Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azi?. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman's zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte.
Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.
Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azi?. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.
De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Sule?man, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Sule?man te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijd van het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Sule?man bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thraci? elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan (? 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).
De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Servi?rs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Servi?rs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedoni?, de Bosni?rs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun vo?vode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Servi?rs bestaand leger bij Tschirmen1 aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedoni? werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Servi?rs, werd vasal van den sultan.
Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedoni?. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Servi?rs, nu vooral die uit het eigenlijke Servi? onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosni?rs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azi? terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Servi?r van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinning bleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Servi?rs.
Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.
Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,-en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.
Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servi? evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid's invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azi?.
De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleen bij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosni?, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.
Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Itali? kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men 't zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus' Servi?rs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.
Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen der kleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azi? een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.
Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz. 689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzi? en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberi?, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland's opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzi? tot Bagdad toe, in Voor-Indi? zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syri?, de toegangspoort tot Arabi?. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot de uitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azi? door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.
De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)
Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azi? herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid's zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.
Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer proza?sche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azi?. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.
Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêr gevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund's schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servi?, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servi? en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azi?. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servi? door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servi?, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Servi?rs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.
Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débacle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden in Scander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albani?, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.
Moerad's opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Veneti? en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad-het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal-al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei nati?n; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April-29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. De Aya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.
Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azi? en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoni?n gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.
Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servi? geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosni? (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinci?n gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Veneti? behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albani? kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavi? nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.
De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Veneti? werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aege?sche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albani?, o.a. Cro?a, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed's aanval: dat waren de ridders der orde van St. Jan, die in 1480 op schitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.
Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azi? een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azi? waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamani?, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.
Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Veneti? werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Itali?, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de vele verwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Itali?, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Itali?, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid's regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor den paus zeer bezwarende omstandigheden.
Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij, drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.
Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azi? aan Selim's rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzi?, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastie?n, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der ?oufi en daarom meest de ?oufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Isma?l aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sji?tische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzi? werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerba?djan en in het Westen een deel van Mesopotami? met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgi? en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzi? en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerba?djan kwam aan Perzi? terug, terwijl Georgi? en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albani? in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotami? bleef Turksch. Sule?man, Selim's opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzi? onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.
Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syri? vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syri?, maar in Egypte bood sultan Touman-Ba? een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nu konden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azi?) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabi?, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Sule?man onderworpen; Yemen eerst na Sule?man, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azi? bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Sule?man en Selim II, heeft dus Selim I in Azi? en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.
In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Sule?man I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Sule?man is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Sule?man een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.
Voor het uitwendige is Sule?man's lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Itali?, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizer van Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.
Sule?man begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.
Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Sule?man den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Sule?man de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.
In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus' dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravi? en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan's kleindochter, Lodewijk's zuster met Maximiliaan's tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.
Hiertegen nu trad Sule?man op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche leger bleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de "Hongaarsche natie" hier haar "graf" gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt-en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, vo?vode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, de Habsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Sule?man erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.
De gezanten van Ferdinand kregen van Sule?man tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Sule?man. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Sule?man het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Sule?man voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.
Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broeder had Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I sloot een offensieve en defensieve alliantie met Sule?man, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzi?. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulati?n, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.
De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aege?sche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Veneti? was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Sule?man, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aege?sche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.
Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Sule?man niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya's zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonder dat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Sule?man een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavi? schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.
In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, is Sule?man weêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Sule?man voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Cateau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den "zeer Christelijken" koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulati?n, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indi? in het einde der vijftiende eeuw.
Sule?man zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met Karel V als koning van Spanje had Sule?man nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Sule?man aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Sule?man's laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Sule?man viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Sule?man, een en zeventig jaar oud (1566).
Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.
* * *
1
Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Servi?rs.
2
In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.
3
De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.
4
Op kaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.
5
De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Veneti? zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren op kaart no. 2 niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmati? en Albani? betreft.
6
Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.
7
In hetzelfde jaar erkende de republiek Ragusa de souvereiniteit van den Turkschen sultan.
8
In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de bo?aren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavi? reeds sedert 1513 en in 1538 had Sule?man in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.
9
Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.