In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om.
Nimmer werd onder Sule?man het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), re?s-effendi (minister van buitenlandsche zaken, ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. "Velen," zegt Ranke, "verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven." Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.
Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servi?, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden. Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.
In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Sule?man was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Sule?man's dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman's stam met de vermoording van den eerstgeborene van Sule?man (zie hiervóór, blz. 685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Sule?man en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.
Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane's macht over Sule?man in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere c?terie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten waren voor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Sule?man onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.
Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Sule?man afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.
In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevoluti?n, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.
De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geen volksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.
Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.
* * *
Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Sule?man nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Sule?man volgende eeuw het geval geweest is.
Selim II, de eerste der "rois fainéants", heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim's opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz. 685) en een oorlog werd gevoerd tegen Veneti?. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilanden Cyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Veneti?. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de "kruisvaarders" zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Veneti? onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).
Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van vo?vode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavi?, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.
De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanning staande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als vo?vode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavi? en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.
Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.
Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in den toestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.
Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Veneti?, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken-en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim's moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.
Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Sule?man II (1687–1691), en Ahmed II (1691-1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht K?prili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azi? groot-vizier maakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed K?prili behoorde, stamde uit Albani? en was vandaar ge?migreerd naar Klein-Azi?, zich vestigende in het plaatsje K?pri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed K?prili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was "geen geleerd man"; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. "Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt," dit waren de eenvoudige raadgevingen, die K?prili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.
K?prili I en K?prili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de K?prili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de K?prili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Veneti? kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein; alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk's invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.
Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De vo?vode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. K?prili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid-men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!-een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Vo?vode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw had zijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.
De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Veneti? vóór het optreden van K?prili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met K?prili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de ze?en beter beveiligd-en ten slotte onder K?prili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Veneti?, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Veneti? ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Veneti? steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Veneti? te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Veneti? te verwachten!
Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Veneti?, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. K?prili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van K?prili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van T?k?li in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat T?k?li ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.
Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door T?k?li en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan de Turken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie K?prili.
De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Veneti?, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servi?, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2 en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.
Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van K?prili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Sule?man II (hiervoor, blz. 697) op den troon verhieven. De nieuwe K?prili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe K?prili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelf sneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II-die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok-kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.
De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)
Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.
Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.
In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in 's vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was 't een K?prili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van K?prili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Servi?rs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podoli? en de West-Oekraine, in den tijd van K?prili II door de Turken veroverd4, moesten nu terugegeven worden. Veneti? behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmati?.
Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook-en nu voor het eerst-een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barenswee?n was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovi? en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.
In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuwe K?prili was reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden's overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenals die van den Franschen gezant-nu hij tijdens den Spaanschen successieoorlog in zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!-om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavi? beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servi? bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.
Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet-opvolger van een vijfden K?prili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)-bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter's ma?tresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.
Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Veneti?, omdat de Venetianen steun hadden verleend aan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Veneti?. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Veneti? in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Veneti?. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servi?. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje's uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servi? en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Veneti?, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Veneti? speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door K?prili-Nauman, toen pacha van Bosni?, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.
In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Itali? en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegen had geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azi?, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nyst?dt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije's strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.
Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzi?. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzi? bestond, trachtten de beide landen in en om den Kaukasus naar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz. 684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter's dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzi? en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzi? geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.
De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, ge?indigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servi? en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. Sultan Ahmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.
Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servi? en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).
Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III, een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.
Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.
Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en-het was hare eerste actie van groote beteekenis-vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azi? (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aege?sche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringen te maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé-één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!-te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.
Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde-en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).
De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.
De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.
Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.
Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerd van de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servi? gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.
Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam-het wordt haast vervelend om het te zeggen-alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders. Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in Belgi?, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde-en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en-van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold II zich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.
Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).
We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Bara?ktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.
Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azi? te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandri? geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d'Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syri? belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.
Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland's eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingen door vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.
Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabi?, kwam aan Rusland; Georgi? en Mingreli? in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot de Porte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden-alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich-kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azi? de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon's politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.
Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de "vrije volken" krijgen, maar-het zou weldra blijken-die volken bedoelden het anders.
We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingen deed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.
Ernstiger was de opstand van de Servi?rs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Servi?rs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges-evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers-kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servi? dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servi? amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servi? zich onderwerpen (1813). De Servi?rs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Servi?rs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.
Roemenen, Boelgaren, Servi?rs begonnen-was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der "philikoi", onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revoluti?n, gericht tegen de na Napoleon's val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heilige alliantie, een werktuig in Metternich's hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich's invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond Alexander Ypsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabi? èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend. Ypsilanti moest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.
Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albani? een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albani? vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeld ingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabi?, die ook werkelijk door Mehemet's zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.
Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servi?, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland na Canning's dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessali? en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?
Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azi?, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasi?. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servi? kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Servi?rs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval van Ypsilanti landgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar-ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen van hunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servi? en de Donauvorstendommen (1832).
Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syri? als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syri? in bezit, trok naar Klein-Azi? en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syri? (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als 't noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.
De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syri?, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen-Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten-aan Mehemet-Ali den eisch Syri? te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optreden tegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.
Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financi?n waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contr?le, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinci?n zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.
Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnen brengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7 en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?
Toch waren de parti?ele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosni? en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer had deze geweigerd hem te helpen den "zieken man" uit den weg te ruimen.
Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen te Jeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens-dit laatste in het geheim-de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geen vrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardini? deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon's gunst te verwerven.
De oorlogsoperati?n begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim-de oorlog heet daarom de Krimoorlog-werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardini?, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: "elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang"; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azi? gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabi?, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavi? gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.
De "zieke man" was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluit van Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.
Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in dien geest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.
Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosni? en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosni?rs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko-Danilo was in 1860 vermoord-, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operati?n tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.
Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servi? ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servi? terug. Zijn zoon Micha?l volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaar zonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servi?, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Micha?ls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servi? dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemeni?-zoo heette de nieuwe staat-een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.
De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte-onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag-, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosni? en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Servi?rs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8 gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor be?indigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoorde wreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. "In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschen minstens werden gedood, tachtigduizend waren dakloos" (1876).
Het geduld van de Servi?rs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosni? en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Servi?rs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servi? dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde "den grooten moordenaar" te Stamboel niets goeds, maar Disra?li, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servi? zou worden ge?ischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856-uit eigen beweging hervormingen dus!-en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellen der mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland's handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro-Servi? had reeds vrede moeten sluiten-besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosni? en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.
Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemeni? sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia, Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armeni? gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servi?, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servi?, Montenegro en Roemeni?; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabi?, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemeni?; autonomie van Boelgarije, d.w.z. 't eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemeli? en een deel van Macedoni?, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosni? en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azi?, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.
Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosni? en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne "goede diensten" aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemeli? kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedoni? bleef geheel Turksch; Montenegro en Servi? kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servi? alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosni? en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze "occupeeren" en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servi? en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosni? en Herzegowina ook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabi? eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azi? besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!
Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Itali? en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemeni? diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedoni?.
Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877 geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland's wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessali? tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland, niettegenstaande ook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessali? verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien-dit eischten de mogendheden voor zich-zou een internationale commissie te Athene contr?le krijgen op de Grieksche financi?n. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.
Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in 1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland's overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland's gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeli?rs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemeni? tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servi?9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servi? en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servi? hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander's regeering over Oost-Roemeli?, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoei?ng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Rusland den nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand's zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemeli? door de Porte en door alle mogendheden erkend.
Nu Oost-Roemeli? feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoni?rs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedoni? heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Servi?rs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedoni? gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Servi?rs niet. Macedoni? werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoni?rs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestand als op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedoni? duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedoni?, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!
De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azi? was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche "occupatie" heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azi? heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armeni? een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azi? nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azi? voortdurend de rust bedreigt. Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeni?rs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeni?rs werden door Circassi?rs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeni?rs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeni?rs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeni?rs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.
In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den "zieken man" al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azi? geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Itali? eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van deze Engelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syri? in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azi? naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azi? verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedoni?, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.
Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servi? op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servi? en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Servi?rs in Bosni? en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemeni? was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servi? den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die-om Macedoni?-Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.
"Drijvend" mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis-en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwam een revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken-want hun opstand van 1908 bedoelen wij-de kracht gevonden het verval te be?indigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.
* * *
1
Dit is eigenlijk het paleis van den groot-vizier, gelegen buiten de poort van het paleis, dat de sultans te Stamboel vroeger bewoonden; nu de groot-vizier van zooveel beteekenis werd, gaf men aan de geheele Turksche regeering dikwijls den naam van zijn paleis.
2
Bij deze gelegenheid is het Parthenon, door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, grootendeels vernield.
3
Zie hiervoor kaart no. 3, waarop aangegeven is, wat Turkije achtereenvolgens verloren heeft tot in onzen tijd toe.
4
Omdat deze landen zoo kort in Turksche handen geweest zijn, zijn ze op de kaart niet als Turksch gebied aangewezen.
5
Dit gebeurde pas in 1779.
6
De inbezitneming van de republiek Ragusa, die nog altijd de suzereiniteit der Porte heette te erkennen, ofschoon ze sedert 1718 geen schatting meer betaalde, door Napoleon (1806) ging geheel buiten Turkije om. Na Napoleon's val kwam Ragusa aan Oostenrijk.
7
D.i. algemeene hervorming.
8
Van de beslommeringen, die deze oorlog in Europa bracht, heeft Rusland gebruik gemaakt om de bepaling over de Zwarte Zee, opgenomen in het verdrag van Parijs, in zoo verre te doen opheffen, dat het nu wel arsenalen en oorlogsschepen in die zee mag onderhouden, maar de Dardanellen blijven voor alle oorlogsschepen gesloten. Daartoe is een conferentie te Londen bijeengekomen (1850).
9
De vorsten van Servi? en Roemeni? hadden, nu hunne landen geheel onafhankelijk geworden waren, den koningstitel aangenomen.
Aanhangsel.
Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma's van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedoni? waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.
In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedoni? het herstel van de constitutie van 1878. Van Albani? uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonische en andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....
Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosni? en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemeli? beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemeli? zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servi? een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Itali?, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servi?. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten-rechten, die alleen nog in naam bestonden!-af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in de beide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulati?n der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servi? zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.
Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering-als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had-te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.
Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijk toonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid's nalatenschap!
Wat al plannen hebben zij ge?ntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,-naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syri? toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar-van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedoni? begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albani? en in Macedoni? schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.
In September 1911 ondernam Itali? een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Itali? ter zee te weerstaan-en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Itali? te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosni? en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Itali? eenige eilanden in de Aege?sche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.
Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedoni?, waarop Bulgarije, Servi? en Griekenland alle drie aasden. Met Albani?, dat Servi?, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Itali? wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servi?, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.
De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen de voornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarsch verdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servi? werden het over de verdeeling van Macedoni? vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedoni?, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.
Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albani? in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige-de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedoni? zou uitstrekken-, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden-, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinci?n van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servi? en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.
Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van ge?ischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thraci? viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas en Tsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Servi?rs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedoni?; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albani? aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedoni? met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aege?sche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servi? en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.
Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Itali? gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servi? zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servi? in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albani? aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albani? en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aege?sche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen ge?carteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip van het nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.
Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thraci? ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albani? vastgesteld. De Servi?rs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.
Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervan ontstane moeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thraci? en Macedoni? zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedoni? krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servi? toegezegd was. Maar Servi? wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thraci? zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemeni? ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije's vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Servi?rs namen nog meer van Macedoni? in bezit. De Roemeni?rs stelden zich in het bezit van Silistri? in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thraci? te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemeni? de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servi? en Griekenland het grootste deel van Macedoni? laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.
Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?
De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servi? gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Itali? alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.
De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren-het lijfde ze bij de eigen marine in-, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije's voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servi? door de centralen (zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.
Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
Plaatsing der Kaartjes.
1. Zuid-Oost-Europa in ±1350 tegenover blz. 666
2. De Uitbreiding van het Turksche Rijk tegenover blz. 674
3. De Achteruitgang van het Turksche Rijk tegenover blz. 690
UITGAVE VAN D. BOLLE TE ROTTERDAM.
Dr. R. DOZY
HET ISLAMISME
3e DRUK,
HERZIEN EN BIJGEWERKT DOOR MR. H. W. VAN DER MEIJ.
DE OUDE GODSDIENST.
MOHAMED VóóR DE VLUCHT.
MOHAMED NA DE VLUCHT.
DE KORAN, DE OVERLEVERING EN DE LEGENDEN.
DE LEER EN DE PLECHTIGHEDEN.
DE AFVAL, DE NEDERLAAG DER OUD-GELOOVIGEN EN DE BEKEERING DER ONDERWORPENE VOLKEN.
DE OUDSTE SEKTEN.
HET ISLAMISME ONDER DE EERSTE ABBASIDEN.
DE ISMA?LIETEN.
HET ?OENFISME.
DE ISLAM IN HET WESTEN.
DE TURKEN, DE MONGOLEN, INDI?, CHINA.
DE WAHHABIETEN.
DE TEGENWOORDIGE TOESTAND.
PRIJS ? 2,90 IN PRACHTBAND ? 3,40
Uitgave van D. BOLLE te ROTTERDAM.
J. KUIPER.
GESCHIEDENIS DER GODSDIENSTEN VAN ALLE VOLKEN DER AARDE
BEWERKT NAAR HET BEROEMDE BOEK VAN F. T. B. CLAVEL.
3e herziene en vermeerderde uitgave. Populair geschreven werk.
MET 10 PLATEN. GROOT FORMAAT.
OVERZICHT VAN DE EERSTE GODSDIENSTEN DER AARDE.
DOEL VAN DEN GODSDIENST.
HET BRAMAISME.
BOEDDHA GOTAMA. ZIJN LEVENSLOOP EN LEER.
CONFUSIUS EN ZIJN LEER,
LAO TSZ' EN ZIJN LEER.
HET MAGISME.
ZOROASTER EN ZIJN LEER.
LAREN OF HUISGODEN.
HERO?N, HELDEN OF HALFGODEN.
DE JODEN.
HET CHRISTENDOM.
GODENLEER DER GERMANEN.
SLAVONISCHE GODSDIENSTEN.
GELOOFSBEGRIPPEN DER ARABIEREN.
MOHAMEDAANSCHE SECTEN.
GODEN DER MEXICANEN.
DE THEOSOPHIE.
WILLIAM BOOTH. HET LEGER DES HEILS.
DE VRIJMETSELAARSORDE.
Ziedaar een boek dat niet alleen bestemd is voor den studeerende en den theoloog, maar vooral ook voor het Christenhuisgezin en dat een onderwerp behandelt, waarover nog weinig geschreven en gedrukt werd, hoewel het in belangrijkheid tot de voornaamsten behoort.
Stap voor stap gaan wij in Kuiper's meesterwerk het ontstaan en de ontwikkeling na van de Godsdiensten bij de verschillende volken der aarde en maken kennis met de er aan verbonden leerbegrippen, plechtigheden en gebruiken, die dikwijls de onverklaarbaarste, vreemdste, somtijds ook de gruwelijkste en wreedste vormen aannemen. Wij volgen de Geschiedenis der Godsdiensten tot in onze dagen en leeren tevens de levensbeschouwing des menschen kennen in hare verscheidenheden. Een aantal prachtige Platen versieren het kostbare boek en toch brengen wij het door den zéér lagen prijs onder ieders bereik.
PRIJS SLECHTS ? 4,50 IN PRACHTBAND ? 5,25
Uitgave van D. BOLLE te ROTTERDAM.
J. BOISSON DE LA RIVIèRE.
DE GEHEIME LEER DER GODSDIENSTEN EN WIJSGEERIGE STELSELS VAN INDI?
HOOGST BELANGRIJK WERK BEVATTENDE:
HET LAND VAN DEN GANGES.
DE GEHEIME LEER.
HET SANKHYA STELSEL.
HET VEDANTA STELSEL.
PATANJALI'S YOGA STELSEL.
DE LAGERE STELSELS.
HET BOEDDHISME.
HET SUFFI?SME.
DE GODSDIENSTSTELSELS VAN INDI?.
HINDOESCHE TOOVERKUNST.
DE VEDA'S.
Prijs ? 2,25 In Prachtband ? 2,75
Colofon
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopi?ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.
Project Gutenberg catalogus pagina: 19786.
Codering
Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
De volgende wijzigingen zijn aangebracht in de tekst:
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.
Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met ".
Dit boek gebruik kapitaal en klein-kapitaal voor namen van personen. Waar dit in de bron niet consistent is gedaan is dat in deze transcriptie stilzwijgend gecorrigeerd.
Niet opeenvolgende versnummers zijn gecorrigeerd. Waar een nummer is overgeslagen, is deze zo goed als mogelijk weer ingevoegd.
Niet opeenvolgende nummers van voetnoten in de tekst zijn stilzwijgend gecorrigeerd. In een paar gevallen is wel een voetnootverwijzing in de tekst geplaatst maar is de bijbehoorende voetnoot niet aanwezig. Deze verwijzingen zijn stilzwijgend verwijderd.
Fouten in de interpunctie in het register zijn stilzwijgend gecorrigeerd.
Spaties in gebruikte afkortingen zijn stilzwijgend genormaliseerd.
Andere typografische fouten zijn gecorrigeerd met het corr element. De oorspronkelijke tekst is weergegeven in het sic attribuut. Het ontbreken van een sic attribuut betekend dat tekst is ingevoegd.
De kaartjes zijn verplaats naar een plaats vlakbij waar er in de tekst voor het eerst naar gerefereerd wordt.
Voor de id attributen van hoofdstukken en verzen wordt de volgende structuur gebruikt:
Element Id
Hoofdstuk (Soera) s
Vers s
Beperkingen op de structuur ten behoeve van HTML generatie.
Verzen zijn gemarkeerd met milestone elementen, met de waarde verse voor het unit attribuut.
Plaats geen milestone elementen in corr elementen. Beide genereren HTML ankers, die niet genest mogen worden.
Plaats ook geen pb elementen in corr of ref elementen.
Plaats ref elementen in corr elementen, niet andersom, om dezelfde reden.
Het ab element is gebruikt om de versnummers aan te geven. Dit met name om ze in HTML een afwijkend uiterlijk te geven.
Opmerking: De Koran in het Nederlands is net als de Bijbel overal op het internet te vinden. Zie bijvoorbeeld www.kuran.nl of www.redouan.nl. Deze uitgave, oorspronkelijk uit 1860, en in het Nederlands vertaalt via het Frans, is zeer rijkelijk van voetnoten voorzien en hoewel deze niet altijd de instemming van Islamieten zullen krijgen, geven ze een boel waardevolle achtergrondinformatie. Ook wordt deze vertaling voorafgegaan door een aantal interessante inleidingen, en gevolgd door een korte geschiedenis van Turkije. Lees deze uitgave in het tijdsbeeld van het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw, toen Turkije nog een macht van betekenis was, en de kreet "politiek correct" nog niet uitgevonden was. Behalve een alternatieve vertaling van de Koran, biedt dit werk dus ook een historische terugblik op hoe in het westen tegen de Islam werd gekeken.
Deze vertaling van de Koran verscheen voor het eerst in 1860 in Haarlem, bij uitgeverij Van Brederode. Een tweede druk verscheen bij deze uitgever in 1879. De derde druk verscheen in 1905, deze (vierde) druk in 1916 en een vijfde in 1925, alledrie bij uitgeverij Bolle in Rotterdam.
De oorspronkelijke Franse uitgave is: Le Koran: traduction nouvelle faite sur le texte arabe par m. Kasimirski; revue et précédée d'une introduction par m. G. Pauthier, verschenen bij Charpentier te Parijs in 1840.
Data voor de auteurs en redacteuren:
Albin de Biberstein-Kazimirski (1808–1887)
Salomo Keyzer (1823–1868)
Nicolaas Japikse (1872–1944)
Andere Koran vertalingen in het Nederlands:
Mahomed's Koran: gevolgd naar de Fransche vertaling van Kasimirksi, de Engelsche van Sale, de Hoogduitsche van Ullmann en de Latijnsche van Maracci; met bijvoeging van aanteekeningen en ophelderingen der voornaamste uitleggers, en voorafgegaan van Eene levensschets van Mahomed, vert. door L. J. A. Tollens, Batavia, 1859, Lange.
De Koran, uit het Arabisch vert. door J. H. Kramers; bew. door Asad Jaber en Johannes J. G. Jansen, 18de druk, Amsterdam, 2003, De Arbeiderspers.
Een monumentale vertaling in de stijl van de "Statenvertaling", die na de dood van Johannes Hendrik Kramers (1891–1951), hoogleraar in het Arabisch te Leiden werd aangetroffen bij zijn nalatenschap. Deze uitgave is gemoderniseerd en voorzien van voetnoten. Oorspronkelijk verschenen in 1954 bij Elsevier.
De koran = al-Quran al-karim: een weergave van de betekenis van betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis, 10de druk, Houten 2002, Fibula.
Deze uitgave met parallele tekst in het Nederlands en Arabisch is voor Moslims waarschijnlijk de meest acceptabele. De Groninger Arabist Dr. Fred Leemhuis heeft bij zijn vertaling ("weergave") rekening gehouden met de voor moslims gezaghebbende uitleg van het boek. Eerst verschenen bij Het Wereldvenster in Houten in 1989.
De heilige Korān, vert. door Maulana Muhammad Ali en Jeroen Rietberg, Den Haag, 2004, Stichting Ahmadiyya Isha'at-i-Islam.
Deze uitgave is gebaseerd op een Engelse vertaling uit Pakistan, en stamt van de leider van de Ahmadiyya-beweging.
Documentgeschiedenis
7-SEP-2006 begonnen.
Externe Referenties
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering
VI bijbel Bijbel
VI Indie Indi?
X, 625, 626, 634, 638, 638, 639, 639, 639, 639, 640, 642, 643, 643, 647, 647, 648, 650, 650, 651, 652, 652, 652, 653, 653, 654, 654, 655, 658, 664, 665 [Niet in bron] -
XII, 37n, 67, 106, 128, 128, 290, 295, 300, 306n, 326, 352, 370, 421, 430, 435, 448, 480, 606, 641 , .
XIII De Mogenschemering De Morgenschemering
XV namelijk voornamelijk
3 ??? ???
5 naarn naar
5 voortbrengels voortbrengsels
5, 6, 113, 121, 165, 203, 232, 244, 267, 280, 300, 304, 309, 331n, 331, 361n, 392, 484, 489, 499, 527, 666 [Niet in bron] )
8, 12, 25, 25, 25 Perzie Perzi?
8 Amine Amina
9, 185 Ismael Isma?l
9 Volhens Volgens
9 Mahomtt Mahomet
9 jeugige jeugdige
11 bevredigd bevredigt
11 bozwaarde bezwaarde
14, 84, 247, 264 Gabriel Gabri?l
15 afschffing afschaffing
15 allen alleen
17, 17, 17 Abyssinie Abyssini?
20 vluchteliugen vluchtelingen
24 iijd tijd
28 erkenen erkennen
30 gezanschappen gezantschappen
31 el-Aswa el-Aswad
32, 45, 73, 74, 74, 75, 75, 75, 598 [Niet in bron] "
33 verspeirdde verspreidde
34 genrmen genomen
34 tijtak zijtak
35, 242, 328 ; :
36 [Niet in bron] zijn
37n, 45, 46, 52, 91, 92, 94, 116, 153, 153, 153, 175, 189, 199, 207, 231, 237, 237, 261, 261, 273, 286, 287, 288, 294, 316, 334, 335, 336, 365, 380, 394, 434, 462, 470, 470, 470, 474n, 476, 479, 479, 480, 481, 494, 506, 522, 531, 537, 607, 646, 653, 666, 712 [Niet in bron] .
39 behroode behoorde,
45n alkaar elkaar
45n dui-lijk duidelijk
45 ioch toch
46 Hedjireh Hedjirah
50, 94, 190, 267, 290, 336, 345, 473, 534 . ,
53 eenge eenige
62 Mohamets Mahomets
66 gestraf, gestraft
67 afgode-derij afgoderij
67 gevangeneen gevangenen
69 kintab kitab
69 hunnne hunne
69 christenen Christenen
71 ????? ?????
73 o nder onder
74, 74, 307 [Niet in bron] "
75 " [Verwijderd]
76 [Niet in bron] ."
76 Jallalo'dinn Jallalo'ddin
77, 351, 521, 559 ( [Verwijderd]
77 slof stof
78 beteekekenis beteekenis
78 Nummeri Numeri
83 verzelde vergezelde
83 ongeloovfgen ongeloovigen
83 hebbben hebben
83 [Niet in bron] 88.
83 geschieden gescheiden
84 Michael Micha?l
84, 86, 158, 185, 193, 193, 208, 212, 277, 324, 362n, 382, 386, 387, 436n [Niet in bron] ,
85n klachte klacht
85 ??? ???
86, 91 [Niet in bron] :
86 vernietingen vernietigen
86 ea en
88 heort hoort
89 Jabob Jacob
89, 304, 517 Jalallo'ddin Jallalo'ddin
91 [Niet in bron] ongeluk
93 van van van
94 179 178
95 Ismalieten Islamieten
97 behoort behoord
97 richtten richten
98 opschiedt opschiet
99, 111, 208, 569n, 576 ) [Verwijderd]
103 eena eene
104 duisterdis duisternis
104 personen persoon
104 bedoelt bedoeld
106 godsdientsoorlog godsdienstoorlog
108, 112, 413 . [Verwijderd]
110n vluchten vluchtten
111 Beildawi Beidawi
112 imram Imram
115 verheften verheffen
118 Islama Islam
119 Godt God
120 hoede goede
122 zondaten zondaren
122, 130, 130, 131, 132, 132, 132, 135, 135, 135, 137, 138, 141, 142, 142, 153, 153, 153, 157, 176, 186, 186, 219 Beidawi Beidawi
126 afgezondert afgezonderd
129 reehtvaardig rechtvaardig
129, 188, 349 . :
132 bevrijd bevrijdt
132, 198, 208, 250n, 276, 304, 305n, 308, 323, 369n, 435, 436, 442, 444 [Niet in bron] (
136 gehoorzaamt gehoorzaamd
137 52 53
138 al Al
141 [Niet in bron] bij
142 begeering begeerig
142 beidawi Beidawi
143 gekwest gekwetst
144 wiilen willen
147 waneeer wanneer
151, 306 Jahya Yahya
151 r62 172
153 was wat
155 vnn van
155 verbintnnis verbintenis
163 bebben hebben
164 Hoofstuk IV, vers 170 Hoofdstuk IV, vers 170
175 alllerlei allerlei
185 parijdijs paradijs
185 [Niet in bron] 138.
185 afgodienaars afgodendienaars
189 hoofstuk hoofdstuk
195 heme-en hemelen
203 alvoren alvorens
210 samengegesteld samengesteld
214 Hoofstuk VI, vers 25 Hoofdstuk VI, vers 25
225 Salary Savary
227 57 56
227 [Niet in bron] 61.
229 10 80
230, 488 zij zijn
230 [Niet in bron] 87.
231n schoonen schoenen
231 [Niet in bron] blijven
231 93 95
232 bewoner bewoners
233 wat want
234 warrom waarom
234 goddienst godsdienst
235 tussshenpersonen tusschenpersonen
236 [Niet in bron] 12.
240 ververhaast verhaast
240 waardheid waarheid
242 [Niet in bron] 86.
243, 321, 401, 574 Israels Isra?ls
244 [Niet in bron] 97.
244 Mawswl Mawsil
244 afgoperij afgoderij
245 [Niet in bron] 1.
250 geloovige geloovigen
250 Aleor Alcor
252n Júdi J?di
256 getasten gelasten
261 [Niet in bron] ?
262 Nimbod Nimrod
264, 265 Kitfir Kitf?r
265, 496 , [Verwijderd]
268 Gabbi?l Gabri?l
269n D'herbelot d'Herbelot
269 toereide toebereide
270 [Niet in bron] 69.
273 19 89
275 136 106
275 Magomet Mahomet
277, 295, 505, 596, 625 [Niet in bron] 7.
280 24 34
290 33 32
291 Hoofstuk XI vers 72 Hoofdstuk XI, vers 72
294n, 459 hune hunne
294 Goloofd Geloofd
296 antwoordag antwoorden
297 dwalling dwaling
298 varnietiging vernietiging
298 uem hem
299 mochtig machtig
300 71 72
304 verschillende verschillen
305n Saman Salman
305n Sallam Salam
305n Gosra Bosra
306n [Niet in bron] 106.
306, 306, 306 Ammer Ammar
308 Jallaloddin Jallalo'ddin
309 138 128
310 Babijlon Babylon
310 Jeruzalm Jeruzalem
311 daarzan daarvan
311 eeide zeide
311, 480 [Niet in bron] van
313 Dis Dit
313 en aan
315 ; ,
319 Kore?hieten Kore?shieten
320 opspringenn opspringen
323 Albeidawi Al Beidawi
324 Jalla'ddin Jallalo'ddin
324 Jallalo'ddim Jallalo'ddin
326 gehoofd gehoord
327n geslagen geslapen
331 al Zamakhchari al Zamakhshari
331 geksmen gekomen
333 Daniel Dani?l
333 gij hij
336 zulien zullen
336 Rad Sad
337n [Niet in bron] 10.
341 50 59
342 hoeveeel hoeveel
354 zijn is
355 zouden zonden
357, 571 [Niet in bron] 22.
360 bathra Bathra
363n ae-dere andere
363 Johannet Johannes
364 97 96
364 96 97
364 en En
368 do de
368 de ende tiende
370 ongeloovingen ongeloovigen
373 vergadert vergaderd
379 [Niet in bron] 89.
381 onaangenaam aangenaam
382 verbonden verboden
382 Mohjaerins Mahojerins
384, 499 24 14
389 rakening rekening
391, 518 Jallalo'din Jallalo'ddin
392 zhn zijn
392 Jollalo'ddin Jallalo'ddin
393 [Niet in bron] 4.
394 [Niet in bron] 18.
395 Jallolo'ddin Jallalo'ddin
395 Okba Obba
397 is is is
398 56 59
401 XXVIII Hoofdstuk (vers 38) XXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)
403 11 82
404 en [Verwijderd]
409n Hasasn Hassan
411 Davies David's
411 geranschikt gerangschikt
412 in is
413 hoeveeldheid hoeveelheid
413 32 39
414 Jallalalo'ddin Jallalo'ddin
414 Kedhr Khedr
414 geplaats geplaatst
420 hen hem
427n rijddommen rijkdommen
427 wevaart welvaart
429 betreuwd betreurd
429 Hem Hen
430 tweehondervijftigste tweehonderdvijftigste
431 zei zij
432 Magtige Machtige
433 47 46
435 Konstantinopoolsche Konstantinopelsche
436 Mesopotani? Mesopotami?
436 3 2
436, 577, 625 [Niet in bron] 3.
440 36 46
441 almoezen aalmoezen
441 2 9
441 vastgwortelde vastgewortelde
442 ?????? ??????
443 en een
448n bedoeld bedoelde
449 7 6
452 ). [Verwijderd]
453n Ean Ebn
453, 458 Aisha A?sha
454 Koren Koran
456n ge-vel bevel
457 omtren omtrent
457 ln in
462 toen Toen
470 hoek boek
470 Sary Savary
470 [Niet in bron] 30.
478 Gelooft Geloofd
478 Yhya Yahya
478 2 8
479 afgoden- afgoden
479 zul- zullen
482n Abdelmotallib Abdelmottalib
482 nakomelinschap nakomelingschap
484 Beidahi Beidawi
488 [Niet in bron] 33.
495 48 38
495 [Niet in bron] 39.
495 ?????? ???
495 krimp krimpt
496 werelk wereld
505 [Niet in bron] 84.
506 Zamakmshari Zamakshari
506 op en
508 genoemd gemoed
508 [Niet in bron] ;
510 waarde waarmede
514 mistieken mystieken
516 [Niet in bron] hij
521, 744 , [Verwijderd]
528n omheldsden omhelsden
529 valeien valleien
531 gehel geheel
531 smaakt smaak
537 Hodiebiya Hodeibiya
540 nieuwgierierig nieuwsgierig
540 geschaden geschapen
542 aan van
546 [Niet in bron] 32.
546 dezefde dezelfde
552 Eeze onze Deze
554 XXXVI XXVI
556 lochenen loochenen
556 loochen loochenen
556 vergankelijheid vergankelijkheid
565 ( ,
566 moeners moeders
570 niez niet
570 15 16
571 bedroefd beproefd
573 verbied verbiedt
574 nemen namen
575 eide einde
576 slaat staat
580 geloofd gelooft
582, 614 [Niet in bron] 5.
582 onvermurbare onvermurwbare
588 [Niet in bron] zullen
590 beschijldigen beschuldigen
593 ongelooven ongeloovigen
598 " '
598 [Niet in bron] '
600 [Niet in bron] 24.
602 ontein fontein
602 fontijn fontein
602 zulllen zullen
606 9 8
607 Tachtiigste Tachtigste
608 omm Omm
609 Teptuaginta Septuaginta
611 [Niet in bron] 19.
612 34 33
612 gevelen bevelen
612 arbiedt arbeidt
614 ledenen lendenen
615 [Niet in bron] 11.
615 maar Maar
620 Negentichste Negentigste
622 weêrspanning weêrspannig
623 13 12
623 ziel ziet
623 vvn van
624 verblijden verblijven
624 [Niet in bron] 6.
625 12 11
632 betooving betoovering
633 ( ;
634 Ha'wiyat Ha'wiyet
635 Pentapolus Pentapolis
640, 659 Ailha Ailah
641 Fhouba Thojeba
642 te de
645 ) ;
646 langmoedigen lankmoedigen
646 Antiochie Antiochi?
647 Missias Messias
647 Marie Maria
648 Al Kedr Al Khedr
648 Hnn Hun
648 een aan
649 XXVVIII XXXVIII
651 Malec Malek
651 Modina Medina
652 straf staf
653 Aron A?ron
653 Onderdom Ouderdom
654 Onghoorzaamheid Ongehoorzaamheid
654 Ontwetenden Onwetenden
656 , '
656 zoon zoon zoon
659 Shoha?b Shoa?b
660 Taboec Taboek
661 Tulland Tulband
664 Vallen Wallen
668, 669, 724 Jerusalem Jeruzalem
680 Scanderbeg Scander-beg
681 aya sophia Aya Sophia
683 sp op
683 verkwikkelingen verwikkelingen
683 pans paus
686 Ragnsa Ragusa
687 Halsburger Habsburger
688 of- een offensieve
689 Sale?man Sule?man
704 teruggeven terugegeven
704 K?prilli K?prili
705 succcssieoorlog successieoorlog
707 Kaukusus Kaukasus
718, 718, 720 IJpsilanti Ypsilanti
729 minsten minstens
733 niettgenstaande niettegenstaande
736 1038 1838
746 ontstaande ontstane
750 ISMAELIETEN ISMA?LIETEN