Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 7 No.7

Laatste woorden en laatste verzuchting.

Dienzelfden dag, den 17den Maart, vertrokken master James Burbank, zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter miss Alice, alsook Mars, de echtgenoote van Zermah, naar Camdless-Bay en kwamen weinige uren later op Castle House aan.

Helaas, men kon, men mocht de waarheid voor mevrouw Burbank niet verborgen houden.

Der ongelukkige moeder werd daardoor andermaal een slag toegebracht, die in den staat van zwakte en uitputting, waarin zij zich bevond, hoogst noodlottig, ja doodelijk in zijne gevolgen kon worden.

Die laatste poging om zich omtrent het lot van het meisje en de kindermeid te vergewissen, of om haar op het spoor te komen, was volkomen mislukt. Texar had daarop niet geantwoord en was in zijn stilzwijgen volhard. En hoe zou men hem hebben kunnen dwingen te bekennen waar die twee vrouwen waren, nu hij beweerde de ontvoering niet gepleegd te hebben? Maar niet alleen beweerde hij dat, hij had het ook bewezen door een alibi, niet minder onverklaarbaar dan al de voorgaande, dat hij niet in de Marino-Kreek had kunnen zijn op het oogenblik dat de misdaad bedreven werd.

Daar hij omtrent de tegen hem ingebrachte beschuldigingen vrijgesproken was, kon hem de keuze niet meer aangeboden worden tusschen eene straf en eene openbaring, die op het spoor der slachtoffers had kunnen brengen.

?Maar als Texar de schuldige niet is," herhaalde Gilbert Burbank, ?wie is het dan?"

?Die misdaad kan door zijne lieden bedreven zijn," antwoordde master Walter Stannard, ?zonder dat hij er bij tegenwoordig geweest is."

?Dit is de eenige aanneembare uitleg, die te geven is," hernam Edward Carrol.

Zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat Kolonel Gardner tot het verhoor overging. (Bladz. 98).

?Neen, vader, neen mijnheer Carrol," betuigde miss Alice Stannard, ?Texar bevond zich in het vaartuig dat onze arme kleine Dy ontvoerde! Ik heb hem gezien en goed ook... Ik heb hem herkend en degelijk herkend, toen Zermah bij haar laatste hulpgeschrei zijn naam uitgilde. Nogmaals en blijf ik daarbij: ik heb hem gezien!... ik heb hem gezien!"

Het jonge meisje uitte die betuiging met eene opmerkelijke geestdrift en zeggingskracht.

Maar wat kon er op die formeele bewering geantwoord worden?

Van haar kant was eene vergissing onmogelijk, zoo betuigde zij te Castle-House evenals zij dit voor den krijgsraad gedaan had.

En toch, wanneer het waar was, dat zij zich niet vergiste, hoe was het dan toch mogelijk, dat de Spanjaard zich onder de krijgsgevangenen van Fernandina bevonden had, die aan boord van de kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont in verzekerde bewaring genomen waren?

Dat was een onverklaarbaar, een onoplosbaar raadsel, voorwaar! Dat moet erkend worden.

Maar al was ook de twijfel in het gemoed van de overigen gerezen, in dat van Mars bestond die niet. Hij trachtte niet te begrijpen, hij poogde zich geen rekenschap te geven omtrent hetgeen hem onverklaarbaar voorkwam. Hij was vast besloten het spoor van Texar te volgen en zou, wanneer hij hem weervond, hem wel noodzaken zijn geheim te openbaren, al zou hij hem door pijniging of door andere gewelddadigheden dat ontrukken.

?Gij hebt gelijk, Mars," antwoordde Gilbert Burbank, wien de mesties zijne voornemens mededeelde.

?Gij hebt gelijk, Mars. Maar als het noodig is, moeten wij onze taak zonder hulp van dien ellendeling weten te volbrengen, daar niemand weet waarheen hij getrokken is!... Wij moeten onze nasporingen hervatten!... Ik heb verlof gekregen om te Camdless-Bay te blijven als dit noodig zal blijken, en reeds morgen zullen wij..."

?Ja zeker, master Gilbert, reeds morgen zullen wij ons op weg begeven!" antwoordde Mars.

?Ja, dat zullen wij."

De mesties begaf zich naar zijne woonkamer, alwaar hij zoowel aan zijne droefheid als zijn toorn den vrijen teugel kon vieren. Tot zeer laat zou men hem in zijn vertrek op en neer hebben kunnen hooren loopen. Eindelijk scheen hij toch rust te genieten; maar toen was de morgenstond nabij.

Het daglicht vond Gilbert Burbank en Mars reeds bezig met de toebereidselen tot hunnen tocht. Zij zouden dien dag geheel en al besteden met het nauwkeurig onderzoeken van de geringste kreken en van de kleinste eilanden, die bovenstrooms van Camdless-Bay op de beide rivieroevers der Sint John aangetroffen worden. Voorwaar geen geringe taak.

Master James Burbank en Edward Carrol zouden gedurende hunne afwezigheid de toebereidselen treffen tot het volvoeren van een meer uitgestrekten onderzoekingstocht. Levensmiddelen, muniti?n, transportmiddelen, het benoodigde personeel, dat alles werd met zorg bij elkander gebracht, en niets zou verwaarloosd of uit het oog verloren worden, dat een gunstig welslagen zou kunnen bevorderen.

Al moest men ook tot de woeste streken van Beneden-Florida doordringen, al moest men door de moerassige vlakten van het zuiden, dwars door de Everglades trekken; neen, men zou voor niets terugdeinzen.

Het kon toch tot de onmogelijkheden gerekend worden, dat Texar het Floridasche grondgebied verlaten had. Wanneer hij zich toch noordwaarts begeven had, dan zou hij op de federalistische troepen gestuit hebben, die op de grens van den Staat Georgi? als een ondoordringbaren muur vormden.

Wanneer hij langs den zeekant zou hebben willen ontsnappen, dan zou hij hebben moeten pogen langs de zee?ngte van Bahama te stevenen, om eene toevlucht op de Lucai?sche eilanden te vinden, die aan Engeland toebehooren. Maar de vaartuigen van den Commodore Dupont hielden de vaarwaters bezet van Mosquito-Inlet af tot aan den ingang van genoemde zee?ngte. Die kanonneerbooten en hare sloepen blokkeerden de geheele kuststrook volkomen. Neen, van dien kant bood zich geen enkele gunstige gelegenheid voor den Spanjaard aan, om te kunnen ontsnappen.

Hij moest nog in Florida zijn en moest zich ongetwijfeld sedert veertien dagen daar verscholen houden, waar de Indiaan Squambo zijne slachtoffers gevangen hield.

De tocht, die door master James Burbank beraamd werd, had dus ten doel om het spoor van Texar over de geheele uitgestrektheid van het Floridasche grondgebied te zoeken.

Trouwens dat geheele grondgebied genoot thans de meest gewenschte rust, die men aan de tegenwoordigheid der federalistische troepen verschuldigd was en aan de vaartuigen van den Commodore Dupont, die de oostelijke kusten blokkeerden.

Het zal wel niet behoeven verzekerd te worden, dat de rust te Jacksonville ook gehandhaafd werd. De vroegere autoriteitspersonen hadden hunne zetels in het stedelijk bestuur hernomen. Geen burgers, geen ingezetenen werden gevangen genomen of ook maar verontrust voor hunne lauwe of voor hunne vijandige staatkundige gevoelens. De aanhangers en handlangers van Texar waren evenwel uit elkander gejaagd. Hun opperhoofd had het daarenboven veiliger geacht van het eerste oogenblik in het gevolg der terugtrekkende Floridasche militie-troepen te verdwijnen.

Wat ook niet uit het oog verloren mag worden, is dat de oorlog, die in de midden-landstreken van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika met hardnekkigheid voortgezet werd, ten voordeele van de Federalisten verliep.

Den 18den en den 19den ontscheepte de eerste divisie van het Potomac-leger bij het fort Monroe.

Den 22sten maakte de tweede divisie zich gereed om Alexandria te verlaten en naar hetzelfde doel te marcheeren.

In weerwil van het krijgskundig talent, dat die oude professor in de scheikunde ontwikkelde, die gewoonlijk den naam van J. Jackson voerde, maar den naam van Stonewall (steenen wal) Jackson verworven had, werden de Zuidelijken weinige dagen later bij het gevecht van Kernstown geslagen.

Een noodzakelijk gevolg daarvan was, dat een vernieuwd oproer in Florida niet meer te vreezen was. Die Staat had-en dit kan niet genoeg herhaald worden-zich vrij onverschillig betoond, bij de botsingen tusschen de Noordelijken en Zuidelijken, die de aangrenzende Staten beroerd hadden.

Onder die omstandigheden had het personeel van Camdless-Bay, hetwelk na den aanslag op de plantage verstrooid was geworden, gelegenheid gevonden langzamerhand terug te keeren.

Sedert dat Jacksonville hernomen was, hadden de besluiten van Texar en zijn bestuur, betreffende de verbanning van de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat, geen kracht van wet of uitvoering meer. Op den datum van den 17den Maart, was het grootste gedeelte der negerfamili?n op het domein teruggekeerd en hielden zich reeds met den wederopbouw der barakken onledig.

Terzelfder tijd ruimden talrijke werklieden de puinhoopen der werkplaatsen en der houtzaagmolens op, om nieuwe toestellen te plaatsen, ten einde de regelmatige exploitatie van de voortbrengselen van Camdless-Bay zoo spoedig mogelijk te kunnen hervatten.

Master Perry en de opzieners ontwikkelden onder het bestuur van master Edward Carrol eene groote bedrijvigheid en arbeidsvermogen.

Wanneer master James Burbank zijn ouden deelgenoot de zorg der geheele reorganisatie van de plantage overliet, vond dit daarin zijne reden, dat hij zich aan eene andere taak-namelijk aan het opsporen van zijn kind wenschte te wijden.

Met het oog daarop en vast besloten een afdoenden onderzoekingstocht in de naaste toekomst te ondernemen, verzamelde hij daartoe al de benoodigdheden. Een detachement van twaalf vrijgestelde negerslaven, die onder de besten en van de geheele plantage met de meeste toewijding vervuld, uitgezocht waren, werd aangewezen om hem bij zijne nasporingen te vergezellen. Men kon er zeker van zijn, dat die brave lieden die taak met geestdrift aanvaarden en met ijver volbrengen zouden.

Twee sloepen verlieten toen den rivier-oever. (Bladz. 107).

Er bleef thans nog maar over te beslissen hoedanig die expeditie geleid zoude worden. Dienaangaande was aarzeling wel gerechtvaardigd. En inderdaad, op welk gedeelte van het grondgebied van den Staat Florida zouden de nasporingen het allereerst begonnen worden? Die vraag moest natuurlijk elke andere beheerschen.

Eene onverhoopte omstandigheid, geheel en al aan het toeval verschuldigd, zou met eene zekere nauwkeurigheid het spoor aanduiden, dat bij het begin van den veldtocht moest gevolgd worden.

Gilbert en Mars, die in den vroegen morgen van den 19den Castle House verlaten hadden, stevenden met de meeste snelheid in een der lichtste vaartuigen van Camdless-Bay de Sint John op. Geen enkele neger van de plantage vergezelde hen bij die nasporingen, welke zij iederen dag opnieuw op de beide oevers van den stroom ten uitvoer brachten. Zij stelden zich tot taak zoo geheimzinnig mogelijk te werk te gaan, om de aandacht niet gaande te maken van de spionnen, die de omstreken van Castle House op bevel van Texar gadesloegen.

Dien dag gleden beiden langs den linkeroever voort. Hun sloepje schoot tusschen het lange rietgras en achter de eilandjes voort, die door het geweld van den stroom bij de sterke equinoxiaal-vloeden van den vasten wal afgeschuurd waren, en liep geen kans om bemerkt te worden. Van de vaartuigen, die op de rivier stevenden, waren zij niet te bespeuren; en evenmin aan den oever zelven, wiens hoogte hen voor den blik dekte van iedereen, die zich in dien chaos van gewassen gewaagd had.

Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio's van de graafschappen Duval en Putnam te doorzoeken.

Het algemeen uitzicht van den stroom is tot bij het gehucht Mandarijn bijna dat van een moeras. Bij volzee spreidt zich de watervlakte over hare beide oevers, die van zeer lage gesteldheid zijn, uit. De oevers komen weer te voorschijn bij halftij, wanneer de eb genoegzaam ingetreden is, om de Sint John tot haar normaal peil terug te voeren.

Op den rechteroever vertoonde het terrein evenwel een weinig meer verhevenheid. Daar bevonden zich ma?svelden, die boven die periodieke overstroomingen, die geen bebouwing toelieten, gelegen waren. De naam van heuvelachtige streek kon zelfs aan die plek gegeven worden, waarop de weinige huizen van Mandarijn verrezen. Dat terrein liep in eene kaap uit, die zich tot in het vaarwater uitstrekte.

Iets verder was de vernauwde oppervlakte van den stroom met eilandjes bezaaid. Drie hoofdarmen van de rivier kronkelen daar tusschen door en weerkaatsen in hunne wateren de witachtige bloempluimen van de overheerlijke magnoliastruiken, die allerwege op die eilandjes weelderig groeien. Die vaarwaters, waarvan de stroomingen naarmate van het doorstaan van eb en vloed, geregeld nu eens naar zee, dan weer in tegenovergestelde richting voeren, zijn de scheepvaart tweemalen in de vier-en-twintig uren zeer dienstig, onverschillig werwaarts de koers genomen moet worden.

Na den westelijken arm ingestevend te zijn, zochten en snuffelden Gilbert Burbank en Mars tot in de geringste inkepingen van den oever. Zij zochten of niet de een of andere rio-monding onder de neerhangende takken der tulpboomen verborgen was. In dat geval zouden zij die beek tot in het binnenland gevolgd zijn. Waar zij zich nu bevonden, bespeurde men de uitgestrekte moerassen van de benedenrivier niet meer. Integendeel, men trof daar dalspleten aan, die met boomachtige varens bekleed waren, met liquidambars, die op Java rasamala's genoemd worden en wier bloesems vermengd met festoenen van welriekende slingerplanten, de lucht met doordringende geuren vervulden.

Maar de rio's boden op die verschillende plaatsen geene genoegzame diepte aan. Het waren slechts beekjes, die zich als een zilveren lint in het landschap vertoonden en geheel en al ongeschikt waren om een squif toegang te verleenen, terwijl zij bij eb geheel en al droog vielen.

Geen enkele woning werd op hare oevers waargenomen. Ternauwernood zag men hier en daar eenige jagershutten, die toen onbewoond waren en de meest onbedriegelijke sporen droegen in langen tijd niet betrokken te zijn geweest. Bij sommigen scheen het, alsof bij gebrek aan menschelijke bewoners, verschillende dieren er hun verblijf in opgeslagen hadden. Daarin werd toch hondengeblaf, kattengemauw, kikvorschengekwaak, slangengesis, vossengejank in hunne verschillende grondtonen vernomen. En toch waren er geen honden, geen katten, geen kikvorschen, geen slangen en geen vossen aanwezig. Maar vanwaar kwam dat geluid dan? Wel, dat waren slechts nabootsingskreten van den kat-vogel, eene soort van donkerbruinachtigen lijster, met zwarten kop en rood-oranjekleurigen bek, die bij de nadering van de sloep ijlings wegvloog.

Het was toen ongeveer drie uur des namiddags. In dat oogenblik raakte de voorsteven van het lichte vaartuig in een sombere massa van reusachtige rietstengels verward, toen een krachtige duw van Mars met den bootshaak, dien hij hanteerde, de sloep eene afsluiting van groen deed doorbreken, die onaantastbaar scheen. Daarachter rondde zich een inham af, die de uitgestrektheid van ongeveer een bunder besloeg en welker wateroppervlakte onder een dichten koepel van tulpboomen verscholen was en derhalve nimmer door de zonnestralen verwarmd werd.

?Kijk, dat is een vijver, dien ik niet ken," merkte Mars op, die opstond en zich uitrekte, om den toestand en de richting der oevers verderop van dien inham waar te nemen.

?Wij zullen hem doorzoeken," antwoordde Gilbert. ?Hij moet in gemeenschap staan met de riomeertjes, die dit gedeelte van de lagune vormen. Misschien worden die gevoed door een riviertje, dat ons gelegenheid kan geven om verder het binnenland binnen te dringen."

?Inderdaad, master Gilbert."

?Kom vooruit, Mars!"

?Juist vooruit! Steeds vooruit! Ik zie de opening van een doorgang ten noordwesten van ons."

?Waar zoekt gij het noordwesten in dit doolhof?" vroeg de jeugdige zeeofficier onthutst.

?Daar in die richting," sprak de mesties zonder aarzelen, terwijl hij de hand naar een zekeren kant uitstrekte.

?Kunt gij mij zeggen," vroeg de blanke, ?waar ter wereld wij ons bevinden?"

?Ja, geheel nauwkeurig niet, master Gilbert."

?Maar, waar denkt ge?"

?Ik begin ... waarlijk te gelooven," hernam Mars, na eens rondgekeken te hebben, ?dat wij ons in de Zwarte Kreek bevinden."

?In de Zwarte Kreek, Mars?"

?En toch ... meende ik, evenals alle bewoners van deze streek, dat het onmogelijk was er in door te dringen en dat zij niet in verbinding stond met de Sint-John."

?Bestond er vroeger niet in die kreek een fortje, dat men tot verdediging tegen de Seminool-Indianen opgeworpen had?"

?Ja, master Gilbert; maar..."

?Welnu, wat wilt ge zeggen?"

?Maar sedert vele jaren is de monding, waarlangs de gemeenschap met den stroom plaats had, verzand, en het...."

?Nu ga voort. Waarom te aarzelen, Mars?"

?En het fortje is verlaten en aan den tand des tijds overgegeven geworden."

?Zijt gij er ooit geweest?"

?Nooit."

?Welnu, wat denkt gij er van?"

?Dat, als er van dat fortje nog iets bestaat, dit niet heel veel kan wezen."

?Kom, laten wij het trachten te bereiken," hernam Gilbert Burbank.

?Laten wij trachten," herhaalde Mars, ?maar dat zal waarschijnlijk zeer moeilijk zijn, master Gilbert."

?Waarom?"

Dien dag had men zich tot taak gesteld, de geheimste kreken en rio's te doorzoeken. (Bladz. 118).

?Omdat het water weldra verdwenen zal zijn met de ingetreden eb en dat..."

?Nu?"

?En dat de moerassige bodem geen weerstand genoeg zal bieden, om er op te gaan."

?Dat is zoo, Mars."

?Maar, wat te doen, master Gilbert?"

?In het schuitje blijven, Mars, zoolang wij water genoeg zullen aantreffen."

?Laat ons dan geen oogenblik verloren laten gaan, master Gilbert."

?Juist, Mars."

?Het is reeds drie uren en onder dit zware geboomte valt de duistere nacht spoedig in."

Het was inderdaad de Zwarte Kreek waarin Gilbert Burbank en de mesties Mars, dank zij dien stoot met den bootshaak, die hunne sloep door de afsluiting van biezen gedreven had, gedrongen waren.

Men weet het, dat die lagune slechts bevaarbaar was voor lichte vaartuigen zooals de squif, waarvan de Indiaan Squambo of zijn baas Texar zich bedienden, wanneer zij zich op de Sint-John waagden. Daarenboven, om bij het blokhuis te komen, hetwelk te midden van die kreek gelegen was, moest men merkwaardig goed bekend zijn met de duizenden en duizenden kronkelingen en doolwegen van het onuitwarbaar net der vaarwaters tusschen de veelvuldige eilandjes van die lagune-vorming. En het was lange en vele jaren geleden, dat zich iemand daarin gewaagd had. Men geloofde zelfs niet meer aan het bestaan van het fortje, en daaruit was eene soort van veiligheid voor het vreemdsoortig en boosaardig wezen gesproten, die er zijn gewoon verblijf had opgeslagen.

En vandaar dan ook het geheimzinnige, dat het privaat-leven van Texar als met een sluier omgaf.

Men zou inderdaad den draad van Ariadne moeten gehad hebben, om den weg te vinden te midden van dit doolhof, dat in duisternis gehuld was, zelfs wanneer de zon den middagcirkel van de plaats sneed. Intusschen kan bij gebrek van dien gewenschten draad het toeval er toe leiden, dat het centraal-eilandje van de Zwarte Kreek ontdekt werd.

Het was dus aan dien onzekeren en onbewusten gids, dat Gilbert Burbank en Mars zich moesten toevertrouwen. Toen zij de eerste inkeping binnengevaren waren, stevenden zij door kanalen, welker waterinhoud met den stijgenden vloed zelfs in de kleinsten vermeerderde, zoodat de toegang voor hunne sloep mogelijk scheen. Zij bewogen zich vooruit, als door een geheim voorgevoel voortgedrongen, zonder zich rekenschap te geven hoe zij den terugtocht later zouden kunnen aanvaarden. Daar het geheele graafschap door hen doorzocht zoude worden, was het natuurlijk dat geen enkel gedeelte van deze lagune aan hunne nasporingen ontsnapte.

Na ruim een half uur geroeid, geboomd en gezwoegd te hebben, had de sloep, volgens de gissing van Gilbert Burbank, eene gestrekte mijl binnen de kreek afgelegd.

Meer dan eens was het vaartuig op eene onoverkomelijke ondiepte vastgeraakt en had men moeten terugkeeren, om langs een ander kanaal eene doorvaart te vinden. Geen twijfel evenwel bestond er omtrent de hoofdrichting van de lagune. Die moest westwaarts voeren.

Noch de jeugdige officier, noch Mars hadden tot op dit oogenblik gepoogd voet aan wal te zetten,-hetgeen zij trouwens niet dan met zeer groote moeite zouden hebben kunnen doen, daar de bodem der eilandjes slechts zeer weinig boven den gemiddelden waterstand van den stroom gelegen was. Het was dus beter het lichte vaartuig niet te verlaten, zoolang gebrek aan diepte den voortgang niet zou beletten.

Het was evenwel niet zonder groote inspanning, dat Gilbert Burbank en Mars er in geslaagd waren die gestrekte mijl af te leggen. Hoe krachtig van gestel de mesties ook was, zoo kwam er een oogenblik dat hij genoodzaakt werd wat uit te rusten. Hij wilde dat evenwel niet doen alvorens een eilandje bereikt te hebben, dat hij ontwaarde en dat hooger van terrein en van grooter uitgebreidheid scheen bij de weinige lichtstralen, die door meer ijle boomkruinen schitterden, dan al de anderen, die men reeds voorbijgestevend was.

?Kijk, daar..." zei hij.

?Wat is er?" vroeg Gilbert Burbank.

?Dat is zonderling!" ging Mars voort.

?Maar wat?"

?Er zijn sporen van landbouw op dat eilandje!" antwoordde de mesties met de hand wijzende.

?Ja, waarlijk!"

Beiden ontscheepten en zetten voet aan wal op een oever, die minder moerassig dan de overigen was.

Mars had zich niet vergist. De sporen van landbouw waren duidelijk zichtbaar. Eenige knolplanten werden hier en daar ontwaard. In den bodem werden voren bespeurd, die met menschenhanden gespit waren. Een schop, die achtergelaten was, stak nog in den grond.

?De kreek is dus bewoond?..." vroeg Gilbert Burbank.

?Dat schijnt wel," antwoordde Mars.

?Dat had ik niet gedacht."

?Misschien is zij slechts bekend aan eenige woudbewoners, misschien aan zwerf-Indianen die er eenige groenten teelen. Dunkt u niet, master Gilbert?"

?Ja, Mars, en het zou niet onmogelijk zijn, dat zij er woningen gebouwd hebben, al waren het maar hutten..."

?Inderdaad, master Gilbert, en als er een aanwezig is, dan..."

?Wat, dan?"

?Dan zullen wij haar wel weten te vinden, niet waar?"

Zij hadden er groot belang bij om te weten te komen, welke soort lieden die Zwarte Kreek bewoonden of bezochten. Of het jagers der beneden-streken waren, die er zich heimelijk heen begaven? Of het Seminool-Indianen waren, die beneden nog te midden der moerassen van den Staat Florida rondzwierven.

Dus Gilbert Burbank en Mars, zonder aan den terugtocht te denken, namen weer plaats in hun vaartuig en stevenden verder en dieper langs de kronkelingen der kreek.

Het scheen dat een soort van voorgevoel hen naar hare somberste schuilhoeken voortstuwde. Hunne blikken, gewoon aan de betrekkelijke duisternis, welke door de dichte loofkruinen boven de oppervlakte der eilandjes veroorzaakt werd, peilden het woud in alle richtingen.

Nu eens meenden zij een woonhuis te ontwaren, terwijl het slechts een muur van groen was, die zich als eene gordijn van den eenen boomstam naar den anderen uitstrekte.

Dan eens verbeeldden zij zich een man te zien, die hen onbewegelijk stond aan te kijken, en bij nader onderzoek was het slechts een oude stronk, die zonderling gegroeid was en wel eenige overeenkomst met een menschengestalte vertoonde.

Zij spitsten scherp hun gehoor.

?Want", sprak de een, ?waar het oog faalt, kan het oor soms goede diensten bewijzen."

Dat was waar; want in die stilte der wouden is het minste gerucht voldoende om de tegenwoordigheid van een levend wezen te verraden.

Beiden waren een half uur later bij het Centraal-eilandje aangekomen.

Het bouwvallige blokhuis was zoo volkomen tusschen het struikgewas en door de slingerplanten verborgen, dat er hoegenaamd niets van te bespeuren was.

Het kwam hen zelfs voor, dat de kreek daar ten einde liep, dat de met takken en grasgewassen versperde kanalen niet meer bevaarbaar waren. Daar verrees ook eene dichte afsluiting van zwaar struikgewas tusschen de laatste kronkelingen van de vaarwaters en het moerassige woud, hetwelk zich over het geheele graafschap Duval op den linkeroever der Sint John uitstrekte.

?Het komt mij onmogelijk voor, verder te kunnen doordringen," merkte de mesties op.

?Mij ook, Mars."

?Het water ontbreekt daarenboven, master Gilbert..."

?En toch, wij hebben ons straks niet vergist..."

?Neen, dat hebben wij niet."

?Wij hebben wel degelijk sporen van landbouw waargenomen."

?Ongetwijfeld."

?Menschelijke wezens bezoeken deze kreek. Misschien waren zij er kort geleden."

?Ja, dat kan."

?Misschien zijn zij er nog."

?Ja, dat is ook mogelijk," hernam Mars, ?maar het wordt zaak om, van hetgeen nog van den dag overblijft, gebruik te maken, om naar de Sint John terug te keeren. Dunkt u dat ook niet, master Gilbert?"

Deze antwoordde niet en scheen in gedachten verzonken.

?De nacht begint reeds in te vallen," ging de mesties voort, ?en de duisternis zal weldra zwart zijn. Hoe zullen wij onzen weg in dit bochtige vaarwater weer vinden? Ik geloof, master Gilbert, dat het voorzichtig is terug te keeren. Wij kunnen dan onze nasporingen morgen ochtend bij het krieken van den dag hervatten. Laten wij, zooals wij gewoon zijn te doen, naar Castle-House wederkeeren. Wij zullen daar vertellen, wat wij gezien hebben. Wij zullen dan eene meer volledige verkenning organiseeren van de Zwarte Kreek, en wij zullen dat dan onder veel betere omstandigheden kunnen ondernemen."

?Ja, dat moet," antwoordde de jeugdige zeeofficier.

?Juist, master Gilbert."

?Maar toch wenschte ik, alvorens heen te gaan..."

Hij was blijven stilstaan en wierp nog een uitvorschenden blik onder het hooge geboomte. Hij steeg toen in de sloep en was op het punt om het bevel te geven om van den wal te steken, toen hem plotseling Mars met een gebaar weerhield.

De mesties bleef roerloos staan, spitste de ooren en luisterde.

Een kreet of beter uitgedrukt een soort van voortdurend gekerm, dat niet te verwarren was met de gewone bosch-geluiden, werd vernomen. Het was als een wanhoopsgil, als de klacht van een menschelijk wezen, die door hevig lijden ontwrongen werd. Men zou gezegd hebben, dat het 't laatste geroep was van eene stem, die op het punt was weg te sterven.

?Een mensch is daar!..." riep Gilbert Burbank uit.

Mars knikte bevestigend.

?Hij smeekt om hulp," vervolgde de jeugdige officier. ?Hij is misschien stervende!"

?Ja," antwoordde Mars. ?Wij moeten naar hem toe!... Wij moeten weten wie hij is!... Kom dadelijk de schuit uit!..."

Dat was terstond geschied.

Het vaartuig werd stevig vastgebonden. Gilbert Burbank en Mars sprongen op den oever en stoven onder het geboomte voort.

Daar troffen zij alras eenige sporen van een voetpad aan, dat tusschen de struiken door slingerde. Hier en daar kon men zelfs den afdruk van een menschenvoet waarnemen. Dat daar menschen geloopen hadden, was thans boven allen twijfel verheven.

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. Zij luisterden. De klagende geluiden lieten zich nog steeds vernemen. Op dezen, op dezen slechts konden zij richting nemen.

Beiden hoorden ze andermaal en thans zeer dicht bij. In weerwil van de duisternis, die al meer en meer inviel, zou het niet onmogelijk zijn de plek te bereiken, waar dat gekerm geslaakt werd.

Plotseling weerklonk een nog pijnlijker kreet. Men kon zich omtrent de richting, die gevolgd moest worden, niet vergissen.

Gilbert Burbank en Mars drongen door een boschje van dicht struikgewas en bevonden zich toen in tegenwoordigheid van een man, die bij eene palissadeering uitgestrekt lag en het sterven nabij was.

Hij had een dolksteek in de volle borst ontvangen en een stroom bloed overdekte den ongelukkige. Met moeite bracht hij nog eenige zuchten uit. Blijkbaar had hij nog slechts weinige oogenblikken te leven.

Gilbert Burbank en Mars bukten zich over dien man. Deze opende de oogen, maar poogde tevergeefs op hunne vragen te antwoorden.

?Wij moeten dien man zien!" riep Gilbert uit. ?Wij moeten zijn gelaat kunnen zien! Spoedig, eene flambouw... een vlammend stuk hout!..."

Mars had reeds een tak afgerukt van een der harshoudende boomen, die in grooten getale op het eilandje groeiden. Hij stak dien met een lucifer aan, en een rookachtige vlam verspreidde eenig licht in het donker.

Gilbert Burbank knielde naast den stervende neder.

Het was een neger, een slaaf, die nog zeer jong scheen. Zijn hemd was geopend en liet ter hoogte van de borst eene diep doordringende wond ontwaren, waaruit het bloed vloeide. Die wond moest doodelijk geacht worden, daar het lemmet van den dolk de long doorstoken had.

?Wie zijt gij?..." vroeg Gilbert.

Geen antwoord.

?Wie zijt gij?..." herhaalde Mars luider.

De lijder bewoog zich niet.

?Wie heeft u getroffen?"

De arme slaaf kon geen enkel woord meer uitbrengen, welke moeite hij daartoe ook aanwendde.

Mars zwaaide evenwel den brandenden tak, om licht te verspreiden, ten einde de plaats te verkennen, waar die gruwelijke moord bedreven was.

Hij ontwaarde toen de palissadeering, en door de potern, die openstond, de onduidelijke omtrekken van het blokhuis.

?Het fortje!" riep Mars uit.

Het was inderdaad de versterking van de Zwarte Kreek, waarvan het bestaan in dit gedeelte van het graafschap Duval zelfs niet meer vermoed werd.

En zijn meester bij den armen slaaf latende, die den doodsstrijd begonnen was, spoedde hij zich voort door de potern van het fortje.

Mars had niet veel tijd noodig om het innerlijke van het blokhuis te doorloopen. In een schier ondeelbaar oogenblik had hij alle vertrekken doorzocht, die allerwege op het centraal-reduit uitzicht verleenden. In een van die kamers vond hij de overblijfselen van een vuur, die nog rookten. Het fortje was dus kort geleden nog bewoond geweest. Maar door welk soort van lieden? Waren dat Floridianen of Seminolen, blanken of Indianen? Aan wie hunner strekte die versterking tot schuilplaats? Dat moest men, het koste wat het wilde, vernemen. Maar zou die gewonde, die stervende, dat kunnen mededeelen? Men moest weten, wie zijne moordenaars waren, die eerst ettelijke uren geleden de vlucht genomen hadden.

Mars kwam eindelijk weer buiten het blokhuis. Hij stapte langs de palissadeering rondom de afgesloten binnenruimte. Hij zwaaide zijn toorts onder iedere boomgroep, maar... hij ontwaarde niemand. Wanneer Gilbert Burbank en hij in den ochtend aangekomen waren, dan voorzeker zouden zij de bewoners van het fortje aangetroffen hebben. Thans was het te laat.

De mesties keerde naar zijn meester terug en deelde hem mede, dat zij zich thans bij het blokhuis van de Zwarte Kreek bevonden.

?Heeft die man u kunnen inlichten?" vroeg hij vervolgens.

?Neen..." antwoordde Gilbert Burbank.

?Waarom niet?"

?Hij is buiten kennis en ik twijfel er aan of hij zijn bewustzijn weer zal krijgen."

?Wij moeten toch alles beproeven, master Gilbert."

?Dat erken ik."

?Want het geldt hier een geheim, bij welks ontsluiering wij het grootste belang hebben."

?Inderdaad."

?En dat niemand zal kunnen openbaren, wanneer deze ongelukkige overleden zal zijn."

?Voorzeker, Mars. Maar laten wij hem in het fortje dragen. Dan zal hij wellicht tot bewustzijn komen... Wij kunnen hem toch niet hier op den oever den laatsten adem laten uitblazen."

?Neemt gij de flambouw, master Gilbert," antwoordde Mars. ?Ik zal wel kracht genoeg bezitten om hem te dragen."

Gilbert Burbank greep den brandenden harsachtigen tak. De mesties tilde toen dat lichaam op, hetwelk niet veel meer was dan een beweginglooze klomp; klom de treden van de trap op, die naar de poterne voerde, schreed door de opening, die toegang tot de binnenruimte van de versterking verleende, en legde zijn last in een der vertrekken van het blokhuis neer.

Het hart van den ongelukkige klopte nog, hoewel zeer flauw en slechts met lange tusschenpoozen. De levensvonk ging ontbreken... Zou het geheim hem niet te ontlokken zijn vóórdat hij den laatsten zucht zoude geslaakt hebben?

De stervende was op eene laag gras neergelegd. Mars greep zijne veldflesch en bracht haren hals tusschen de lippen van den gewonde.

Die weinige droppels brandewijn schenen hem een weinig te verlevendigen. Hij opende de oogen en vestigde ze op Mars en op Gilbert Burbank, die ijverig in de weer waren om zijn leven aan den dood te betwisten.

Hij wilde spreken... Eenige onverstaanbare klanken ontsnapten aan zijne lippen... Een naam wellicht.

?Spreek!... Spreek!..." riep Mars.

De opgewondenheid, die den mesties beheerschte, was inderdaad onverklaarbaar. Het was of de uitslag van de taak, waaraan hij zijn leven gewijd had, geheel afhankelijk was van de laatste woorden van dezen stervende.

De jeugdige slaaf poogde herhaaldelijk maar steeds tevergeefs eenige woorden uit te brengen... De krachten daartoe schoten te kort...

In dit oogenblik voelde Mars, dat een stuk papier in den zak van den verwonde opgeborgen was.

Dit papier te grijpen, het bij het licht van den brandenden hars tak te lezen, in weerwil dat het met bloed gedrenkt was, dat alles was slechts het werk van een oogenblik.

Ettelijke woorden slechts waren er met houtskool opgekrabbeld. Het waren de navolgende:

?Door Texar bij de Marino-Kreek ontvoerd... Naar de Everglades overgebracht... en gevangen gehouden op het eiland Garneral... Dit briefje bestemd voor master James Burbank... toevertrouwd aan dezen jeugdigen slaaf."

Mars herkende dit schrift dadelijk.

Mars en Gilbert Burbank bleven van tijd tot tijd stilstaan. (Bladz. 126).

?Van Zermah!..." zei hij.

Bij het hooren van dien naam opende de stervende de oogen en bewoog het hoofd, alsof hij dat gezegde wilde bevestigen.

Gilbert Burbank tilde hem een weinig op en ondervroeg hem:

?Van Zermah?"

?Ja!"

?En van Dy?"

?Ja!"

?Wie heeft u verwond?"

?Texar."

Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. Hij stiet een kreet uit, daarna nog een zucht, rekte zich uit en viel dood op zijn grasleger neder.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022