Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 9 No.9

Het groote Cypressenbosch.

Het Washington-meer, dat over zijne lengte-as gemeten, eene uitgestrektheid van een tiental mijlen heeft, is een der minstbelangrijke waterbekkens in dit gedeelte van zuidelijk Florida. De diepte van dat meer is onbeduidend, terwijl de vaart er op nog bemoeilijkt wordt door de groote hoeveelheden grassoorten, die door den stroom van de oevers gescheurd zijn en op de wateroppervlakte drijven. Dit waren slangennesten, die het verblijf daartusschen zeer gevaarlijk maakten.

Het meer was dan ook geheel verlaten, evenals zijne oevers, die voor de jacht en visscherij weinig gelegenheid aanboden. Uiterst zeldzaam waagden de vaartuigen, die de Sint John bevoeren, zich op dien plas.

Bij het uiteinde van het meer herneemt de Sint John haren loop weer, terwijl hare richting dan geheel en al naar het zuidelijk gedeelte van het schiereiland gewend is.

Het is dan slechts een beekmeer, zonder diepte, welks bronnen op dertig mijlen meer zuidwaarts tusschen den 27sten en 28sten noorderbreedtegraad aangetroffen worden.

Voorbij het Washington-meer is de Sint John niet meer bevaarbaar. En hoe betreurenswaardig dit voor master James Burbank en zijne tochtgenooten ook was, zoo waren zij evenwel genoodzaakt den waterweg te verlaten, om hunnen tocht te vervolgen, te midden van eene streek vol hindernissen, die voor het grootste gedeelte uit moerassigen bodem bestond en met onafzienbare bosschen overdekt was, waarin smoorkuilen in den vorm van modderpoelen aangetroffen werden. Zij wisten dan ook vooruit, dat hunne voetreis daar aanmerkelijke vertraging zou ondervinden.

Men ontscheepte. De wapens en de eenmansvrachten, waarin de voorraad levensmiddelen en muniti?n besloten waren, werden onder de negers verdeeld. Maar de regeling daarvan was zoodanig geschied, dat die bepakking niemand der expeditie hinderlijk kon zijn, of dat gevreesd mocht worden, dat iemand overladen zou zijn. Dus van dien kant was geene vertraging te vreezen. Alles was vooruit besproken en geregeld. Wanneer halt gemaakt en gerust zoude moeten worden, dan kon het kamp binnen weinige oogenblikken ingericht zijn en betrokken worden.

Het eerste wat na de ontscheping verricht moest worden, was het vaartuig, dat hen tot hier gebracht had, op veilige plaats te brengen. Gilbert Burbank, geholpen door Mars, nam die taak op zich. Het was toch zaak die sloep aan het bespiedend oog te onttrekken van de rondzwervende Floridasche partijgangers of der Seminool-Indianen, die de oevers van het Washington-meer mochten bezoeken. Men moest verzekerd zijn, haar weer op een gegeven oogenblik terug te kunnen vinden, om de Sint John af te zakken. Eindelijk vond men eene gunstige plek onder zware maar laag afhangende takken, tusschen reusachtige biezen en rietstengels, welke die plaats als het ware beveiligden. Daar kon een soort van kom ingeruimd worden, waarin het vaartuig, welks mast alvorens gestreken was, verborgen kon worden. En de sloep was daarin zoodanig onder de massa groen verscholen, dat zij onmogelijk van den oever ontdekt kon worden.

Zoo was zeer waarschijnlijk, ja ongetwijfeld ook geschied met een ander vaartuig, in welker terugvinding Gilbert Burbank voorzeker veel belang stelde. Zoo was geschied met de sloep, die de kleine Dy en Zermah naar het Washington-meer overgevoerd had. Het was duidelijk, dat Texar door de verdere onbevaarbaarheid der rivier genoodzaakt was geweest, om zijn vaartuig in de nabijheid van dien trechter te verlaten, waardoor het meer zijne wateren in de rivier uitstort. Wat master James Burbank genoopt was te verrichten, zou de Spanjaard ook verplicht geweest zijn te doen.

Daarom ondernam men gedurende de laatste uren, dat het daglicht nog te benutten was, de meest nauwkeurige nasporingen, om dat vaartuig van Texar uit te vinden. Dat zou een kostbare aanwijzing en het onwraakbare bewijs zijn, dat de Spanjaard den loop der Sint John tot het Washington-meer gevolgd had.

Die nasporingen leidden tot niets. Hoe het ook zij, òf dat de onderzoekingstocht niet ver genoeg uitgestrekt was geworden, òf dat de Spanjaard het vaartuig voorzichtigheidshalve en ook in de meening verkeerende, het niet meer noodig te hebben, vernield had, genoeg zij het, dat geen spoor van eene sloep ontdekt werd.

Op den 23sten verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk. (Bladz. 139).

Maar hoe moeielijk moest de af te leggen afstand tusschen het Washington-meer en de Everglades geweest zijn! Geen rivier meer om die arme vrouw en dat teere meisje de ontzettende vermoeienissen en inspanningen, daaraan verbonden, te besparen. Voorzeker zou de mestische vrouw de kleine Dy in hare armen gedragen hebben. Maar de gedachte alleen, wat die arme Zermah bij dien tocht te lijden zal gehad hebben, doet onwillekeurig ijzen. Want gedwongen als zij was om die mannen te volgen, die aan dergelijke tochten door dat moeielijke terrein gewoon waren, zullen haar geene beleedigende woorden, geen gewelddadigheden, geen slagen gespaard zijn geworden, om haar te dwingen hare schreden te verhaasten. Hoe dikwerf zou zij niet gevallen zijn bij hare pogingen, om, zonder aan zich zelve te denken, het kleine meisje te beveiligen. Dat alles zweefde onzen veldontdekkers levendig voor den geest. En als Mars er aan dacht aan welk lijden, aan welke martelingen zijne echtgenoote blootgesteld was, dan beefde hij van woede, dan verbleekte hij van toorn en dan ontsnapte aan zijne lippen de woorden:

?O, ik zal Texar dooden!"

Hoezeer wenschte hij om reeds op het eiland Garneral aangekomen te zijn, om zich van aangezicht tot aangezicht te bevinden met den aterling, wiens kuiperijen zooveel lijden aan de familie Burbank veroorzaakt hadden en die daarenboven Zermah, zijne echtgenoote, ontvoerd had.

Het kampement was op het uiteinde van eene kleine kaap, welke zich in het noordelijk gedeelte van het meer uitstrekte, opgeslagen. Het zou niet met eene doelmatige voorzichtigheid gestrookt hebben, wanneer men een nachtelijken tocht op dat onbekende terrein, waarbij de blik slechts een beperkten gezichtskring kon overzien, zoude aanvaarden. Men had dan ook, na eene korte beraadslaging, besloten, dat men den dageraad zoude afwachten alvorens den tocht te hervatten. Het gevaar om te verdwalen te midden van dat dichte woud was te groot, om zich daaraan te mogen blootstellen.

De nacht ging zonder eenig meldenswaardig voorval voorbij. Tegen vier uur, toen de eerste lichtstralen zich baan begonnen te breken, werd het sein van vertrek gegeven. De helft van het personeel, waaruit de expeditie bestond, was voldoende om de vrachten levensmiddelen en de kampementsbenoodigdheden te dragen en te vervoeren. De negers konden elkander bij die corvee dus aflossen.

Allen, zoowel meesters als dienaren, waren gewapend met Miniékarabijnen, die met een kogel en vier zware hagelkorrels geladen waren, en met Colt-revolvers, welker gebruik sedert den secessiekrijg bij beide partijen der oorlogvoerenden zoo veelvuldig geworden was. Onder deze omstandigheden mocht onze troep in staat geacht worden, om met hoop op goeden uitslag het hoofd te kunnen bieden aan eene bende van zestig Seminool-Indianen, ja zelfs om Texar aan te kunnen vallen, al ware hij ook door een gelijk aantal zijner partijgangers omgeven.

Men had het doelmatig geacht, om zoolang zulks doenlijk was, langs en evenwijdig aan de Sint John te marcheeren. De hoofdstrekking der rivier was steeds naar het zuiden, dus in de richting van het meer Okee-cho-bee. Zij deed den dienst van Ariadne-draad te midden van het doolhof in het woud gespannen. Men kon dien draad volgen, zonder gevaar te loopen verdwaald te raken. En zoo deed men dan ook.

Trouwens dat ging gemakkelijk genoeg. Op den rechter-oever vertoonde zich toch een voetpad-een soort van jaagpad, waarlangs het mogelijk was een heel licht vaartuig tegen den bovenstroom op te halen. Men marcheerde met vluggen pas voorwaarts, Gilbert Burbank en Mars voorop, daarna master Perry te midden zijner negers, die elkander bij het dragen der levensmiddelen en kampementsbenoodigdheden om het uur aflosten, en daarachter master James Burbank en Edward Carrol. Men had, alvorens te vertrekken, een flink ontbijt genoten. Men zou tegen het middaguur halt maken, om te dineeren, tegen zes uren om te avondmalen; men zou kampeeren wanneer het nachtelijk duister niet meer veroorloven zoude om den tocht voort te zetten; men zou den marsch hervatten, wanneer het bleek mogelijk te zijn zich een weg door het woud te banen. Zoodanig was het plan dat men ontworpen had en dat stipt opgevolgd zoude worden.

Vooreerst had men den oostelijken oever van het Washington-meer te volgen. Die oever was over het algemeen geheel vlak en bestond zijn bodem gedeeltelijk uit mul zand. Wel bestonden er bosschen, maar die waren, noch wat uitgestrektheid, noch wat dichtheid betreft, te vergelijken met diegenen, welke men later aantreffen zoude. De reden daarvan lag geheel in de geaardheid zelve dier gewassen.

Men ontmoette veel struikgewas, dat den marsch zeer vertraagde; maar tegen den avond was dat doorgeworsteld en betrad men het groote cypressenbosch, dat zich tot bij de Everglades uitstrekt.

Men had gedurende dien eersten dag ruim twintig mijlen afgelegd. Gilbert vroeg dan ook aan zijne tochtgenooten, of zij zich niet te zeer vermoeid gevoelden.

?Wij zijn gereed om verder te trekken," antwoordde een der negers, die in naam zijner makkers sprak.

?Maar loopen wij geen gevaar gedurende den nacht te verdwalen?" vroeg Edward Carrol.

?Geenszins," antwoordde Mars, ?daar wij steeds bij de Sint John blijven."

?Bovendien," meende de jeugdige officier, ?de nacht zal helder zijn, daar de hemel geheel wolkeloos is. De maan, die tegen negen uur opgaat, zal den geheelen nacht schijnen. Daarenboven is de bladerenkruin der cypressen zeer dun, zoodat de duisternis in dit woud zoo erg niet is als in ieder ander."

Men vertrok dus. Toen de dag aanbrak, maakte de kleine troep halt aan den voet van een buitengewoon dikken cypresboom, om te ontbijten.

Gedurende dien tweeden dag werd geen enkel spoor waargenomen, dat op de tegenwoordigheid van benden Zuidelijken of van zwervende troepen Seminool-Indianen kon duiden. Ook werd niets omtrent Texar of zijne makkers vernomen. Het was mogelijk dat de Spanjaard den linker-oever der rivier gevolgd had. Maar wat zou dat? Dat zou geen hinderpaal opleveren. Men begaf zich, of men den eenen of den anderen oever der Sint John volgde, even direct naar dat gedeelte van Beneden-Florida, hetwelk door het briefje van Zermah aangeduid werd.

Toen de avond viel, hield het troepje van James Burbank halt, en rustte gedurende zes uren.

Na middernacht werd de marsch in allerijl voortgezet. Niets deed zich voor, wat vertraging kon veroorzaken. Het woud was eenzaam en stil. De maan, die reeds den sikkelvorm vertoonde, wierp vreemde schaduwen door het ijle loof van het hooge geboomte. Het water der rivier murmelde zachtkens. Vele zandbanken werden aan de oppervlakte ontwaard, en het kwam allen voor, dat het niet moeielijk kon zijn den overkant der rivier te bereiken, wanneer dat noodig mocht geoordeeld worden.

Den volgenden morgen hervatte de troep, na eene rust van twee uren, den tocht steeds in zuidelijke richting. Intusschen raakte men dien dag den geleiddraad, dien men tot nu toe gevolgd had, kwijt. En inderdaad, de Sint John, die nog slechts een onbeduidend sprankje was, verdween onder een boschje kinaboomen, die zich aan zijne bron laafden. Verderop strekte zich het onmetelijke cypressenwoud uit en bedekte het drie vierde gedeelte van den omtrek van den gezichteinder.

Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken godsdienst bekeerd waren en tot in den dood trouw aan het Katholieke geloof gebleven waren. Hier en daar verhieven zich bescheiden eenige kruisen, sommigen van steen, anderen van hout, maar allen geplant op eene lichte zoeling van den grond, die de plaatsen der graven tusschen de boomen aanduidden. Hier en daar ontwaarde men enkele begraafplaatsen boven den grond. Dat waren lijken of geraamten, die aan in den grond geplante takken vastgebonden waren en naar den drang van den luchtstroom heen en weer wiegelden.

?Het bestaan van een kerkhof in deze streek," merkte Edward Carrol op, ?duidt op de nabijheid van een dorp of een gehucht..."

Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde. (Bladz. 141)

?Dat evenwel niet meer bestaat," antwoordde Gilbert, ?daar men er geen spoor van op onze kaarten vindt. Die verdwijning van geheele dorpen komt maar al te dikwijls in Beneden-Florida voor, hetzij dat zij door hunne bewoners verlaten werden, hetzij zij door de Indianen verwoest werden."

?Gilbert," vroeg James Burbank, ?hoe zullen wij thans handelen, nu wij de Sint John niet meer tot gids hebben?"

?Wij moeten thans op het kompas marcheeren, vader," antwoordde de officier. ?Hoe uitgebreid en hoe dicht dit woud ook moge wezen, is het onmogelijk dat wij daarin verdwalen."

?Welnu, voorwaarts dan, master Gib!" riep Mars uit, die vooral gedurende de halten en rusttijden ongeduldig en onrustig was. ?Welnu, voorwaarts en dat God ons geleide!"

Toen men het Indiaansche kerkhof een halve mijl achter den rug had, trok de kleine troep het woud in, alwaar men slechts met behulp van het kompas kon marcheeren. De richting bleef zuidelijk.

Gedurende het eerste gedeelte van dien dag viel niets meldenswaardigs voor. Tot nu toe had niets dien onderzoekingstocht vertraagd of ook maar hinderpalen in den weg gelegd. Zou dat zoo tot het einde toe blijven? Zou men het doel, waarnaar men streefde, bereiken, of zou de familie Burbank aan de wanhoop ten prooi blijven? Het zou toch eene voortdurende marteling moeten heeten, wanneer de kleine Dy en Zermah niet gevonden werden, terwijl men wist aan welke ellende, aan welke vernederingen, aan welke beleedigingen zij blootgesteld waren, en dan zich bewust te zijn haar niet te kunnen verlossen!

Tegen het middaguur werd halt gemaakt.

Gilbert, die zorgvuldig den afstand berekende, dien men van het Washington-meer af had afgelegd, giste dan dat men zich nog op vijftig mijlen van het meer Okee-cho-bee bevond. Men was nu acht dagen onderweg sedert men Camdless-Bay verlaten had, en in die acht dagen had men driehonderd mijlen of ruim honderdveertig uren gaans afgelegd, hetgeen eene buitengewone snelheid mag genoemd worden. Het is waar, dat men op de rivier tot in de nabijheid harer bronnen en daarna in het cypressenbosch geene noemenswaardige hinderpalen of vertragingen had ondervonden. Gelukkig waren geene stortregens gevallen, die de Sint John door buitengewonen watertoevoer onbevaarbaar hadden kunnen maken, en de terreinen verderop hadden kunnen doorweken. Gelukkig hadden zij slechts heldere nachten en zeer veel nut van het maanlicht gehad; zoodat alles zoo gunstig mogelijk was medegeloopen.

Thans scheidde hen nog maar een betrekkelijk kleine afstand van het eiland Garneral. Men hoopte dat doel binnen tweemaal vier-en-twintig uren te bereiken. En dan zou de ontknooping, die evenwel niet te voorzien was, wel volgen.

Maar al had hun goed gesternte hen tot nu toe voor wederwaardigheden behoed, zoo moest master James Burbank er op bedacht zijn, dat men gedurende het tweede gedeelte van dien dag op bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou kunnen stuiten.

De tocht was, nadat men het middagmaal genuttigd had, onder den gewonen marschvorm hervat geworden. Niets ongewoons werd betrekkelijk de geaardheid van het terrein ontwaard.

Intusschen hield Mars des namiddags tegen vier uur ongeveer, plotseling halt. Toen zijne tochtgenooten hem ingehaald hadden, maakte hij hen opmerkzaam op voetstappen, die in den moerassigen grond afgedrukt waren. Men onderzocht die sporen ten nauwkeurigste.

?Er valt niet aan te twijfelen," zei master James Burbank, ?een troep menschen is hier kort geleden voorbijgekomen."

?Een talrijke troep," vulde Edward Carrol aan.

?Van welken kant komen die voetstappen en waarheen richten zij zich?" vroeg Gilbert.

?Ja, van welken kant en waarheen? Dat is zoo gemakkelijk niet na te gaan," merkte master James Burbank op.

?En het is toch noodzakelijk, dat dit ten nauwkeurigste opgespoord worde," antwoordde zijn zoon.

?Waarom?" vroeg Edward Carrol.

?Omdat wij zonder stipte inlichting dienaangaande geen besluit kunnen nemen."

Dat begreep iedereen en de gevorderde nasporingen werden met de grootste nauwkeurigheid verricht.

Over een afstand van meer dan vijfhonderd meters en zelfs verder kon men de indrukken van die voetstappen volgen. Het werd onnoodig geacht hen verder op te sporen. Uit de richting van die voetstappen bleek, dat een troep van ongeveer honderdvijftig tot tweehonderd man, na de kuststreek van den Atlantischen Oceaan verlaten te hebben, dit gedeelte van het cypressenwoud doorgetrokken was. Die sporen werden in westelijke richting waargenomen en wendden zich naar de Golf van Mexico, zoodat die troep blijkbaar het geheele Floridasche schiereiland doorgetrokken was, dat op deze breedte niet minder dan tweehonderd mijlen uitgestrektheid van zee tot zee meet. Men merkte tevens op, dat dit detachement juist op dezelfde plek, die door Master James Burbank en zijne tochtgenooten thans bezet was, halt gemaakt en rust genoten had en dat het den marsch in dezelfde richting vervolgd had, welke onze opspoorders volgen moesten.

Gilbert Burbank waarschuwde zijne makkers, om tegen iedere verrassing waakzaam, tegen iederen overval op hunne hoede te zijn. Hij plaatste op een paar punten schildwachten, om het terrein voortdurend te overzien. Daarna ging hij, vergezeld van Mars, op verkenning uit, en kon, nadat hij even een kwart mijl door het bosch was gemarcheerd, constateeren, dat die voetstappen zich beslist in zuidelijke richting uitstrekten.

Ziet hier wat Gilbert Burbank rapporteerde, toen hij met Mars van zijne veldontdekking in het kampement teruggekomen was.

?Een troep menschen is ons vooruit, die van het Washington-meer af nauwkeurig denzelfden weg van ons volgt. Die troep is gewapend en het bewijs daarvan hebben wij gevonden in papieren patroonhulzen, die men gebezigd heeft, om de wachtvuren aan te maken, waarvan wij de asch en de gebluschte houtskolen aangetroffen hebben."

?Wie zijn die mannen?" vroeg zijn vader hem.

?Dat weet ik niet," antwoordde Gilbert Burbank. ?Wat zeker is, dat is dat zij talrijk zijn en dat zij naar de Everglades marcheeren."

?Kunnen het geene zwervende Seminool-Indianen zijn?" vroeg Edward Carrol.

?Neen," antwoordde Mars beslist.

?Waaruit maakt gij dat op?"

?Hun voetafdruk wijst er duidelijk op, dat het Amerikanen zijn..."

?Misschien wel Floridasche militie-troepen?" merkte master James Burbank vragend op.

?Dat is inderdaad te verwachten," antwoordde de administrateur Perry.

?Waarom zou dat eerder te verwachten zijn dan de ontmoeting met Seminool-Indianen?" vroeg Edward Carrol.

?Omdat die Indianen slechts bij kleine troepen rondzwerven. En zooals gij ziet, is de troep, die hier voorbijtrok, vrij talrijk. Het kan zelfs de bende partijgangers van Texar niet zijn."

?Waarom niet?"

?Omdat ook die zoo talrijk niet is," antwoordde master Perry.

?Het zou toch kunnen zijn, dat zich een detachement militie-troepen bij hem en zijne partijgangers aangesloten had," meende Edward Carrol, ?in welk geval die troep een paar honderd man sterk kon zijn..."

?Tegenover zeventien!..." zuchtte de administrateur.

?Om het even!" riep Gilbert Burbank uit. ?Niemand onzer zal terugdeinzen, niet waar, hetzij wij aangetast worden, hetzij wij aanvallenderwijs te werk moeten gaan."

?Neen!... niemand onzer..." riepen de moedige tochtgenooten van den jeugdigen officier.

Hier trof men een kerkhof van Indianen aan, die tot den Christelijken Godsdienst bekeerd waren. (Bladz. 152).

Dat werd geantwoord in een oogenblik van natuurlijke geestdriftvolle vervoering. En toch bij eenig nadenken moest een ieder tot het besef komen van den hachelijken toestand, waarin men zich bevond en hoeveel gevaren de omstandigheden konden doen geboren worden.

Toch verminderde die gedachte, in weerwil zij in ieders brein ontkiemde, niemands moed. Maar zoo'n hinderpaal zoo dicht bij het doel te ontmoeten, was dat niet om wanhopig te worden? En welke hinderpaal nog! Een detachement Zuidelijke troepen, misschien partijgangers van Texar, die poogden zich in de Everglades bij den Spanjaard te voegen, ten einde het gunstige oogenblik af te wachten om weer in het Noordelijk gedeelte van Florida te kunnen optreden.

Ja, dat was het, wat men voorzeker te duchten had. Dat gevoelden allen. Toen het eerste oogenblik van geestdrift voorbij was, zwegen dan ook allen stil en schenen, terwijl zij den jeugdigen aanvoerder aanstaarden, in nadenken verzonken en zich af te vragen, welke bevelen hij zou verstrekken.

Ook Gilbert was onder den indruk van de algemeene bekommering geraakt. Hij echter verhief fier het hoofd.

?Voorwaarts!" beval hij.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022