Vagevuur (Het), VII, 44, n.
Vallei van Honein, IX, 25.
-Der mieren, XXVII, 18.
Valsche aantijging, IV, 112, 113.
-Getuigenis, IV, 108, n.
-Goden, II, 22, n.
-Maten en gewichten, VII, 83.
-Maten en gewichten, zie Bedriegers.
Valstrikken spannen, VI, 123.
Vasten (De), II, 179–183; V, 91.
Vastendagen, II, 180, 181, n. en 183, n.
Vee, VI, bl. 171, n.
Veldslag, zie Bedr.
Verandering van hemel en aarde, XIV, 49.
Verblijf, IX, 6.
-In de hel, IV, 93.
Verbod omtrent het verblijf van belijders van eenen vreemden godsdienst in de nabijheid van Mekka, IX, 28, n.
-Valsche maten, zie Maten.
-Van drinken en spelen, II, 216.
-Van het gebruik der waterputten van de Thamoedieten, VII, 75, n.
-Van slechte dingen, VII, 156, n.
Verboden boom, VII, 18 en volg.
-Huwelijken IV, 27.
-Spijs aan de Joden, VI, 147.
-Spijzen, het eten van vloeibaar bloed, VI, 146.
-Spijzen, VI, 147; XVI, 116.
-Spijzen, zie Voedsel.
-Voedsel, V, 46.
-Vrucht, zie Adam.
Verbond met de duivels, XXVI, 222, n.
-Met de ongeloovigen, LX, 1 en volg.
-Met de ongeloovigen aangegaan, IX, 4.
-Men moet dit in acht nemen, XVI, 93 en volg.
Verbondenen XXXIII, bl. 448, n.
Verdediging van den zondaar, IV, 106.
Verdeelers, beteekenis van dat woord, XV, 90. n.
Verdeeling van den buit, VIII, 42.
-Van hemel en aarde, XXI, 31, n.
Verderf II, 10, n.
Verdoemden (De), III, 80 en volg. 102; VI, 69; VII, 42 en volg; XI, 108; XXVIII, 28, 100 en volg.; XXI, 45 en volg.; XXII, 20 en volg.; XXV, 29 en volg.; XXXI, 5, 6; XXXIX, 17 en volg. 61; XLIV 43–50; LIV, 41 en volg.; LVI, 40 en volg.; LXIX, 25 en volg.; LXXVII, 15 en volg.; LXXXVIII, 1–7; LXXXIX, 22 en volg; XCVIII, 5; CIX, 1 en volg.
Verdoemenis, zie Vonnis.
Verdrukking der Joden, VII, 166.
Verdrijving uit het paradijs, II, 34.
Vereering der vrouwen, IV, 1.
Vergefelijke zonden, zie Zonden.
Vergelijken met insecten, II, 24.
Vergiffenis, V, 16.
-Van een huichelaar, IX, 81, n.
-Der berouwhebbenden, XXXIX, 54, n.
Verhindering van Abrahams offer, zie Bevel.
Verkwistenden, XVII, 29–31.
Verlangen naar den dood, III, 137.
Verleiding, VIII, 25, 39.
-Van sommige dienaren door satan IV, 118.
Vermaningen des profeets, XXIV, 63, n.
Verminkten en zieken; het eten met dezen niet onteerend, gelijk de afgodendienende Arabieren geloofden, XXIV, 60.
Vermogen der weezen, IV, 2.
-Der zwakken van zinnen, IV, 4.
Vermoorden, II, 79.
Vernielen door wind, zie Sodom.
Veronderstellingen (Sommige) zijne een zonde, XLIX, 12.
Veroordeelde spotternijen, XLIX, 11.
-Laster, XLIX, 11.
Verontschuldiging bij den Heer, VII, 164.
Verruiling van vrouwen, IV, 24.
Vers (Het) van den troon, II, 256 n.
Verschietende sterren, zie Sterren.
Verschijnen van den duivel, VII, 15.
-Voor God, rijkdom noch kinderen verzellen u daarbij, VI, 94, n.
Versierselen, bij het bezoeken van den Caaba, VII, 29, 30.
-Zie Gouden.
Verstoktheid der afgodendienaars, XXXVI, 6 en volg.
Verstooting der vrouw. II, 226 en volg.; IV, 24, zie Echtscheiding.
Vertrouwde goederen, zie Onderpanden.
Vervalsching der Schriften door Joden en Christenen, III, 64, n.
-Der Schriften, zie Christenen.
-Van Testamenten, II, 177.
Vervloeking van de verbergers der duidelijke leer, II, 154.
Vervulling der wenschen, III, 145.
Verwaarloozing van Gods bevel, VII, 149.
Verwoeste steden, XLVI, 26.
Verwoesting van tempels, enz., XXII, 41.
Verzen van den Koran, II, 183, n.; XV, 87.
Vischvangst (De), V, 97.
Visioen, XIII, 45.
-Der gelukzaligen, X, 27, n.
Vleesch, dat mannen en vrouwen mogen eten, VI, 140.
Vloeken eener natie, VII, 36.
Vlucht der uitgewekenen naar Medina, VIII, 26, n.
Vluchtelingen naar Ethiopi? en Medina, IV, 99, n.
Voedsel, XVI, 69.
-Der bewoners van Mekka bij hongersnood, XXIII, 77 n.
-Door Joden of Christenen gereed gemaakt, V, 7, n.
-Verboden en niet verboden spijzen, II, 168; V, 1, 4; VI, 118.
-Voor hen, die niet in den Koran gelooven, LXXIII, 13.
-Zie Verboden.
Voedsters huwen, IV, 27.
Voeren langs den rechten weg, IV, 174.
Voertuig, zie Kameel.
Vogel. Elk mensch heeft zijn vogel aan den hals bevestigd, dat wil zeggen elk mensch heeft zijne bestemming, XVII, 14.
Vogels door Jezus gemaakt, III, 43. n.
-Zie Taal.
Volk dat één godsdienst belijdt, zie Ommat.
-Zonder kleedingen, zie Gog.
Volken, zie Yajoej.
Volmaakte vrouwen; aantal daarvan, LXVI, 12, n.
Vonnis der verdoemenis, door God bij den val van Adam uitgesproken, XXXVI, 6, n.
Voogd, II, 282.
Voorbeschikking Gods, IX, 122.
Voorschriften, V, 7.
-Der zedeleer, II, 77, 147–150, 263, en volg.; XXIII, 98; XXXI, 13, 14; XLI, 34; XLII, 34 en volg.; XLVI, 14–16; XLIX, 10, 13; LVIII, 10 en volg.
Voorspoed der ongeloovigen, III, 196.
-Van den mensch, XVII, 14, n.
Voorspraak, wie die verkrijgen zal, XIX, 90.
Voorzorgen nemen tegen den oorlog, IV, 73.
Vordering van den profeet, II, 102.
Vriendelijkheid, beter dan aalmoezen met onvriendelijkheid gegeven, II, 265.
Vrienden kiezen, V, 61; LX, 1.
Vriendschap, zie Geloovige.
Vroomheid, godvreezendheid, waarin die bestaat, II, 172.
-Zij wordt aanbevolen, XXX, 29.
Vrouw, die geschorst is, IV, 128.
Vrouwen (De), IV, 1 en volg.; XXIV, 2, 6, 10 en volg., 26, 31, 59; LXV, 1 en volg.; LXVI, 1–5.
-Zij zijn voor de mannen geschapen, XXX, 20.
-Voorschriften, haar betreffende, II, 226 en volg.
-Zij zijn den mannen ondergeschikt, II, 228; IV, 38.
-Onvolmaakte wezens, XLIII, 17.
-Voor wie zij zich kunnen toonen, XXXIII, 55.
-Onaangenaamheden, waaraan zij zijn blootgesteld, II, 222.
-Van het hof van Egypte, XII, 31.
-Overspeelsters IV, 19.
-Hoe men haar moet behandelen. IV, 23.
-Haar, die men niet bemint, aldaar.
-Zij moeten bij overtredingen gestraft worden, 38.
-Geloovige en ongeloovige, LX, 10.
-Haar, die de profeet kan huwen, XXXIII, 49 en volg.
-Geloovige LXVI, 11, 12.
-Hare eischen, XXXIII, 28, 29, II, 46, IV, bl. 129, n.
-Van het paradijs, LVI, 34–37.
-Van onberispelijk gedrag, zie Mohsinat.
-Zie Aantal.
-Zie vereering.
Vrouwenlisten, CXIII, 4,
Vruchten van het paradijs, II, 23.
Vrijdag, door Mahomet vooral bestemd voor Gods openbare vereering, LXII, 9, n.
Vrijmaking van een slaaf, XXIV, 33.
Vrijstelling; IX bl. 219, n. 1.
Vuur dat door wrijving wordt verkregen, XXXVI, 80; LVI, 70, 71.
-Door wrijving ontstaan, zie Hout.
-Ontsteken, II, 16.
-Uit den hemel nedergedaald, V, 31, n.
-Zie Wijze.
Vijand, II, 34.
-Zie Zwarte.
W
Waarheid, V, 86. -Spreken omtrent God, VII, 168.
Waarschuwing, zie Dag.
Waarzeggerij is verboden, V, 92.
Wacht-engelen afgelost, XVII, 80, n.
Wa?la, vrouw van Noach, XI, 42, n.
Walid Ebn al Mogheira, een van Mahomets grootste tegenstanders, XC, 5, n.
Wallen of dammen, zie Al Arem.
Ware en valsche leer, II, 257.
-Geloovige, XL, bl. 498, n.
Water, uitgebreid gebruik daarvan in het godsdienstige en gewone leven, XXV, 50, n.
-Uitgieten, beteekenis daarvan, XI, 42, n.
Wedervergelding, zie Wet.
Wedervergeldingsrecht, II, 190.
Wedervergeldingswet, II, 175.
Wedloopen, XII, 17.
Weegschaal (De), XXI, 48; LVII, 25.
Weerspannigheid tegen Mozes, zie Karoen.
Weerwraak, zie Wedervergelding.
Weerzin van het opgelegde juk, II, 286.
Weezen II, 218; IV, 2 en volg. 126; VI, 153; XVII, 36.
-Groeien op, IV, 6.
-Zie vermogen.
-(Vrouwelijke), zie Huwen.
Wegzenden der vrouwen, zie Scheiding.
Weigering, de ongeloovigen te beoorlogen, II, 191, n.
Welbewaarde tafel, wordt alleen door engelen aangeraakt, LXXX, 15, n.
Weldaden, VI, 44.
Welvoeglijkheid, XXIV; 57–59, zie Beleefdheid.
Wenden van het aangezicht, II, 136; IV, 50, zie Kebla.
Wet nopens godsdienst zedelijke plichten, VII, 142.
-Van wedervergelding, II, 173; V, 48, 49; XXII, 59.
Wetverdraaiing, V, 45.
Wind XLVI, 94, n.
Winden (De) aan Salomo onderworpen, XXXVIII, 35.
Witte en zwarte aangezichten, III, 102 en volg.
Woeker (De), II, 276–278; XXX, 38.
Wonder, III, 11.
Woonplaats der Thamoedieten, VII, 72.
Woorden tot de apostelen gericht, XXIII, 53.
Wrok uit de harten genomen, VII, 41.
Wijn (De), II, 216; V, 92, 93.
-Rivieren daarvan, XLVII, 16.
Wijze in het Oosten om vuur te verkrijgen, XXXVI, 80, n.
-Van vergoeding van een ei, XXIII, 14, n.
-Waarop de kameelen worden vastgebonden, XXII, 37, n.
Y, IJ
Yahia, volgens sommigen Jezus, III, 34.
-Diens kuischheid, aldaar. Zie voorts Johannes.
Yahya, schriftverklaarder, zie Al Beidawi.
Yajoej, XVIII, 93, n.
-Zie Gog en Magog.
Yathreb, oude naam van Medina, XXXIII, 13, n.
IJdel genot; III 196, n.
IJ, S, XXXVI, bl. 472, n.
IJzer, LVII, bl. 562, n.
-IJzeren voorwerpen door Adam uit het paradijs medegebracht, LVII, 25, n.
Z
Zacharias, III, 32; VI, 85; XIX, 1; XXI, 89.
-Komt in Marias kamer, III, 32.
-Ouderdom, III, 36.
Zaken waarvan God alleen bewust is, XXXI, 34.
Zakkoem, XXXVII, 60–64; XLIV, 43–46; LVI, 52, 53.
-Zie voorts Al Zakkoem.
Zamharir, groote koude, LXXVI, 13, n.
Zedeleer, zie Voorschriften.
Zee, zie Bahr.
Zee?n (De beide), XXV, 55; XXVII, 62; LV, 19; LXXXII, 3.
-Van Perzi? en Griekenland, XVIII, 60, n.
Zegel der profeten, zie Mahomet.
Ze?d, aangenomen zoon van Mahomet, XXXIII, 37, n.
-Ebn, Haretha, Ze?ds vader, aldaar.
Zelfmoord (De) verboden, IV, 33, n.
Zendeling, Apostel, zie Profeet.
Zendelingen, VII, 35,
Zenden van blijkbaar licht, IV, 174.
Zendjebil, gember, LXXVI, 17.
Zeven (De) slapers, XVIII, 8–13, 15 en volg.
-Slapers, zie Spelonk.
Ziel, XXXIX, 43.
-ten opzichte des doods L, 18.
-Zie Dood.
Zielen van martelaars in kroppen van vogels, II, 149.
Zingende meisjes, door Al Hodar gekocht, om hen de Moslems wilden worden, van hunne bedoelingen af te brengen, XXXI, 5, n.
Zoenprijs, zie Scheiding.
Zoleikha, Potiphars vrouw, XII, 21, n.
Zon, punten van den gezichteinder, waar zij in den loop van het jaar opstijgt, XXXVII, 5.
Zondaren III, 123.
-Zie Apen.
-Zielen van hen, LXXIX, 2, n.
Zonden, VI, 120, 152; XIV, 11; XLVIII, 2.
-(Hoofd en vergefelijke), LIII, 33.
-Vergeven, IV, 51.
-Vermijden, IV, 35.
Zondig gebruik van Gods namen, VII, 179.
-Volk, zie Dag.
Zondvloed (De), LXIX, 11, zie Noach.
Zonen van Dhafar, IV, 113, n.
Zoogloon, uit te betalen aan de vrouw, van welke men scheidt, LXV, 6.
Zuivering, zie Reinigingen.
Zusters erfdeel van een kinderlooze; bestemming van het overige, IV, 165, n.
Zuster, zie Broeder.
Zwakken der aarde, IV, 99.
Zwakke (De) zal vergiffenis worden geschonken, IV, 100.
Zwarte lever, bij de Arabieren teeken van een vijand XX, 102, n.
Zij die beproefd is, LX, bl. 571, n.