* * *
Terwijl ik schrijf ligt voor mij op de tafel een beroep op de leden van een Christelijke Jongelingsvereeniging (Young Men's Christian Association) en ik schrijf het woordelijk af:
?Vergeet niet
De volgende gezellige bijeenkomst,
De volgende candy-pull,
De volgende feestelijke samenkomst,
Den volgenden zangdienst,
De volgende evangelische samenkomst,
Het volgende diner met kippenpastei,
Den volgenden datum, waarop gij den secretaris behoort te verblijden met uw penningen."
Deze merkwaardige opsomming van werkzaamheden, waarin evangelische ijver en bekwaamheid in zaken zich paart aan wat het vleesch aangenaam is, kan zonder uitleggen begrepen worden; de verschillende punten geven ons een duidelijke verklaring van een godsdienstige instelling op de hoogte van den tijd-een waar mengelmoes van een Amerikaansche Y. M. C. A.
Misschien heeft één afdeeling van het werk eene kleine opheldering noodig; er zijn wellicht eenige menschen, die in het algemeen goed op de hoogte zijn van de afdeelingen van Christelijk werk en die toch nog niet zoo ver met hun onderzoekingen gevorderd zijn, dat zij kwamen tot een ?candy-pull."
Deze afdeeling, als dit het juiste woord is, is een gezelschap jonge mannen en vrouwen, die te zamen komen om aan reepen kandij te trekken en men zegt dat in het geval, dat de twee sexen er aan mee doen, de bezigheid zeer uitlokkend is. Het kan ook zijn, dat dit kandij-trekken met het oog op de beteekenis van het woord Jongelingsvereeniging zich beperkt tot één sexe en daardoor beroofd wordt van de helft der aantrekkelijkheid, maar men mag aannemen dat in deze dagen van ?aangename" godsdienstige avondjes de jonge mannen toch niet behoeven overgelaten te worden aan hun eigen gezelschap.
De Christelijke Kerk en een Jongelingsvereeniging zijn natuurlijk zeer onderscheiden instellingen en de laatste is niet gebonden aan eenige overlevering van strenge waardigheid; maar men mag zich niet erover verwonderen, dat de Kerk ook eenigszins is getroffen door den geest van gezelligheid en ook haar best doet om den godsdienst een weinig onderhoudend te maken. Wanneer men in Amerika binnenkomt in wat men noemt een plaats van godsvereering, dan verbeeldt men zich in een salon te zijn. Er ligt een dik kleed op den vloer, er staan rijen stoelen, zooals men die in een schouwburg verwacht, een groot orgel trekt het oog en bij de plaats van den predikant vindt men een monsterbloemruiker; de menschen komen binnen met een vroolijk gezicht en groeten elkander heel opgewekt; bijna niemand buigt het hoofd tot een gebed en het gebouw wordt vervuld met een vroolijk gebabbel.
Daar maakt een man zich los uit een gesprek en loopt haastig door het gedrang naar het platform even vaak zonder een geestelijk kleed, als niet in leeken-kleeding. Dan treedt een kwartet naar voren en zingt met het gelaat gekeerd naar het gehoor een lofzang voor de vergadering, die niet opstaat, en later zingt datzelfde kwartet een tweede loflied ook voor de vergadering. Dan wordt er een gebed uitgesproken, er wordt uit de Heilige Schrift gelezen en de daaropvolgende preek is kort en schitterend. Onder andere wenken, dringt de dominee aan op het bijwonen van het Avondmaal met Paschen, waar, zoo als vermeld wordt op een papier, geplakt op de banken, oesters en vleeschspijzen zullen voorhanden zijn-ik vermoed een kalkoen-en ijs. Dit maal zal gediend worden in het spreekvertrek der kerk.
Nauwelijks is de zegen uitgesproken, die een oogenblik een ander voorkomen aan de bijeenkomst gaf, of de vergadering loopt haastig naar de deur; en ofschoon niemand kan begrijpen, hoe het in zijn werk is gegaan, staat de dominee daar reeds, handendrukkend en menschen aan elkaar voorstellende, ontsnappend aan menig lastig verzoek en in het algemeen alles luchtigjes opvattend. De een wenscht hem geluk met zijn ?speech"-een nieuwe naam voor een preek-terwijl een ander zegt, dat het ?prachtig" was.
Er zijn ook in Engeland pogingen aangewend om het kerkelijk leven werkelijk populair te maken, en in zekere stad, die de schrijver kent, zijn die pogingen in een eigenaardige richting niet geheel mislukt. Een der Kerken schafte zich een nieuwe verzameling nachtmaalschotels aan door de alledaagsche kunstgreep van een danspartij; onderscheidene Gemeenten gaven liefhebberij-tooneelvoorstellingen en een zeer ondernemend lichaam had een eigen schouwburgzaal. Bijbellezingen werden besloten, aan het einde van den cursus, met een souper; met Goeden Vrijdag maakte men landelijke uitstapjes, begeleid door een militair muziekkorps en een belangrijk deel van de inkomsten der Gemeente was afkomstig van gezellige vergaderingen van allerlei aard. Deze bijzondere stad is niets dan een staaltje van den algemeenen geest, langzamerhand opkomend in de Kerk in Engeland. De eene dominee gebruikt een tooverlantaarn om kracht bij te zetten aan zijn preek; een ander heeft een kroeg bij de inrichting van zijn Kerk; een derde behandelt het laatste moordenaarsschandaal; een vierde heeft een dienst met zang, een zigeuner of een gewezen bokser om de belangstelling in het Evangelie te doen herleven. Als het zoo voortgaat, dan zullen weldra een schouwburg en andere vermakelijkheden aan de Kerk worden toegevoegd, als aantrekkingsmiddel voor de jongelieden en om te voorkomen, dat de oude menschen zich gaan vervelen bij de godsdienstoefening.
Misschien is het door de boosheid van 's menschen natuur, die ons er toe brengt op nieuwe dingen te vitten en te hunkeren naar den goeden ouden tijd-die niet altijd goed was in alle opzichten-maar men is toch niet zeer ingenomen met de nieuwe verschijnselen en in het geheel niet overtuigd, dat het candy-pullstelsel in eenig opzicht een verbetering van het verleden is.
Na een weinig ondervinding van aangename sprekers en spreekvertrekken en soupers met roomijs en landelijke partijtjes, herinnert men zich met vernieuwden eerbied en diepe waardeering den dominee van den vroegeren tijd, met zijn eenvoudige kleeding, zijn waardige houding, zijn gevoel van verantwoordelijkheid, zijn beschaafd voorkomen, en wien men het aanzag, dat hij in stilte leefde in gemeenschap met God, terwijl hij sprak als een overbrenger van een boodschap van den Eeuwige. Hij maakte misschien niet zoo veel drukte bij het uitgaan van de kerk als zijn opvolger en was misschien ook niet zoo knap in de spelen en niet in staat om een zoo pakkende speech te houden over ?liefde, vrijerij en huwelijk." De lidmaten van zijn Gemeente hebben hem wellicht niet genoemd een ?schitterend man," en ook niet van hem gezegd, dat hij een ?eerste grappenmaker" was; ook hebben zij hem niet zoo dikwijls op de ?thee" gevraagd en het is zelfs toe te geven, dat hij bijna te vormelijk was; maar daar staat tegenover, dat zij van hem spraken als van ?een man Gods," en ?een goed man" en dat zij om hem zonden bij de moeielijkheden des levens, wanneer hun geweten hen pijnigde. Het is mogelijk, dat zij niet zoo met hem dweepten als met den nieuwerwetschen man, maar zij hadden eerbied voor hem, geloofden in hem, wat heel wat meer beteekent.
Men wordt ook getroffen door de verandering in de geheele omgeving van de godsdienstoefening en men kan verschillen van meening erover of het een voor- of een achteruitgang is. De kerk onzer vaderen was noch goed verlicht, noch wetenschappelijk geventileerd, noch voorzien van met zorg bewerkte kussens en het eenige karpet, dat er was, lag op de treden van den preekstoel. De hedendaagsche kerk is bekoorlijk versierd, en schitterend van ontelbare electrische lampen.
De dienst was in het verleden uit een muzikaal oogpunt onvolmaakt en over het algemeen te lang van duur. Tegenwoordig wordt de tenorzanger van het koor ontslagen, indien zijn stem versleten begint te lijken en de menschen spreken er van, hoe de lofzang is ?voorgedragen" of ?ge?ntoneerd"-misschien was het ?Heilig, heilig, driewerf heilig, almachtig Opperwezen"-en er wordt bekend gemaakt in de kerkekamer (of in de spreekkamer van den predikant) dat de bespreking der Heilige Schrift niet langer moet duren dan vijftien minuten-tien is nog beter-en dat de gebeden geen inbreuk moeten maken op de muziek en dat de preek, onverschillig welke het onderwerp ervan zij, al was het de Oordeelsdag, ?belangwekkend" moet zijn. In vroeger tijd noemde de Gemeente een preek ?stichtelijk" of ?onderzoekend" of ?opbouwend." Tegenwoordig zegt zij, dat de predikant ?in den stijl" was of zij klaagt er over, dat hij ?geen kleur bekende."
Er zijn ongetwijfeld veel punten, waarin de Gemeente van thans vooruitgegaan is bij die van vroeger, maar toch is niet alle verandering winst geweest, want het voornaamste bestanddeel van den eeredienst van het vroegere geslacht was eerbied-de menschen ontmoetten elkaar in tegenwoordigheid van den Eeuwige, voor Wien elk mensch minder is dan niets. En het voornaamste bestanddeel is tegenwoordig voor de kinderen van dat geslacht, die komen luisteren naar een koor en een knap spreker, zelfbehagen.
Het moet toegegeven worden, dat een van de oorzaken voor de verandering in den geest van het gemeente-leven een reactie is van het individualisme en een nieuwe opvatting van het gemeenschapsbegrip der Christelijke Kerk. Een godsdienstig mensch beschouwt zich zelf niet langer als een op zich zelf staande eenheid, afgezonderd van elk ander menschelijk wezen in de wereld en wiens hoofdbezigheid in het leven is, zijn eigen ziel te behouden. Hij heeft ervaren, dat zijn leven verband houdt met dat van zijn naasten en dat hij een deel uitmaakt van een vereeniging die zich over de geheele wereld uitstrekt; dat hij zijn menschheid niet moet verloochenen en dat hij, door anderen te behouden ook zich zelf redt. De wereld is niet langer een woestijn, die hij doortrekt als een pelgrim en vreemdeling, maar zijn geboorteplaats, waaraan hij de vervulling van een taak verschuldigd is en godsdienst is niet zoo zeer een ernstige toewijding aan God als wel een nuttig, liefderijk leven.
Het middelpunt der gedachte is feitelijk overgebracht van de eeuwigheid op het tijdelijke, van de vereering van God op het dienen der menschen. De eerste opvatting werd belichaamd in een Puriteinsche bijeenkomst, waar elke tegenwoordige in beteekenisvolle afwachting uitkeek naar een teeken van gunst van den Almachtige, of in de cathedraal, waar de menigte in stille aanbidding wegzonk bij het opheffen van de hostie. De andere gedachte is voelbaar in het gebouw, dat meer concertzaal is dan kerk, waar een aantal fatsoenlijke menschen in opgeruimde stemming en vol van vriendschappelijke gevoelens samenkomen om te trachten elkander te bewegen tot goede daden en om liederen te zingen. De oude vreeze des Heeren schijnt geheel verdwenen en met die vrees is eveneens heengegaan het gevoel voor het onzienlijke, wat eens de bezieling van den eeredienst uitmaakte.
Godsdienst, het wordt met grooten nadruk verdedigd, moet niet alleen voldoen aan de behoeften der ziel, maar ook aan die van geest en lichaam, opdat een Christen niet buiten de Kerk gelegenheid tot beschaving of vermaak behoeve te zoeken. Indien hij begeerte heeft naar ontspanning, dan moet zijn Kerk hem de uitspanningen verschaffen, zoodat hij niet noodig heeft in de wereldsche maatschappij te gaan en hoeveel of hoe weinig ontwikkeld zijn verstand ook moge zijn, zijn geestelijk tehuis moet zijn smaak voldoen. Zijn letterkundige vereeniging, zijn bijeenkomsten tot oefening in welsprekendheid, zijn gelegenheid om bezoekers te ontvangen en zijn concertzaal moeten alle onder één dak zijn, opdat de jonge Christen beveiligd worde tegen verleiding.
Daar deze neiging tot het gezellig maken van het Gemeenteleven elk jaar duidelijker wordt en nieuwe uitvindingen op dat gebied voortdurend gedaan worden, is het vergeefsche moeite aan te dringen op terugkeer tot den eenvoud van het verledene, toen een Gemeente een vereeniging van menschen was, die samenkwamen om God te vereeren en Zijn wil te leeren kennen; maar het kan toch zijn nut hebben, te bespreken hoe in sommige opzichten een achteruitgang valt aan te wijzen. Want dat is zeker, indien het Gemeenteleven moet gaan voldoen aan allerlei andere eischen, dan moet er een ander soort van predikanten komen.
Voor deze soort van inrichting is er weinig behoefte aan een leeraar om een Bijbel te verklaren of aan den herder om het karakter zijner kudde te vormen en voorzeker zou zulk een niet worden gewaardeerd. De voornaamste eisch, waaraan voldaan moet worden, is dat de predikant zij een scherpzinnig man, met de talenten van een impressario, een handelsreiziger en een vendumeester in zich vereenigd, met een heel klein tintje van een rondreizend evangelist. Inplaats van een studeerkamer, welks wanden bedekt zijn met boeken van ernstige godgeleerdheid en klassieke letterkunde, geve men hem een kantoor met een loketkastje voor zijn programma's en eindelooze briefwisseling; kasten voor dikke boeken met uitknipsels uit dagbladen en verslagen van andere genootschappen; een altijd tjingelende telefoon en een verzameling van handboeken, als: ?Hoe men een preek maakt in een half uur", of ?Een duizendtal treffende anecdoten van het zendingsveld".
Hier zit een vlugge, levendige, vindingrijke directeur, met zijn snelschrijfster aan een hoektafeltje, een dik boek opslaande om te zien aan wie het eerstkomende bezoek moet gebracht worden, en een ander boek doorsnuffelende naar bijzonderheden omtrent gezinnen of een haastig onderzoek instellende in aan een lias geregen voordrachten van bekende sprekers over eenig onderwerp, dat dienen kan voor den volgenden Zondag. Van den morgen tot den avond tobt hij zich af met telephoneeren, telegrafeeren, dicteeren, bij elkaar zoeken, rondvliegen, hier een gezelligen avond, daar een ?schitterende bijeenkomst" te leiden, ?speechen" af te steken, menschen te ontvangen-hij is een onvermoeid, handig, volhardend man. Niemand kan nalaten zijn veelzijdigheid te bewonderen of de eerlijkheid van zijn bedoeling te erkennen; maar als hij nu inderdaad het type is van den dominee der toekomst, dan zal hij een beter mensch terzijde schuiven en uitsluiten.
Er zijn menschen, die alle ge?ischte talenten van geleerdheid bezitten en aan wier inzicht, toewijding en liefde niets ontbreekt, maar die toch ten eenemale ongeschikt zijn om een kerk te ?drijven" naar de hedendaagsche manieren. Zij zouden een ziel in geestelijk gevaar kunnen leiden, maar zij hebben geen talent om jonge lieden te vermaken; zij kunnen het Eeuwig Evangelie van de Goddelijke Offerande verklaren, maar zij hebben geen handigheid in het behandelen eener machine; zij kunnen de beginselen der gerechtigheid uitleggen, maar zij weigeren zich te bemoeien met een onlangs plaats gehad hebbende werkstaking van motorbestuurders.
Wat het voordeel betreft, door die nieuwigheden gebracht, is het de vraag of het gezellig maken van de kerk haar geloof en leven aantrekkelijk zullen maken? Als er een wedstrijd zou komen tusschen de vermaken van de kerk (of haar feesten) en de vermakelijkheden der wereld (en haar feesten,) is er dan één verstandig mensch, die gelooft, dat de kerk zou winnen? Gelijk aan Caesar biedt de wereld haar prachtige schouwspelen aan; de Kerk, als Christus, biedt het overwinnend Kruis.
Waarom zou de Kerk haar verheven standpunt verlaten en nederdalen in het worstelperk, waar zij beschaamd zal worden? Komen de menschen ter kerk voor nietige vermaken, alleen geschikt voor kinderen of om te voldoen aan de behoeften hunner ziel en ter bevestiging van hun geloof? Zou ooit het Christendom een begin van bestaan gehad hebben, indien de Apostelen ?aangename preekers" geweest waren en ?schitterende mannen", wanneer zij zich hadden ingelaten met ?gezellige bijeenkomsten" en ?bazars" of ?speeches!" De Kerk zegevierde door hun geloof, hun heiligheid, hun moed en door deze verheven deugden moet zij in deze eeuw ook staande blijven. Zij is de getuige der onsterfelijkheid, het geestelijk tehuis van zielen, de dienaresse der armen, de beschermster van wie verlaten zijn; en als zij afdaalt tot een plaats van tweede-rangs-vermakelijkheid, dan ware het beter dat haar geschiedenis eindigde, want zonder haar geestelijke vizioenen en ernstige idealen is de Kerk niet waard in stand te worden gehouden.
* * *