand zijn, omdat wellicht een koopman hem komt spreken vóór negen uur, en omstreeks dien tijd moet hij de eerste brievenzending geopend hebben, die zoo ongeveer uit een twaalftal brieven bestaat en als hij het noodig oordeelt-en het is noodzakelijk in een stad-moet hij dan ook een blik geslagen hebben in de feiten, die den vorigen dag voorvielen in zijn stad en in de wereld. Van negen tot een moet hij zich voorbereiden voor zijn taak op den preekstoel, voor avondbeurten in de week, voor catechisaties, en voor toevallig werk in kerk of vergadering, zoo vlug hij kan en het uur, dat hij verliest met het ontvangen van bezoekers, moet laat in den avond met interest ingehaald worden. Te een uur veroorlooft hij zich iets te eten, ofschoon hij vaak niet aan de koffietafel in het gezin kan verschijnen, omdat de een of andere slimme bedelaar weet, dat dit de beste tijd is om hem thuis te treffen en, terwijl hij in het drukst van het gesprek is, betreurt hij het verlies van zijn maaltijd en verlangt naar den dag, dat Amerikaansche vindingskracht, vruchtbaar in denkbeelden en spaarzaam met den tijd, een vloeibare voedingsstof zal uitvinden, die hij door een buis tot zich kan nemen, terwijl hij studeert.
Indien hij niet beloofd heeft de benoeming te ondersteunen van een commissie van veertig leden, die een tehuis voor twintig meisjes moet besturen, dan brengt hij zijn tijd van ongeveer twee tot zeven uur door met het bezoeken van menschen, die ziek zijn of vrienden verloren hebben, die lijden onder wereldsche rampen of die pas tot zijn Kerk zijn toegetreden of haar juist verlaten hebben, die hij wenscht over te halen tot eenigen arbeid of die hij in langen tijd niet gezien heeft en waarmee hij voeling wil blijven houden. Hij komt 's avonds thuis, niet omdat zijn werk gedaan is, want deze soort van werk is nooit afgedaan en het einde is er nimmer van te zien, zelfs niet al begon men het des morgens te negen uur en zette men het voort tot 's avonds negen uur, maar omdat niemand langer dan vijf uur achtereen bezoeken kan afleggen.
Bij zijn thuiskomst-en ik beken dit vrijmoedig-veroorlooft de dominee zich weer wat te eten, maar alweer moet het voor hem bewaard worden, omdat een andere bezoeker, die hem in den namiddag was misgeloopen, van een onnoozele dienstmaagd, die pas in dienst is gekomen en nog niet goed op de hoogte is van de taak van een predikants-dienstbode, het uur heeft vernomen, waarop de ongelukkige man zijn volgenden maaltijd zal gebruiken en nu reeds een half uur op hem gewacht heeft om den steun van den dominee te vragen voor een genootschap van christelijke liefdadigheid, wat in twee van de drie gevallen slechts een uitwas is van philantropie en in het derde geval iets waarmee de dominee niet de minste aanraking heeft.
Menschen, die niet beter weten, zouden misschien veronderstellen, dat de dominee, na zijn zeer bescheiden maal genuttigd te hebben, vrij zal zijn met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer te zitten om zijn plicht te vervullen als hoofd van het gezin en zoo het grootste genot van den geheelen dag te smaken. Het is iets zeldzaams als deze ongelukkige man een avond voor zich zelf heeft, omdat hij gewoonlijk dadelijk na het eten naar een of andere bijeenkomst in zijn kerk moet gaan en terwijl de leden der Gemeente zich over de verschillende avonden verdeelen, wat heel billijk en goed is, moet hij altijd bij alles tegenwoordig zijn, want is hij er niet, dan begint het onderdeel, waarvan hij wegblijft, te kwijnen.
Als hij een avond vrij heeft, dan komt een of ander lid van zijn Gemeente hem vragen een bijeenkomst te bezoeken ten bate van iets, waarin hij betrokken is en er zijn redenen, waarom de dominee niet kan weigeren. Het is best mogelijk, dat diezelfde mijnheer de vorige week gezegd heeft, dat de dominee zich overwerkte en niet zooveel op zich moest nemen, maar als de tijd komt, dat hij zelf een bijl heeft, die geslepen moet worden, dan zal hij niet de minste aarzeling hebben den dominee te vragen den molen te draaien. En inderdaad wordt het openbare werk van den dominee sterk vermeerderd door zijn eigen gemeenteleden, die aan de secretarissen, de treuzelaars en de rest van tijdroovers aanbevelingsbrieven geven met een slot, als: ?Ik hoop, dat ge het verzoek van mijnheer Tootle zult inwilligen als een persoonlijke gunst aan mij." Dezelfde heer doet dat misschien maar eens in een halfjaar, maar er zijn er een honderd, die hetzelfde met tusschenpoozen doen en zoodoende wordt de dominee aan handen en voeten gebonden door zijn eigen Gemeente.
Was ik een leek en de een of andere gesalari?erde secretaris, die niets anders te doen heeft-zooals het mij soms toeschijnt-dan noodelooze brieven te schrijven en vervelende vergaderingen bijeen te roepen en dominees te ergeren, kwam bij mij en vroeg mij om mijn dominee te plagen totdat hij zijn eigen werk liet staan en de bijeenkomst van den secretaris bezocht, dan zou ik dien secretaris mijn gemoed bloot leggen in de woorden, die een vriendelijke Voorzienigheid mij op dat oogenblik zou ingeven en één dominee zou ten minste geen last hebben van dien secretaris. Als het godsdienstig publiek ooit eenigen twijfel heeft omtrent het geld, dat uitgegeven wordt aan secretarissen en omtrent het nut van hun arbeid, dan kan het misschien een troost wezen voor dat publiek, te weten, dat, zoo lang er gesalari?erde secretarissen van philantropische instellingen zijn, geen stadsdominee ooit er toe zal kunnen komen zijn tijd te verluieren, hetzij door moderne godgeleerdheid te bestudeeren of door te praten met zijn gezin.
Veronderstel echter, dat door den een of anderen buitengewonen zegen, de dominee een avond vrij heeft, werkelijk vrij-wat zoo ongeveer zesmaal per winter voorkomt-en hij begint aan zijn vrouw eens iets voor te lezen, of zij onthaalt hem op wat muziek of de heele familie bladert een kunstwerk door, of-want ik wil zijn zwakke zijde niet verbergen-zij spelen een spelletje samen, zijn vrouw, zijn kinderen en hijzelf. De bel gaat over en de dominee ziet zijn vrouw aan; hij weet, wat dat beteekent. Het is in zulke oogenblikken, dat zijn geloof in een persoonlijken duivel, wiens slimheid even groot is als zijn boosaardigheid, ten sterkste bevestigd wordt.
Niet dat de bezoeker op een vreemde zoo'n duivelachtigen indruk maakt, want hij is eenvoudig een fatsoenlijk, niet bijzonder opmerkelijk burgerman, behoorende tot de Gemeente van den dominee of tot die van een anderen predikant, die even goed op elk ander uur had kunnen komen en zeker op een anderen tijd zou gekomen zijn, als hij een koopman had willen spreken, maar die inbreuk maakt op des dominees vrijen tijd met de stille, doch onbepaalde gedachte, dat, daar de dominee den geheelen dag voor zich zelf had, de avonduren wel ter beschikking van het publiek konden zijn. Wat de boodschap van den bezoeker betreft, hij had even goed kunnen schrijven, maar hij gevoelde, dat het beter kon behandeld worden bij een persoonlijk onderhoud-een kwartier was lang genoeg. Wat ten slotte erop uitloopt, dat deze spraakzame heer den heelen avond bij den predikant in de studeerkamer zit en wanneer hij heen gaat, vol van spijt, dat hij den dominee zoo lang heeft opgehouden, dan zijn de kinderen naar bed en de domineesvrouw zit eenzaam in de leege voorkamer.
Daar is geen tweede mensch, die op deze manier lijdt, zelfs een geneesheer niet, want de menschen dringen niet in zijn consultkamer en blijven er zitten, terwijl zij bij hun gezin behoorden te zijn en hij bij het zijne zou willen wezen. Dokters hebben een hard leven, want zij kunnen op elk uur worden geroepen en beziggehouden van 's morgens tot 's avonds, maar zij hebben ten minste geen last van toevallige bezoeken en beuzelachtige gesprekken om de eenvoudige reden, dat als iemand bij hen komt, hij niet langer dan een kwartier mag blijven en hij moet betalen voor den tijd, dien hij blijft. Natuurlijk is een dominee ten dienste van zijn Gemeente op elk redelijk uur en op elk uur is hij bereid den stervende en den achterblijvende te dienen; maar als elke vreemdeling, die geen enkel recht op hem heeft en die tot hem komt voor zijn eigen zaken, een billijk honorarium moest betalen en het dubbele ervan, indien hij des avonds kwam, dan zouden wellicht de kinderen van een predikant hun vader leeren kennen en de domineesvrouw zou niet behoeven te klagen, dat zij bijna nooit haar man ziet.
Als een koopman zijn kantoor verlaat en naar zijn huis gaat, zou hij zeer verwonderd zijn, indien daar een makelaar hem kwam opzoeken en een zaak voorstellen. Een arbeider heeft rust in zijn eigen huis, maar een domineeshuis is een doorloop, waarin alle soorten van menschen zich bewegen. Waarom kan het tehuis van een predikant niet even heilig zijn als dat van een handelaar? Waarom mag hij niet even goed als een advocaat zijn uren van dagelijksche rust hebben? Wanneer zullen de Gemeenten en het publiek toch eens begrijpen, dat indien een man verplicht is op de hoogte te blijven van de beste gedachten van den tegenwoordigen tijd en zich meester te maken van de schoonste denkbeelden uit het verleden, wanneer hij zijn herderlijke plichten behoorlijk moet vervullen en zijn aandeel moet hebben in de voornaamste zaken der gemeenschap, zijn tijd dan beschermd moet worden tegen indringers en zijn krachten niet moeten verknoeid worden in onbeduidende vergaderingen? Wanneer zullen de menschen begrijpen, dat zijn arbeid even ernstig is en even geregeld is als die van elk anderen man, die een ambt bekleedt en dat, dewijl zijn tijd behoort aan zijn Meester, even goed als zijn talenten en al wat hij overigens bezit, diezelfde tijd niet behoort aan gesalari?erde beambten en spreekgrage bezoekers? Wanneer dat duidelijk begrepen wordt, dan zal het voor de eerste maal tot zekere verstanden doordringen, dat, hoewel de predikant vele zaken moet doen, een daarvan niet is, dat hij in de maatschappij de plaats moet innemen van menschen, die het druk hebben, of dat hij een spreekmachine is op tweede-rangs godsdienstige bijeenkomsten.
* * *