Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabi?, Syri?, Armeni? tot den Kaukasus, Perzi?, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus.
Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende nati?n, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel. Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drie?n kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.
In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-alta?sche (tusschen Oeral en Alta? wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europe?rs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europe?rs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-alta?sche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europe?rs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe's, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?
De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hi?rarchie. "Een Turk te paard kent zijn vader niet," "Als men 't huis uws vaders aanvalt, valt mede aan", zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.
Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.
De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azi? beginnen nieuwe veroveringen der Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azi?, Klein-Azi? of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastie?n, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1 Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.
De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Ca?ro, waartoe een groot deel van Syri? behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.
Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azi?, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoenici?rs en Isra?lieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijk Jeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Ca?ro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscher over geheel Syri? en Mesopotami? geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning van Jeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Veneti? kwam.
Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syri?. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin's dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezi?, Moravi?, Illyri?, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azi? bestonden. Voor-Azi? heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzi? veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syri? noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.
Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Sule?man, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Sule?man, en de zijnen woonplaatsen in het Noorden van Klein-Azi?. Erthogroel's zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.
Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azi?, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azi?, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.
Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azi? en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Alta?sche volkeren in Europa. In Azi? en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Alta?schen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedoni? en Thraci?, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thraci?, Macedoni?, Epirus, Thessali? en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroati?, Slavoni?, Karinthi?, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Alta?schen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Servi?rs vestigden in 't tegenwoordige Bosni?, Herzegowina, Montenegro, Servi?, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizers uit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.
Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Servi?rs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Daci? (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavi? en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemeni?) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.
Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albani?, Macedoni? en Thraci?, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.
De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Veneti?, toen de groote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.
Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Veneti? had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aege?sche Zee. Zoo werd Veneti? ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.
De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken-de Osmanen waren er toen nog niet-en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Micha?l VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.
Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thraci?, Macedoni?, een deel van Thessali? en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aege?sche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; de Venetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servi? sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosni? zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavi? vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder vo?vodes, maar Moldavi? was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azi? sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armeni? en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Veneti? op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.
Zuid-Oost-Europa in ±1350
In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Servi?rs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedoni? uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinci?n van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2 die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.
* * *
1
Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.
2
Op kaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.