Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 8 DE FATSOENLIJKE BEDELAARS IN ONZE KERKEN.

* * *

Het is geen overdrijving, wanneer men zegt, dat men in het gebruik dat iemand maakt van zijn geld een maatstaf is voor zijn karakter en een openbaring van zijn aard. Er zijn menschen, die geld verliezen door hun dwaasheden: zoeten inval; daar zijn anderen, die het uitgeven ten gevolge van hun ondeugden-verkwisters; er zijn menschen, die het opgaren met jaloerschheid-gierigaards; er zijn er ook, die het uitzetten in weldaden-zij zijn de wijzen.

Wanneer ik zeg weldoen, dan denk ik niet aan die onberedeneerde liefdadigheid, die geen onderscheid maakt en die, hetzij zij den vorm aanneemt van aalmoezen aan een luien vagebond of van een ruime gift tot het kweeken van armlastigen, een vloek is en geen zegen, een zonde en niet een plicht. Wij behoeven den raad van onzen Heer aan den rijken jongeling om zijn bezittingen te verkoopen en aan de armen te geven niet letterlijk op te vatten, want ofschoon zulks misschien het eenige bewijs van oprechtheid was, dat hij in die dagen kon geven, zoo zou het een groote ramp zijn in onzen tijd.

Indien een millionair zijn bezittingen te gelde maakte en de opbrengst uitdeelde onder dat droes onzer bevolking, dat niet werkt zoolang het kan bedelen, dan zou hij het grootst mogelijke nadeel doen aan zijn medemenschen. Indien diezelfde millionair zijn fortuin gebruikt om gelegenheid te geven tot eerlijken arbeid, waardoor de menschen zich zelf en hunne gezinnen kunnen onderhouden, dan zal hij aan zijn medemenschen den grootsten zegen verschaffen, die in zijn macht is.

Wat het geval moge geweest zijn in den ouden tijd, er kan niet ontkend worden, dat de man, die in onze dagen een fabriek vestigt in een kleine stad tien maal beter doet dan hij, die zijn kapitaal zou willen gebruiken om een armhuis te stichten.

Wanneer een man behoorlijk voldaan heeft aan de eischen van zijn gezin, en waarvan hij goed heeft zorg gedragen voor de aanvulling der fondsen voor zijne zaken, dan zijn misschien de beste twee dingen, die hij kan doen met het overtollige van zijn kapitaal, het te gebruiken om de kennis van God te doen brengen aan hen, die in de duisternis zitten of de onschatbare gift eener goede opvoeding te doen toekomen aan hen, die hongeren en dorsten naar kennis. Het is zoo treurig, dat vele menschen niet hebben geleerd te geven, maar het is even treurig, dat velen niet weten, waar zij geven moeten. Om goed te geven, moet men zoowel zijn hoofd als zijn hart raadplegen, en leeren geven is een oefening van het brein zoowel als van iemands gevoel.

Er zijn Kerken, die zeer onverstandig geven en het geld, dat zij uitgeven om iets half goed te doen ware beter in de zee geworpen. Zij onderhouden stichtingen voor inwendige zending in arme wijken der stad, wat feitelijk niets anders zijn dan inrichtingen, waar propaganda gemaakt wordt voor pauperisme en de Gemeenten, in die wijken gevormd, bestaan grootendeels uit lieden, die bezwaar hebben om tusschen twee maaltijden te werken. Elk jaar worden er verslagen openbaar gemaakt, die aantoonen hoeveel personen de bijeenkomsten bezochten en op hartverscheurende wijze rekening doen van de ellende, die gelenigd is. Het is een feit, dat, wanneer gij aan een bekwaam organisator zesduizend gulden per jaar geeft om in een flinke achterbuurt te besteden, die man daar, wanneer ge maar wilt, een Gemeente zal stichten van een vijfhonderd leden; en als de leden van de moederkerk er heen wenschen te gaan en tegenwoordig te zijn bij een geestdriftvolle bijeenkomst, dan is het eenig noodige daartoe, dat een van de rijke kerkleden dien avond als gastheer fungeert. De vergadering zal evenmin uit een oogpunt van getalsterkte als uit dat van geestdrift iets te wenschen overlaten en de lieve menschen van de rijke Kerk zullen naar huis gaan met het gevoel, dat zij een bloeiende zending hebben en ontzachelijk veel goeds doen, terwijl er heel veel kans bestaat, dat zij in den godsdienstigen zin des woords in het geheel geen zending hebben en dat hun geld onberekenbare schade heeft berokkend.

Over het geheel genomen komen zendingsinrichtingen, onderhouden op ruime schaal door rijke Gemeenten precies overeen, wat het zedelijk resultaat betreft met de armhuizen, gesticht door menschen, die meer geld hebben dan zij weten te besteden en niet genoeg hersens om te weten, hoe het te gebruiken.

Wanneer het geld, dat rond gestrooid wordt in soepuitdeelingen en dergelijke stichtingen tot het instandhouden van bedelaars en hun gezinnen, gebruikt was voor het bouwen van een dergelijke kerk, waar de eerlijke armen God konden dienen met behoud van zelfachting, of van gezonde woningen, waar de werkmenschen netjes konden wonen tegen matige huur of tot het instellen van een beurs voor studenten, arm in geld maar rijk in hersens om hun in de gelegenheid te stellen hooger onderwijs te genieten, dan zouden de maatschappelijke hervormers reden hebben de Kerk te zegenen en de Kerk zou vrij wat meer goeds verrichten in de gemeenschap.

Een Kerk van het West-End behoeft echter juist niet naar het Oost-End te gaan om zulk kwaad te verrichten, want zij kan, als zij dat wil een kweekplaats van fatsoenlijke landloopers stichten binnen haar eigen grenzen. Wanneer een dominee en de lidmaten zijner Kerk den naam hebben van een week hart te bezitten, wat dikwijls beteekent dat zij wat zwak van hoofd zijn, dan verspreidt zich dat nieuws wijd en zijd en het aantal bezoekers der godsdienstoefening neemt onmiddellijk toe. Kleinhandelaars, die hun zaak tot bloei willen brengen en niet uitsluitend durven vertrouwen op de deugdelijkheid der goederen, die zij verkoopen; jonge lieden, die hun betrekking verloren hebben, omdat zij niet willen werken; dames, die het beneden zich achten om iets te doen voor haar levensonderhoud en deskundigen zijn in wat men zou kunnen noemen fatsoenlijke strooptochten; onbekwame kooplieden, aan wie geen bank honderd gulden crediet zou willen geven, maar die hopen duizend te krijgen door middel van aanhalingen uit de Bergrede-komen zich gezamenlijk nederzetten binnen de beschuttende muren van deze Christelijke schuilplaats.

Als men hen wil gelooven, komen zij allen om de uitmuntendste en aandoenlijkste redenen: omdat bijvoorbeeld hun vorige Gemeente koud was en zij in een warmer atmosfeer wenschten te leven; omdat zij een zegen ontvingen onder de prediking van den dominee en het als een voorrecht beschouwen zijn zielszorg te genieten; omdat zij begeeren eenig goed werk te doen en uit de verte gehoord hebben van den ijver van deze Gemeente; maar hoofdzakelijk wegens het hooge geestelijke standpunt van dominee en lidmaten beiden, dat deze eenvoudige zielen als een magneet heeft getrokken naar hun natuurlijk tehuis.

Hun eigenlijke reden, om het in zuiver Hollandsch te zeggen, is, dat zij geen lust hebben te werken voor hun brood, zooals eerlijke menschen doen en dat zij van plan zijn zich op de Christelijke liefdadigheid te werpen. Zij stellen niet het minste belang er in, wat de dominee preekt of is, mits hij maar geen oordeel des onderscheids hebbe; zij komen alleen en heel eenvoudig om te bedelen. Zij zijn zeer bekwaam voor hun eigen vak en hebben het fatsoenlijk bedelen opgevoerd tot de hoogte eener schoone kunst. Zij beginnen niet, zoodra zij aankomen, te vragen en de allerslimsten onder hen zullen zelfs nooit over geld spreken. Hun wensch is, zooals zij aan den predikant in zijn studeerkamer duidelijk maken een bedeesdheid en kieschheid, die een diepen indruk maken op hem, als hij een eenvoudig vroom man is zonder ervaring, niets anders dan een hoekje in zijn kerk te hebben, waar zij kunnen nederzitten en zich drenken met de zuivere melk van het Woord en het eenige, waarover zij zich bekommerd maken, is, dat zij in de eerste zes maanden niet in staat zullen zijn eenig plaatsengeld te betalen of iets bij te dragen in het fonds voor de zending.

Zij hebben betere tijden gekend en toen was geven hun levensgenot. Een groote tegenspoed heeft de familie gedrukt en zij maken onduidelijke toespelingen op een groote som, verloren of door slecht gedrag van een familielid of door een bankroet en nu zijn zij verplicht hoogst zuinig te leven. Hun strijd om het bestaan, de dominee mag dat aannemen, is zeer moeilijk; maar zij zijn niet gekomen om over zulke dingen met hem te praten, doch, alleen om hem te verzekeren, dat hij hun tot zegen geweest is en om te zeggen, dat zij zoo gaarne zich nuttig zouden willen maken in zijn Kerk. Al kunnen zij niet geven, zij zijn tenminste willig om te werken en kiezen in den regel bij toeval een afdeeling van Christelijken arbeid, waarvan het hoofd rijk is in de goederen dezer wereld en bekend als mild.

Onder het oog van zulk een chef is er geen eind aan de werkzaamheid van onze bedelende vrienden. Zij bieden aan om alles te doen. Zij geven nieuwe plannen voor armenzorg aan de hand; zij brengen de oudere arbeiders in de afdeeling van de wijs door hun drukte en den een of anderen avond komen zij, op een ongelegen uur aandragen met een paar guldens, die zij-zooals toevallig blijkt-uit hun mond gespaard hebben voor een goede zaak. Daar zij niet in staat zijn om iets bij te dragen in de kerkelijke fondsen, maken zij met hun eigen handen eenige onmogelijke kerkezakjes, die zij in alle deftigheid aanbieden aan de ambtsdragers der Kerk en die ontoonbaar zijn en ongeschikt voor gebruik.

Daar zij op geen andere wijze hun dankbaarheid aan den dominee kunnen toonen, komen zij op een avond, man en vrouw samen als collega's in het bedelvak, en verzoeken hem een groote bouffante aan te nemen, die zijn keel zal beschermen tegen de winterkoude te midden van zijn onmetelijken arbeid, maar waarvan de kleuren en het model hem zouden blootstellen aan een ontslag uit zijn bediening, indien hij het ding droeg. De voorname leden der Kerk ontvangen met verjaardagen en met Kerstmis kaartjes, vol vrome spreuken en opmerkingen; en als een kind het ongeluk heeft eenigszins ernstig ziek te worden, bijv. windpokken of mazelen krijgt, dan komen de bedelende vrienden regelmatig en op treffende wijze vragen. Zij willen niet graag de moeder storen, maar zij hebben zulk een genegenheid opgevat voor den kleinen lieveling, dien zij in de kerk hebben gadegeslagen, dat zij rust noch duur hadden voor zij wisten of de lieve jongen een rustigen dag heeft doorgebracht. Zij willen niet indringerig zijn en zij vergeten niet, dat hun omstandigheden veranderd zijn, maar zij hopen, dat het niet als een beleediging zal beschouwd worden, dat zij een kleinigheidje hebben meegebracht voor het zieke engeltje en zij vragen aan de moeder om een onoogelijk stukje kandij aan het lieve lammetje te willen overbrengen. Er zijn moeders en moeders, maar er is kans, dat de moeder zeer getroffen wordt en in het algemeen, aangenaam aangedaan door zoo veel belangstelling in haar kind, en ofschoon zij verstandig genoeg is om de gift in het vuur te gooien, zal zij toch niet nalaten de gevers met Kerstmis te gedenken.

Wanneer de spinnen het web van fijne draden gespannen hebben, en het aan alle hoeken der Kerk stevig bevestigd is, dan is het opmerkelijk hoeveel vliegen en niet enkel onnoozele, er in vast raken en hoe groot de buit is. De kleerenklasten van de Kerk, zoowel van mannen als vrouwen, staan te hunner beschikking en elke maand wordt gij bij de ontmoeting met onzen bedelaar herinnerd aan den een of anderen ouden vriend en het is zeer belangwekkend de kleeren, die de Gemeente gewoonlijk droeg in de Kerk in nieuwe omstandigheden te zien verschijnen. Hun huishuur wordt om beurten betaald door een troepje barmhartige Samaritanen, waarvan elk gelooft, dat hij de eenige is, aan wien ooit werd toegestaan den dienst te bewijzen en die het doet onder belofte van geheimhouding, uit vrees dat schroomvallige menschen, arm maar trotsch, zich gekrenkt zouden gevoelen en dat zij de achting voor zich zelf, die nu, zooals zij zeggen, hun eenige bezitting is, misschien zouden verliezen. De een of andere vriendelijke dokter in de wijk bezoekt hen in geval van ziekte, zooals dat vaak gedaan wordt door deze mannen, zonder geld of eenig ander loon te ontvangen. Medische hulp in den vorm van versterkende middelen, gelei?n, vruchten, lekkernijen stroomen zoo voortdurend toe, dat het niet bevreemdend is, dat de lieve kleine Alice niet spoedig herstelt en dat de hulp van het gezin moet worden ingeroepen om de snoeperij op te krijgen.

Later moet de kleine Alice, die met zorg ingewikkeld in doeken en blijkbaar erg zwakjes rondgevoerd is om haar weldoeners persoonlijk te bedanken en die daartoe den meest ongelegen tijd schijnt gekozen te hebben, uit puur medelijden voor een maand naar buitengezonden worden en de liefhebbende familie, die niet leven kan zonder Alice-zij kunnen maar niet vergeten, dat zij vroeger rijk waren-moet noodzakelijk met de herstellende gaan.

Ik zou te veel tijd noodig hebben om te spreken van al de leeningen, die zij aangaan met bijna iedereen, rijken en armen. Als zij zoo iets vragen, dan is het alleen door den uitersten nood gedrongen en onder bittere schaamte; elke leening is de eerste, die zij ooit aangingen en binnen veertien dagen zal het geld zeker worden teruggegeven; als pand voor de richtige nakoming dier belofte wordt een ouderwetsche gouden broche gegeven-het laatste erfstuk der familie. Niet eer dan nadat de lange strooptocht ge?indigd is en de bedelaars verhuisd zijn naar een andere deftige Kerk, die op een behoorlijken afstand ligt, beginnen de menschen hun verschillende aanteekeningen te vergelijken en de rekening op te maken en dan komt men tot de ontdekking, dat naar de laagste schatting het gezin op kosten van de Gemeente heeft geleefd tegen ongeveer twee duizend gulden per jaar.

Deze berekening is natuurlijk, om tot de totale uitgaven te komen, te vermeerderen met wat zij zelf verdiend hebben; maar in den regel kan men aannemen, dat de balans daardoor weinig opgevoerd zou worden. Indien men aan de vrouwelijke helft onzer bedelaars eenigen vorm van arbeid voorstelt, dan krijgt zij het te kwaad met haar aandoeningen, maar kan toch het feit niet verbergen, dat zij zeer beleedigd is. Het is misschien dwaas van haar, verklaart zij onder een tranenvloed, maar haar arme vader, die gewoonlijk in het leger gediend heeft, heeft vaak gezegd, dat geen dochter, die zijn naam droeg, ooit tot werken mocht afdalen en zij voelt aan zijn nagedachtenis verschuldigd te zijn deze edele houding te blijven aannemen en men is dan natuurlijk zoo beschaamd over het barbaarsche voorstel, dat men gaarne een schadeloosstelling betaalt.

Het heeft volstrekt geen nut een betrekking te zoeken voor een jongen man van deze soort, want de plaats, die gij voor hem vindt is of niet geschikt voor zijn bijzondere bekwaamheden of nadat hij er drie dagen geweest is, ontstaat er een geschil tusschen hem en den bestuurder der zaak, dat bewijst, dat die directeur niet gewoon is geweest met heeren om te gaan; en natuurlijk, zooals de moeder van den jongen man u vertelt, kan haar zoon de geschiedenis van de familie niet vergeten.

Als de bedelaar een handelsman is en gij zendt hem klanten, waarom hij inderdaad gebedeld heeft, dan zijn zijn waren zoo slecht, dat geen mensch ze gebruiken kan en de prijs is zoo hoog, dat niemand lust heeft hem te betalen; en daarbij behoort de handelsman gewoonlijk tot die hooge en machtige klasse, die niet zich wil verlagen tot het maken van iets op een andere, dan de degelijke, ouderwetsche wijze en die vooral niet, al moest men van honger omkomen, beneden den prijs wil leveren. Het feit is-het naakte feit-dat deze verheven handelaar niet wenscht te werken, zoolang dwaze menschen hem willen onderhouden.

Langzamerhand doorziet de vriendelijkste dominee bij de toeneming van het onderling verband tusschen de verschillende Kerken deze klasse en hij komt er toe hen te onderwerpen aan een flinke arbeidsproef, meenende dat vroomheid en bedelarij niet kunnen samengaan en weigerende te gelooven, dat ooit iemand zegen geniet onder zijne prediking, die niet wil werken voor zijn brood. Men mag ook aannemen, dat een Christelijke Gemeente, al was zij de licht geloovigste vereeniging op aarde, eindelijk al haar moed bijeen zal garen en tegelijkertijd haar gezond verstand te werk zal stellen en dan zal weigeren om de Christelijke kringen te maken tot een jachtveld voor fatsoenlijke bedelaars, zoodat de godsdienstige levensmoeden een nieuw middel zullen moeten uitvinden om te ontduiken aan de wet, dat wie niet werkt, niet zal eten.

En het geld, dat wordt bezuinigd op deze parasieten, worde gevoegd bij het fonds tot ondersteuning van emeritus-predikanten.

* * *

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022