Van Camdless-Bay naar het Meer Washington.
Dienzelfden avond waren Gilbert Burbank en Mars nog vóór het middernachtelijk uur op Castle House teruggekeerd.
Maar welke moeielijkheden zij te overwinnen hadden gehad, om buiten de Zwarte Kreek te geraken, is eenvoudig onmogelijk om mede te deelen.
Toen zij het blokhuis verlieten, was de nacht reeds over het dal der Sint John gedaald. De duisternis was dan ook volkomen onder de dichte loofkruinen van die zoo begroeide lagune. Zonder een soort van instinct, dat Mars geleidde door de vaarwaters tusschen die eilandjes, welke in den zwarten nacht niet te onderscheiden waren, zouden geen van beiden de hoofdrivier teruggevonden hebben. Twintig malen raakte hun vaartuig op eene ondiepte vast, die onoverkomelijk was, en moest men terugkeeren, om een meer bevaarbaar kanaal op te zoeken en door te stevenen.
Men moest takken van harshoudend hout ontsteken en die op de voorplecht van het schuitje vastmaken, om zoodoende de vaart zoo goed mogelijk te verlichten. Maar de moeielijkheden werden buitengewoon groot, toen Mars op het punt meende aangekomen te zijn, waar de wateren van de Zwarte Kreek zich in de Sint John uitstortten. De mesties vond de plek niet meer terug waar de boeg van de sloep zich een weg door de rietstengels eenige uren vroeger gebaand had. Gelukkig was de eb ingetreden, zoodat het voldoende was het vaartuig aan den invloed van den stroomdraad over te laten, die het in zijn natuurlijk vergaarbekken zoude voeren.
Mars en Gilbert Burbank ontscheepten, na de twintig mijlen, die de Zwarte Kreek van de plantage scheidden, zoo spoedig mogelijk afgelegd te hebben, eindelijk op de pier van Camdless-Bay.
Men wachtte hen natuurlijk vol ongerustheid op Castle-House.
Noch James Burbank, noch een zijner huisgenooten waren naar hunne slaapvertrekken gegaan. Zij bespraken natuurlijk dat ongewoon lange uitblijven. Gilbert en Mars waren toch in den regel iederen dag bij het vallen van den avond te huis.
Waarom waren zij thans niet teruggekeerd?
Moest of mocht men daaruit opmaken, dat zij een nieuw spoor gevonden hadden? Zouden hunne pogingen eindelijk slagen?
O, wat was dat wachten pijnlijk en wreed!
Eindelijk kwamen zij aan, en toen zij de hall binnentraden, vloog het geheele huisgezin hen tegemoet.
?Welnu.... Gilbert...." riep master James Burbank hartstochtelijk uit.
?Vader," antwoordde de jeugdige officier. ?Alice heeft zich niet vergist!... Het is wel degelijk Texar, die mijn zusje en Zermah ontvoerd heeft."
?Hebt gij er het bewijs van?"
?Ja!"
?Waar is het?"
?Lees!"
En Gilbert Burbank bood zijnen vader het verkreukt en bloederig papier aan, waarop de woorden, door de mestische vrouw gekrabbeld, te lezen stonden.
?Ja," zei hij, ?thans is geen twijfel meer geoorloofd. Het is de Spanjaard! En hij heeft zijne beide slachtoffers naar het fortje vervoerd of doen vervoeren. Daar woonde hij, hetgeen niemand wist. Een arme slaaf, aan wien Zermah dat papier had toevertrouwd, om het naar Castle House over te brengen en van wien zij waarschijnlijk vernomen had, dat Texar naar het eiland Garneral zou vertrekken, heeft zijn voornemen om zich voor haar nuttig te maken met zijn leven geboet. Wij hebben hem stervende gevonden. Hij werd door de hand van Texar getroffen en thans is hij dood. Maar al zijn de kleine Dy en Zermah niet meer in de Zwarte Kreek, wij weten ten minste thans naar welk gedeelte van Florida men ze vervoerd heeft. Dat is naar de Everglades, en daar moeten wij heen om haar te verlossen. Morgen reeds, vader, morgen reeds moeten wij derwaarts vertrekken!..."
?Wij zijn gereed, Gilbert."
?Dus morgen!"
?Ja, morgen!"
De hoop was op Castle House weergekeerd. Men zou zich thans niet meer vergissen. Men zou thans niet meer op een dwaalspoor geraken. Men zou thans geene vruchtelooze pogingen meer ondernemen. Mevrouw Burbank werd geheel en al op de hoogte gebracht, en deze waardige moeder gevoelde zich bij die tijdingen als het ware herleven. Zij had de kracht om op te staan, om te knielen en een dankgebed tot God te richten.
Dus volgens de bekentenis van Zermah, was het Texar in persoon geweest, die de ontvoering van de kleine Dy in de Marino Kreek had gepleegd. Hij was het dus, dien miss Alice Stannard voor op de plecht van het vaartuig gezien had, toen dat naar het midden der rivier stevende.
En toch.... hoe was dat alles overeen te brengen, met het alibi, waarop de Spanjaard zich beroepen en wat hij bewezen had? Hoe kon hij op hetzelfde oogenblik, dat hij die misdaad bedreef, krijgsgevangene der Federalisten aan boord van een der kanonneerbooten van het smaldeel van den Commodore Dupont zijn?
Dat alibi moest ongetwijfeld valsch zijn, valsch evenals al de anderen waren.
Maar waarin bestond die valschheid? Hoe haar te bewijzen?
Zou men ooit het geheim vernemen van die alomtegenwoordigheid, waarvan Texar zoo behendig bewijzen scheen te kunnen afleggen?
Maar wat kon dat, alles wel beschouwd, schelen? Wat thans als bewezen kon aangenomen worden, was dat de mestische vrouw en het kleine meisje eerst naar het blokhuis van de Zwarte Kreek overgevoerd waren geworden en daarna naar het eiland Garneral.
Daar moest men haar zoeken. Daar moest men Texar overvallen. Ditmaal zou niets hem aan de straf kunnen onttrekken, welke zijne misdadige kuiperijen zoo dubbel en dwars verdiend hadden.
Er was bovendien geen tijd te verliezen.
De afstand van Camdless-Bay tot de Everglades is vrij aanzienlijk. Men zou verscheidene dagen noodig hebben, om hem af te leggen. Gelukkig dat, zooals meester James Burbank verzekerd had, de expeditie, die door hem uitgerust was, op en top gereed was om Castle House te kunnen verlaten.
Wat het eiland Garneral betrof, de kaarten van het Floridasche schiereiland gaven aan, dat het gelegen was in het meer Okee-cho-bee.
En wat de Everglades aangaat, aldus wordt eene moerassige landstreek genoemd, die aan het meer Okee-cho-bee grenst en een weinig ten zuiden van den zeven-en-twintigsten breedtegraad in het zuidelijkste gedeelte van den Staat Florida gelegen is.
De afstand tusschen Jacksonville en dat meer werd op vierhonderd mijlen of op honderdtachtig uren gaans gerekend. Verderop was de streek zeer weinig bezocht en op dat tijdstip bijna geheel onbekend.
Indien de Sint John tot aan haren oorsprong bevaarbaar ware geweest, dan zou die afstand in korten tijd en zonder groote moeielijkheden kunnen worden afgelegd. Maar zeer waarschijnlijk zou men den stroom slechts over een betrekkelijk klein gedeelte van zijne uitgestrektheid kunnen benutten, dat wil zeggen tot aan het George-meer of over een afstand van honderd-zeven mijlen ongeveer.
Verderop zouden op haren verhinderden loop kleine eilanden verschijnen, ondiepten, waartusschen geen vaarwater voldoende aangegeven was, armen en spruiten, soms drooggeloopen in den ebtijd. Waarlijk, een eenigszins diepgeladen vaartuig zoude daar ernstige hinderpalen of voor het minst aanmerkelijke vertragingen hebben ondervonden. Wanneer het intusschen mogelijk bleek, den stroom tot bij het meer Washington op te stevenen, dat wil zeggen ter hoogte van den acht-en-twintigsten breedtegraad, dwars van kaap Malabar, dan zou men reeds veel gewonnen hebben; want dan zou men het einddoel meer nabij gekomen zijn.
Intusschen mocht daarop niet te veel vertrouwd worden. Het beste was, om zich gereed te houden tot het afleggen van een afstand van tweehonderd-en-vijftig mijlen te midden van eene bijna eenzame landstreek, waar het kompas en alle andere hulpmiddelen, zoo onontbeerlijk voor eene expeditie, die met snelheid gevoerd moest worden, niet zouden mogen ontbreken.
Het was dan ook met het oog op dergelijke gebeurlijkheden, dat master James Burbank zijne voorbereidende maatregelen getroffen had.
Den volgenden ochtend, zijnde den 20sten Maart, stond het personeel der expeditie op de pier van Camdless Bay vereenigd, gereed om te vertrekken.
Master James Burbank en zijn zoon Gilbert hadden mevrouw Burbank, die hare kamer nog niet verlaten kon, vaarwel gezegd en omhelsd, evenwel niet zonder daarbij eene angstige gewaarwording te ondervinden. Miss Alice, haar vader master Walter Stannard en de onder-administrateurs van de plantage vergezelden hen. Zelfs Pyg was master Perry, voor wien hij thans eene zekere toegenegenheid koesterde, komen vaarwel zeggen. Hij herinnerde zich de lessen en de raadgevingen van den waardigen administrateur, ter zake van de bezwaren eener vrijheid, waarvoor hij zich nog niet rijp of geschikt gevoelde.
De expeditie was volgenderwijze samengesteld:
Master James Burbank, zijn zwager master Edward Carrol, die van zijn verwonding genezen was, zijn zoon Gilbert Burbank, de hoofdadministrateur Perry, Mars en een dozijn negers, uitgekozen onder de dappersten en onder de meest toewijdingsvollen van de geheele plantage-in het geheel zeventien personen.
Mars kende genoegzaam den loop der Sint John, om als loods dienst te doen, zoolang deze bevaarbaar bleef. Dat wil zeggen tot voorbij het George-meer. Wat de negers betreft, die waren gewoon met de roeiriemen om te gaan. Zij zouden zich met hunne krachtige armen van hunne taak behoorlijk weten te kwijten, wanneer de wind of de stroom hen in den steek zou laten.
Het vaartuig, dat onder de grootsten van Camdless-Bay uitgekozen was, kon een zeil voeren, dat, doelmatig getuigd, veroorloofde als het noodig was scherp bij den wind te loopen. Dat kon van onschatbare waarde gerekend worden, om het soms sterk kronkelende vaarwater te kunnen volgen. Het vaartuig was bewapend en had genoeg oorlogsmuniti?n aan boord, om master James Burbank en zijne metgezellen volkomen gerust te stellen ten opzichte van de benden Seminool-Indianen, die nog in beneden Florida aangetroffen worden, en ten opzichte van de makkers van Texar, wanneer de Spanjaard namelijk eenigen hunner rondom zich verzameld mocht hebben.
Met eene dergelijke gebeurlijkheid moest inderdaad rekening gehouden worden, wilde men den goeden uitslag der expeditie niet in groot gevaar brengen.
Eindelijk was het oogenblik van scheiden daar; Gilbert omhelsde miss Alice, master James Burbank sloot haar ook in zijne armen, inderdaad alsof zij reeds zijne eigene dochter ware.
?Vader!..." kreet zij snikkende. ?Gilbert!... breng onze kleine Dy terug!... Breng mij mijne zuster terug!"
?Ja, lieve Alice," antwoordde de jeugdige officier. ?Ja, met Gods hulp en bescherming zullen wij haar terugbrengen! Reken daar op!"
Master Walter Stannard, miss Alice, de opzichters der plantage, alsook Pyg waren op de pier van Camdless-Bay verbleven, terwijl het vaartuig afstak.
Allen wenkten en wuifden ten afscheid tot het oogenblik, dat de noordwestenwind het zeil van het vaartuig vulde en dit laatste, door den opkomenden vloed voortgestuwd, achter de landspits verdween, die zich aan den eenen kant der Marino-Kreek vormde.
Het was toen ongeveer zes uren in den ochtend. Het vaartuig stevende een uur later het gehucht Mandarijn voorbij en bevond zich, zonder dat men van de roeiriemen had behoeven gebruik te maken, zoo omstreeks tien uren ter hoogte van de Zwarte-Kreek.
Het hart klopte allen in de borstkas, toen zij langs dien linkeroever der Sint John stevenden, waarover het hooggaande water van den vloed heen stroomde. Daar achter die rietstengels, die biezen, die dichte strooken van rhisophoren, met hunne lucht- en steltwortels, waren de kleine Dy en Zermah aanvankelijk gevangen gehouden geworden. Daar was het, dat Texar en zijne medeplichtigen haar gedurende meer dan veertien dagen zoo geheimzinnig verborgen hadden gehouden, dat geen spoor van hunne misdadige ontvoering achtergebleven was. Tien malen, ja meer waren master James Burbank, master Walter Stannard en later Gilbert Burbank en Mars den stroom op- en neerwaarts gestevend en hadden die plek daar bij de lagune voorbijgevaren, zonder te kunnen gissen, dat het oude blokhuis de ontvoerde geliefden tot verblijfplaats strekte.
Ditmaal was het niet noodig daar stil te houden. Men moest de nasporingen eenige honderden mijlen meer zuidwaarts uitstrekken. De wind blies wakker in het zeil en het vaartuig stevende de Zwarte-Kreek voorbij, zonder haar aan te doen.
De eerste maaltijd werd gemeenschappelijk genoten. De kisten, die men medegenomen had, bevatten voldoenden voorraad van verduurzaamde levensmiddelen, voor een twintigtal dagen. Een gedeelte daarvan was in eenmansvrachten afgedeeld, om vervoerd te kunnen worden, wanneer de tocht over land voortgezet moest worden. Eenige kampements benoodigdheden zouden veroorloven om halt te houden, hetzij bij nacht, hetzij bij dag, hetzij te midden der maagdelijke wouden, hetzij te midden der uitgestrekte moerassen, waarmede de oeverstreken der Sint John overdekt zijn.
Toen de vloed tegen elf uur ongeveer kenterde en de eb intrad, bleef de wind toch gunstig. Toch moest men de roeiriemen te water brengen, om dezelfde snelheid te bewaren. De negers aanvaardden hunne taak, en weldra schoot de boot, onder den aandrang van vijf paren krachtige armen, met spoed vooruit en stevende onverdroten den stroom op.
Mars stond stilzwijgend op de achterplecht en hield met onwrikbare hand het roer, terwijl hij het vaartuig tusschen de eilanden en eilandjes door stuurde, die te midden van de Sint John aangetroffen werden. Hij zocht de vaarwaters uit, waarin de stroom met het minste geweld doorstond. Hij stevende er zonder eenige aarzeling in. Nooit begaf hij zich bij vergissing in eene onbruikbare doorvaart, nooit liep hij gevaar op eenige ondiepte, die bij eb droog zou loopen, vast te raken. Hij kende de bedding der rivier tot het George-meer even goed als hij haar kende benedenstrooms van Jacksonville, en hij stuurde het vaartuig met even vaste hand en met evenveel zekerheid, alsof het een der kanonneerbooten was van den commandant Stevens, die hij langs de kronkelende geul over de zandbanken in de monding van de Sint John geloodsd had.
De Sint John was op dit gedeelte van haren loop geheel verlaten. De scheepvaartbeweging, die er gewoonlijk ten dienste der naburige plantages waargenomen werd, was sedert de inname van Jacksonville geheel vernietigd. Wanneer eenig vaartuig den stroom nog opstevende of afzakte, dan geschiedde dat uitsluitend ten dienste der federalistische troepen, of om de gemeenschap te onderhouden met de kanonneerbooten van het eskader der Noordelijken.
Dat was het laatste woord, hetwelk die arme slaaf sprak. (Bladz. 130).
En het was meer dan waarschijnlijk, dat wanneer men Piccolata voorbijgestevend zoude zijn, ook die scheepvaart-beweging zoude ophouden.
De expeditie van master James Burbank kwam tegen zes uur in den avond bij dit plaatsje aan. De pier van de aanlegplaats was door een detachement der Noordelijke troepen bezet. De sloep werd gepraaid en moest bij de kade aanleggen.
Daar maakte Gilbert Burbank zich bekend aan den officier die te Piccolata bevel voerde.
Op vertoon van den geleidebrief, die hem door den commandant Stevens overhandigd was, werd hem alras vergunning verleend zijne reis te vervolgen.
Dat oponthoud had slechts weinige oogenblikken geduurd.
Daar de vloed weer begon door te staan, kon men de roeiriemen met rust laten en schoot het vaartuig met snelheid tusschen de uitgestrekte bosschen door, die zich op beide oevers der rivier verheffen. Op den linkeroever evenwel zoude het woud eenige mijlen boven Piccolata, door moerassen vervangen worden.
Wat de bosschen op den rechteroever betreft, die vertoonen zich dichter en dieper, en schijnen onmetelijk uitgestrekt, ja zonder einde te zijn. Men zou inderdaad het George-meer bereiken, zonder het einde er van te zien. Daar verwijderen zij zich eenigermate van den rivieroever en laten een breede strook vrij, die door den landbouw in beslag genomen is. Daar ziet men uitgestrekte rijstvelden, suikerrietvelden, indigovelden, katoenaanplantingen, die allen eene schitterende getuigenis afleggen ten gunste van de vruchtbaarheid van het Floridasche schiereiland.
Een poos na zes uur hadden master James Burbank en zijne makkers den roodachtigen toren, die het oude Spaansche fort kroonde, achter een uitspringenden hoek van den stroom uit het oog verloren. Dit fort was sedert meer dan eene eeuw verlaten en ontmanteld, maar in weerwil daarvan stak die toren nog altijd boven de hooge kruinen der palmboomen van den oever uit.
?Mars," vroeg toen master James Burbank, ?vreest gij niet om bij nacht de Sint John verder op te varen?"
?Neen, master James," antwoordde de mesties.
?Kent gij het vaarwater volkomen?"
?Ja, tot bij het George-meer."
?En verder op?"
?Dan zullen wij zien. Wij hebben daarenboven geen oogenblik te verliezen. De tijd is kostbaar. En daar de vloed ons begunstigt, moeten wij er van profiteeren."
?Maar zal die vloed lang doorstaan?"
?Hoe verder wij komen, master James, hoe minder hij zijn invloed doet gevoelen. Daarom juist moeten wij de reis nacht en dag voortzetten."
Dat voorstel van Mars werd door de omstandigheden geboden. Daar hij voor de vaart instond, moest men zich aan zijne behendigheid toevertrouwen. Men zou trouwens geen reden hebben daarover berouw te gevoelen.
Het vaartuig stevende gemakkelijk den geheelen nacht de Sint John op. De vloed hielp nog gedurende een paar uren, daarna moesten de negers elkander op de roeiriemen aflossen, en zoo won men nog een goede vijftien mijlen in zuidelijke richting.
Men hield halt noch dien nacht, noch den daaropvolgenden dag van den 22sten, die daarenboven door geen enkel voorval gekenmerkt werd. Men stevende ook nog gedurende de volgende twaalf uren verder. De bovenloop van den stroom scheen geheel verlaten. Men stevende als het ware te midden van een onmetelijk woud van oude ceders, wier bladermassa's elkander nu en dan over de Sint John heen ontmoetten en zoo een dicht gewelf van groen vormden. Geen enkel dorp werd ontwaard. Ook geen bouwland noch eenzaam staande woning. De oeverstreken leenden zich tot geen enkele soort van bebouwing. Het kon geen enkelen kolonist in het hoofd komen, daar eene landbouwonderneming aan te leggen.
Op den 23sten, bij het aanbreken van den dag, verbreedde de rivier en werd aan een groot waterbekken gelijk, welks oevers eindelijk van het onafzienbare woud bevrijd werden. De landstreek was zeer vlak en liet een gezichteinder ontwaren, die zich over eene oppervlakte van vele mijlen uitstrekte.
Dat was een meer-het George-meer, dat door de Sint John, die er van het zuiden naar het noorden doorheen stroomt, gevormd wordt en waarin de stroom het grootste gedeelte zijner wateren uitstort.
?Is dat het George-meer, Mars?" vroeg master James Burbank aan den mesties.
?Inderdaad," antwoordde deze. ?Ik kan mij niet vergissen. Ik maakte toch deel uit van de expeditie, die tot taak had, het bovengedeelte van den stroom op te nemen en in kaart te brengen."
?En op welken afstand bevinden wij ons thans van Camdless-Bay?"
?Op een afstand van honderd mijlen ongeveer."
?Dat is nog niet eens het derde gedeelte van den afstand, dien wij af te leggen hebben, om de Everglades te bereiken," merkte Edward Carrol op.
?Neen, dat is het nog niet," antwoordde master James Burbank met een zucht.
?Mars," vroeg Gilbert, ?hoe zullen wij nu verder te werk gaan?"
?Hoe bedoelt gij?"
?Zullen wij het vaartuig hier verlaten, om langs een der beide oevers van de Sint John voort te marcheeren? Dat zal niet zonder veel moeite en zonder veel oponthoud kunnen geschieden."
?Dat is waar, master Gilbert."
?Zou het niet mogelijk zijn om, wanneer wij het George-meer in zijne geheele lengte zullen overgevaren zijn, den waterweg te blijven houden, zoolang hij bevaarbaar zal blijken te zijn?"
?Ja, wat zal ik daarop antwoorden?"
?Zouden wij het niet kunnen beproeven?"
?Ja, dat kunnen wij altijd."
?Wij kunnen niet erger ondervinden, dan dat wij op eene ondiepte vastraken."
?Dat is zoo."
?Welnu, als wij het vaartuig niet meer vlot kunnen krijgen, dan zullen wij ontschepen, om den tocht verder voort te zetten. Mij dunkt, dat het wel waard is om geprobeerd te worden. Zeg, wat denkt gij er van?"
?Ik deel uwe meening volkomen, master Gilbert," antwoordde Mars. ?Wij zullen het beproeven."
En inderdaad, in de omstandigheden waarin men zich bevond, kon niet beter besloten worden.
Men kon altijd aan wal gaan, om den tocht te voet voort te zetten. En zoolang men den waterweg kon benuttigen, zoude men veel vermoeienissen uitsparen en ook veel vertraging voorkomen.
Het vaartuig stevende dus het George-meer op en stuurde daarbij langs en nagenoeg evenwijdig aan den oostelijken oever van dat zoetwaterbekken.
De plantengroei was op het terrein, dat rondom het meer slechts eene geringe verhevenheid aanbood, niet zoo ontwikkeld als op de beide oevers van de Sint John. Onafzienbare moerasgronden strekten zich allerwege uit. Eenige gedeelten van den bodem, die minder aan den invloed van de overstroomingen blootgesteld waren, waren overdekt als het ware met een tapijt van zwartachtige mossoorten, waartusschen de violetachtige tinten van kleine paddestoelen, die daar bij millioenen en millioenen groeiden en tierden, scherp afstaken.
Het zou uiterst onvoorzichtig zijn, zich op dien bewegelijken bodem, die slechts uit zacht slijk bestond en onvermogend was om den voetganger een vast steunpunt aan te bieden, te wagen.
Wanneer master James Burbank en zijne tochtgenooten genoodzaakt waren geweest over dit gedeelte van het Floridasche grondgebied te marcheeren, dan zouden zij dat niet hebben kunnen doen dan ten koste van de grootste inspanningen, van de zwaarste vermoeienissen en ten koste van onberekenbare vertragingen, in de vooronderstelling namelijk, dat de marsch mogelijk zoude bevonden worden en dat men niet genoodzaakt zoude worden om terug te keeren.
Slechts watervogels, namelijk die, wier pooten van zwemvliezen voorzien zijn, kunnen zich op zulke moerassige terreinen wagen. Die werden dan ook in overgroot getal aangetroffen. Daaronder had men talingen, eenden en watersnippen, in hare veelvuldige soorten vertegenwoordigd. Er was daar wild in overvloed, genoeg om den voorraad levensmiddelen aan te vullen, wanneer die in het vaartuig uitgeput mocht raken.
Maar dat was het geval nog in lang niet, en had men dus niet noodig tot eene in ieder geval tijdroovende jacht over te gaan. Wat die mannen daar ook van weerhield, was dat men wist dat het in die moerasgronden van gevaarlijke slangen als het ware krioelde. Men hoorde hun scherp gesis onder het groene tapijt van waterplanten, die den bodem bedekten. Die reptili?n vinden, wel is waar, onverzoenlijke vijanden in de schare witte pelicanen, die voor dezen oorlog uitmuntend bewapend zijn, en daar te huis behooren; maar zij hebben zulke onbereikbare schuilhoeken in het diepe meer, en zijn met zulke vruchtbaarheid van voortplanting begaafd, dat zij gerust onuitroeibaar genoemd kunnen worden.
Intusschen gleed het vaartuig met snelheid over de oppervlakte van het waterbekken.
Er stond een flinke noordenwind door, die het zeil vulde en de sloep in de goede richting voortstuwde. Dank zij dier wakkere bries, konden de roeiers dien geheelen dag rusten, zonder dat daardoor eenige vertraging ontstond. Toen de avond viel, waren dan ook de dertig mijlen uitgestrektheid, die het meer van het noorden naar het zuiden meet, zonder bezwaar en zonder vermoeienis afgelegd.
Toen het ongeveer zes uren was, was master James Burbank met zijne tochtgenooten aangekomen bij de zuidelijkste kaap, waarlangs de Sint-John zich in het George-meer stort.
Men hield daar voor een oogenblik halt. Niet om uit te rusten; dat was niet noodig; want niemand was vermoeid. Maar men bemerkte daar een dorpje, uit een viertal woningen bestaande, en men wenschte, als het kon, berichten in te winnen.
Die huizen waren door eenigen dier Floridasche zwervelingen betrokken, die zich hoofdzakelijk gedurende het gunstige seizoen met de jacht en de visscherij bezighielden.
Het was van Edward Carrol, dat het voorstel uitging om te trachten inlichtingen in te winnen omtrent den voorbijtocht van Texar, en men had gelijk dat voorstel op te volgen.
Een der inwoners van dat kleine gehucht werd ondervraagd of hij of iemand anders een vaartuig gezien had, dat het George-meer opstevende en zich naar het Washington-meer begaf en waarin zeven of acht personen gezeten waren en eene mestische vrouw en een kind, een meisje van blanken oorsprong?
?Inderdaad," antwoordde de man.
?Wanneer?"
?Het is nu tweemaal vier-en-twintig uren geleden, dat ik een vaartuig heb zien voorbijstevenen, dat met uwe aanduidingen vrij wel overeenkomt."
?En heeft dat vaartuig bij uw dorp aangelegd?" vroeg Gilbert Burbank.
?Neen."
?Niet?"
?Het heeft zich integendeel zeer gehaast om den bovenloop van den stroom te bereiken."
?Maar hebt gij niets opgemerkt?"
?Ik heb aan boord duidelijk eene vrouw gezien, die een klein meisje in hare armen gestrengeld hield."
?Is dat waar?"
?Inderdaad."
?Vrienden!" riep Gilbert Burbank uit. ?Laten wij goeden moed houden!"
?Dat zullen wij!" betuigden allen.
?Wij zijn dien Texar op het spoor," vervolgde de jeugdige zeeofficier met vuur.
?Ja," antwoordde master James Burbank, ?en hij heeft op ons slechts een voorsprong van tweemaal vier-en-twintig uren. Dat is niet veel."
?Niet veel?" meende Edward Carrol. ?Mij dunkt, in tweemaal vier-en-twintig uren is nog al eenige afstand af te leggen."
?En wanneer ons vaartuig," vervolgde master James Burbank, ?ons nog eenige dagen zal kunnen voeren, dan zullen wij wel op hem winnen."
?Kent gij den loop der Sint-John boven het George-meer," vroeg de jeugdige zee-officier aan den dorpsbewoner.
?Ja, heer, en ik heb dien stroom meer dan honderd mijlen ver opgestevend."
?Zoo, dat treffen wij gelukkig," merkte Edward Carrol op.
?Denkt gij dat hij bevaarbaar is voor een vaartuig als het onze?" ging Gilbert Burbank zijne ondervragingen voort.
?Hoe diep gaat het?"
?Ongeveer drie voet," antwoordde Mars.
?Drie voet?" vroeg de Floridiaan. ?Drommels, dat zal er op sommige plekken knapjes om houden."
?Denkt gij?"
?Maar als gij ijverig het lood uitwerpen zult om het vaarwater niet te ontloopen, dan zult gij het Washington-meer wel bereiken."
?Maar daar aangekomen," vroeg Edward Carrol, ?op welken afstand zijn wij dan nog van het meer Okee-cho-bee?"
?Op ongeveer honderdvijftig mijlen."
?Nog zoo ver!"
?Ja zeker."
?Dank je, vriend."
?Kom aan boord!" riep Gilbert Burbank.
?Ja, aan boord!" herhaalden allen.
?En vooruit met de schuit, totdat de waterdiepte ons begeeft!"
Ieder hernam zijne plaats in het vaartuig. Daar de wind bij het vallen van den avond veel geluwd was, werden de roeiriemen uitgelegd en krachtig gehanteerd. De oevers der rivier vlogen voorbij.
Vóórdat de nacht geheel gevallen was, had men eenige mijlen in zuidwaartsche richting afgelegd.
Er was geen quaestie van om op te houden of ten anker te gaan, daar men aan boord slapen kon.
Het was daarenboven volle maan, zoodat de nacht helder genoeg was om het vaartuig veilig te kunnen sturen. Gilbert Burbank had den helmstok van het roer ter hand genomen. Mars stond op de voorplecht gewapend met een langen bootshaak, waarmede hij voortdurend de diepte van het vaarwater peilde. Wanneer hij daarmede den bodem der rivier aanraakte, dan gaf hij een teeken om het vaartuig stuurboord of bakboord te doen uitwijken. Zoo vooruitstevenende, was men gelukkig genoeg dat de kiel gedurende dien nachtelijken tocht slechts vijf- of zesmalen den bodem aanraakte, waarbij men telkenmale zonder groote inspanning weer vlot raakte.
Toen de zon tegen vier uren in den ochtend aan de kim verscheen, giste Gilbert Burbank dat men niet minder dan vijftien mijlen in den verloopen nacht had afgelegd.
Wat zouden de kansen zich gunstig voor master James Burbank en zijne tochtgenooten leenen, wanneer de Sint-John nog gedurende eenige dagen bevaarbaar bleef en hun zoo tot nabij hun doel zou voeren.
Intusschen deden zich gedurende dien dag eenige materi?ele hinderpalen voor. Ten gevolge van de kronkelingen der rivier vormde zij bij de scherpe hoeken vooruitspringende ondiepten, die door hare veelvuldigheid moeielijk te vermijden waren. Bij die hoeken of kapen versnelde de stroom zeer en voerde kleine kiezelsteenen en zand in aanmerkelijke hoeveelheid mede. Maar even voorbij den hoek, in stille waters aangekomen, bezonken die weder en verlengden zoo de ondiepte tot in het oneindige.
Al die kronkelingen, al die zandbanken, die omgevaren moesten worden, verlengden den af te leggen afstand zeer, en daaruit ontstond voorzeker vertraging. Men kon ook niet altijd den wind benutten, die, wat de algemeene richting betreft, gunstig bleef. Het vaarwater kronkelde toch dermate, dat het soms was alsof de rivier van noord naar zuid stroomde, en dus op haren weg scheen terug te keeren. Maar de negers hanteerden ijverig de roeiriemen en ontwikkelden daarbij zulk een kracht, dat zij er in slaagden het tijdverlies tot een minimum terug te brengen.
Men ontmoette ook hinderpalen, die aan de Sint John in het bijzonder eigen waren. Dat waren drijvende eilanden, die door eene overgroote opeenhooping gevormd werden van eene weelderig groeiende plant, de ?pistia" genoemd, welke door sommige natuuronderzoekers, die den Floridaschen stroom bezochten, vergeleken werd met eene reusachtige latuw of saladekrop, die zich op de wateroppervlakte uitspreidde. Dat groene tapijt bezat genoeg stevigheid, om otters en reigers te veroorloven daarop te dartelen. Voor den mensch was het evenwel niet geraden zich te midden van die plantaardige massa te begeven, want hij zou er zich niet dan met veel moeite uit kunnen redden.
Wanneer hunne nadering aangekondigd werd, dan nam Mars alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om ze te vermijden.
De beide oevers van den stroom waren thans met dichte bosschen overdekt, die de wateroppervlakte als het ware tusschen twee groene muren insloten. Men ontwaarde er wel is waar de ceders niet, die meer benedenstrooms hunne wortels in de Sint John baadden; maar hier trof men eene groote hoeveelheid pijnboomen aan, die eene hoogte van honderdvijftig voet bereikten en tot de Australische pijnboomsoorten behoorden. Deze vonden eene gunstige gelegenheid voor hunnen groei te midden van die terreinen met moerassigen ondergrond, die door de Amerikanen ?barrens" genoemd worden.
De teelaarde van dien bodem is buitengewoon veerkrachtig en soms zoo sterk, dat een voetganger op sommige punten het evenwicht zou verliezen, wanneer hij zich op die bedriegelijke oppervlakte zou willen wagen. Gelukkig behoefde de kleine troep van master James Burbank dat niet te doen, want het vaartuig kon nog steeds de Sint John opstevenen en bijgevolg de expeditie dwars door de streken van beneden-Florida voeren.
De dag ging zonder eenig voorval voorbij. Zoo ook de nacht.
De rivier was en bleef eenzaam en verlaten. Geen enkel vaartuig werd op hare oppervlakte, geen enkele hut op hare oevers bespeurd. Maar over die omstandigheid had men geen reden om zich te beklagen. Het was oneindig beter niemand in verafgelegen streken te ontmoeten, alwaar zooveel slecht volk rondzwierf. Want het kon niet ontkend worden, dat de woudloopers, de beroepsjagers en de avonturiers van allerhande slag en oorsprong, die daar aangetroffen werden, lieden waren van het meest verdachte allooi.
Stond het geheele personeel der expeditie op de pier van Camdless-Bay, gereed om te vertrekken. (Bladz. 134).
Men had ook alle reden om de ontmoeting te duchten der militie-troepen van Jacksonville, van Fernandina en van Sint Augustijn, die door de vlootvoogden Dupont en Stevens genoodzaakt waren geworden in zuidwaartsche richting af te trekken.
Die gebeurlijkheid zou wel de ergste van allen zijn. In die detachementen schuilden voorzeker partijgangers van Texar, en die zouden zich ongetwijfeld op master James Burbank en zijn zoon Gilbert willen wreken.
Nu is het duidelijk, dat het kleine troepje ieder gevecht moest ontwijken, tenzij men den Spanjaard ontmoette, in welk geval men pogen moest, hem de gevangen vrouwen met geweld te ontrukken.
Gelukkig waren de omstandigheden van master James Burbank en zijne tochtgenooten zoo gunstig, dat de afstand tusschen het George-meer en het Washington-meer reeds in den avond van den 25sten afgelegd was. Toen men de grens van die stilstaande wateren bereikt had, was een verder voortdringen met het vaartuig onmogelijk. De rivier was zoo smal geworden, hare bedding was zoo ondiep, dat eene verdere vaart in zuidelijke richting niet meer uitvoerbaar was.
Bij het berekenen der afstanden, kwamen master James Burbank en zijne reismakkers tot de slotsom, dat twee derden van de reis afgelegd waren.
En inderdaad bevonden zij zich nog slechts op een afstand van honderd-veertig mijlen van de Everglades, de landstreek, die bereikt moest worden.