Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 9 DE VERVANGING OF WIJZIGING DER FRANSCHE WETGEVING.

De sporen der vreemde overheersching waren in zoover uitgewischt, dat eene nieuwe Grondwet was tot stand gekomen niet alleen, maar dat zij ook was ingevoerd. De regeeringsvorm van het Keizerrijk was door eene nationale regeling vervangen. Souvereine Vorst, Staten-Generaal, Raad van State, Rekenkamer, Staten Provinciaal treden in de plaats van de instellingen der Fransche constitutie. De Franschen hadden ons echter nog iets anders gebracht dan hun regeeringsvorm.

De beginselen van staatsbestuur uitgewerkt in Wetten en Decreten waren eveneens uit den vreemde overgeplant op Nederlandschen grond646). Werden wij ook hiervan bevrijd tegelijk met de afwerping van het vreemde juk?

Dat in de dagen van November 1813, toen alle kracht gericht moest worden op de herwinning onzer onafhankelijkheid, de bestaande wetten en verordeningen van kracht bleven, was vooral bij de afwezigheid van den Prins van Oranje niet te verwonderen. Het Staatsbestuur kon niet stilstaan. Toen Hogendorp, bijgestaan door van der Duyn, den knoop doorhakte en zij in naam van den Prins zich stelden aan het hoofd der Regeering, werd in hunne daartoe strekkende proclamatie van 21 November 1813 zoowel op het stuk der belastingen als op dat van het bestuur en de justitie de bestaande wetgeving gehandhaafd. Alleen werd bij hun besluit van 1 December 1813 bepaald, dat er voortaan niet meer in naam des Keizers, maar in naam der Hooge Overheid recht gesproken zoude worden; dat de titulaturen der rechterlijke collegi?n in harmonie zouden gebracht worden met de nieuwe orde van zaken, en dat alleen de Nederduitsche moedertaal bij die collegi?n zou worden gebruikt647). Het eerste was een noodzakelijk gevolg van de vernietiging der vreemde heerschappij; het tweede kon bij de herleving van ons volksbestaan niet achterwege blijven.

Toen dit besluit genomen werd was de Prins van Oranje reeds teruggekeerd, doch was het Algemeen Bestuur nog in werking. Welke gedragslijn volgde nu de Souvereine Vorst, nadat hij den 6den December 1813 de Regeering had overgenomen? Toen de Keurvorst van Hessen in 1813 tot zijne getrouwe onderdanen terugkeerde, haalde hij de pen door alles wat sedert het oogenblik zijner verdrijving, sedert 1806 was ingevoerd648). Dezen weg kon de Souvereine Vorst niet inslaan, ook al had hij-wat niet geval was-dit gewenscht. Waar met opdracht der Souvereiniteit zijn gezag zoude berusten op, zoude omschreven worden in eene vast te stellen Grondwet, kon restauratie van hetgeen in 1795 bestaan had niet in aanmerking komen. Een terugkeer tot de instellingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was onmogelijk, nu eenmaal het besluit genomen was den ouden regeeringsvorm niet te herstellen. Iets anders was het echter, zoo men terugkeerde tot de wetgeving, zooals die op het oogenblik der inlijving, bij het verdwijnen van het koninkrijk Holland bestond. Doch ook dit is niet geschied. Dat de Souvereine Vorst hiertoe niet overging, is voorzeker niet hieraan toe te schrijven, dat hij door den drang der omstandigheden tijdelijk met de onbeperkte macht bekleed, van deze macht alleen gebruik wenschte te maken in afwachting van het tot stand komen der Grondwet. De Souvereine Vorst werd, getuige menige diep ingrijpende maatregel, door dergelijk gemoedsbezwaar niet gekweld. Hij was voor het oogenblik onbeperkt heerscher, en hij gebruikte zijne macht zonder schroom. Had het hem oorbaar geschenen, hij had den toestand kunnen herstellen, zooals koning Lodewijk dien bij zijn afstand gelaten had.

Toch is dit niet geschied. Heeft de Souvereine Vorst het nagelaten, omdat het geheele tijdvak van 1795 tot 1810 toch ook onder den invloed der Fransche denkbeelden gestaan had, en dus de instellingen, bij de inlijving bestaande, evenmin nationaal konden genoemd worden? Ik bedoel hier niet het streven naar politieke vrijheid, dat in 1795 op den voorgrond stond, doch in 1810 reeds lang had gebleken ijdel te zijn; ik heb op het oog het streven naar eenheid van Volk en Staat, met vernietiging van de voorrechten, toegekend aan geboorte, kerkelijke belijdenis of woonplaats. Men had dit beginsel wel nu en dan trachten te beknibbelen, doch in de hoofdzaak had het toch gezegevierd. Ook op dit stuk was de Fransche wetgeving geen terugtred geweest; zij had de opwellingen in tegenovergestelden zin den kop ingedrukt. Ook hierin was dus geene voldoende reden gelegen om de in 1813 bestaande instellingen door die van 1810 te vervangen.

Dit alles neemt niet weg, dat men hier te lande voorliefde koesterde voor hetgeen vóór de inlijving had gegolden, zoodat, hadden er geen practische bezwaren bestaan, het niet onwaarschijnlijk is dat de Souvereine Vorst den vroegeren toestand zoude hebben hersteld. Doch daartegen bestonden wel praktische bezwaren. Men vestige slechts de aandacht op de burgerlijke en strafwetgeving. Den 1sten Februari 1809 was het crimineel wetboek, den 1sten Mei 1809 het burgerlijk wetboek, het zoogenaamde wetboek Lodewijk Napoleon ingevoerd. De rechterlijke inrichting en de regeling der burgerlijke rechtsvordering en der strafvordering waren daarentegen, hoewel vastgesteld, niet in werking getreden. De Fransche Codes daarentegen met al hetgeen er bij behoorde, waren alle den 1sten Maart 1811 ingevoerd en hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Het ging niet aan, de beide wetboeken van koning Lodewijk weder te doen herleven en daarnaast de Fransche burgerlijke en strafvordering en de Fransche rechterlijke organisatie te laten bestaan. En het was eveneens zoo goed als onmogelijk, wat die laatste onderwerpen betreft, de regeling van koning Lodewijk, die nog nooit had gewerkt, in 't leven te doen treden. Alles moest er dus toe leiden om de Fransche wetgeving voorloopig te handhaven. Dit ging ook met mindere bezwaren gepaard, omdat de Keizer zelf niet de geheele Fransche wetgeving met één pennestreek hier te lande had ingevoerd: hij had de wetten, die hier zouden gelden, afzonderlijk genoemd; hij had de bestaande regeling van sommige onderwerpen ge?erbiedigd649).

De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen bestuur had gedaan: hij liet, behoudens de wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te lande, die dit niet hadden begrepen. De Fransche wetgeving had ons iets gebracht, dat reeds onder koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in werking was getreden: de akten van den burgerlijken stand; niet alleen een doeltreffend middel tot verzekering van den staat der personen, maar tevens een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de heerschzucht der geestelijkheid. Nu waren er die meenden, dat met de verdrijving van den vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was herleefd. Bij besluit van 16 Februari 1814 (Staatsblad no. 26) moest de Souvereine Vorst een naderen termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden, geboorten, sterfgevallen enz. aan te geven, een verzuim, dat, zeide de Souvereine Vorst, een gevolg was van het ?dwalend denkbeeld, dat alle instellingen zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk afkomstig, door de gezegende verandering van zaken in dit land, waren komen te vervallen."

Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan, voorzoover ze niet door het algemeen bestuur gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst, vóór de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814 door hem alleen, daarna in overleg met de Staten-Generaal, gewijzigd zoude worden.

In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van 1814 dit laatste plaats gehad? Het is niet mijne bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden; ik wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.

Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen vervullen, uitgaven te doen. Zij moeten in den nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit de bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte van de Staatszorg heeft dus betrekking tot de financi?n, en in 't bijzonder tot de heffing van belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd de belastingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, die met eene enkele uitzondering, de convooien en licenten, een provinciaal karakter droegen, te doen vervangen door algemeene belastingen en alzoo uitvoering te geven aan de beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling van 1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de omwenteling van 1798 zoo goed als onmogelijk beschouwd werd650), was onder Schimmelpenninck door de kunde en energie van den financier der Revolutie, Gogel, tot stand gekomen651). Het beginsel der Staatseenheid was dus op dit gebied verwezenlijkt.

De groote maatregel was geslaagd, alleen had de opbrengst der belastingen niet hoog genoeg kunnen worden om de uitgaven te dekken. Men stond onder koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd ingelijfd, kon een afzonderlijk belastingstelsel moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche belastingen waren lichter; ze zouden dus eene mindere opbrengst geven. De moeilijkheid werd opgelost door de schrapping van ? van de rente der staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was die maatregel voor de renteheffers een financieele ramp, de daardoor met ongeveer 24 millioen verminderde uitgaven zouden nu door de opbrengst der Fransche belastingen kunnen worden gedekt. Waarom echter met de invoering dezer belastingen gewacht tot 1 Januari 1812?652). Dit geschiedde niet alleen om de Hollandsche ambtenaren in staat te stellen, op de hoogte te komen der Fransche inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften van het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende konden worden gedekt. Alleen werden reeds met 1 Januari 1811 de directe belasting op het meubilair en de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en werden ook in andere opzichten de belastingen verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het Fransche belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor tevens de accijns op het gemaal en die op de brandstoffen. De geldelijke uitkomst van de Fransche belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had bedragen, zij in 1811 verminderde tot 334/10 millioen gulden, om in 1812 tot 61? millioen franc te dalen653).

Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam, was hier alzoo het Fransche belastingstelsel in werking. Niettegenstaande hij de kassen ledig vond, meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die eene mindere opbrengst der belastingen ten gevolge moesten hebben. Op denzelfden dag, dat hij de Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot verlaging van het recht op de dranken en een en ander van nog grooter gewicht, waarbij het Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde regie, werd afgeschaft654). Welke denkbeelden den Vorst bezielden, blijke uit den aanhef van dit besluit, waarin hij den koophandel beschouwde, ?als de bron van vroegeren luister", elk monopolie verklaarde te zijn onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en ?strijdig met de liberale denkbeelden, welke de Nederlandsche Regeering steeds hadden gekenmerkt."

Een besluit van den volgenden dag werkte in diezelfde richting655). Het betrof de afschaffing van ?het principe" der gehate Fransche douanes en de wederinvoering van de Convooien en Licenten, tegelijk met het buitenlandsch lastgeld op de schepen. De in den tijd der Spaansche troebelen geheven Licenten wegens den handel op den vijand, en de Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de bescherming der zeevaart of als afkoop voor plundering en kaperij, waren, nadat de redenen voor de heffing niet meer bestonden, als belasting op den in-, uit- en doorvoer van waren blijven bestaan. Het was tegelijk met het buitenlandsch lastgeld de eenige belasting, die onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven656). Het laatst vastgestelde tarief, dat van 1725657), was nimmer door een nieuw tarief vervangen; alleen werd het jaarlijks herzien en dan soms gewijzigd. Ook Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij werd nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals zij volgens de Wet van 29 December 1809 het laatst was herzien. Men dient bij dat punt niet te vergeten, dat het onder de Fransche overheersching zoo uitgestrekte tolgebied nu weder tot de oude grenzen was ingekrompen, en dat alzoo het behoud van het hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude geweest zijn. Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later aangevuld658), werden tevens hersteld de niet tot de Convooien en Licenten behoorende imposten op onderscheidene buitenlandsche producten, die geheven werden volgens de Wet van 18 December 1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent van de hier te lande op die goederen gelegde accijnzen.

De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien, dat althans in de eerste tijden niet aan een verlichting der belastingen, eerder aan verzwaring daarvan zou moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der Franschen van het grondgebied waren niet alleen soldaten, er was daarvoor bovendien geld noodig. Toen de Souvereine Vorst bij besluit van 6 December 1813 (Staatsblad no. 6) de Nederlanders te wapen riep, deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen. ?Gedwongen leeningen voegden niet aan een volk, dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich had genomen". Door vrijwillige bijdragen moest de schatkist worden gevuld. De bron vloeide echter niet ruim genoeg om daarmede de behoefte te kunnen dekken659). Evenmin kon aan het oogmerk voldoen, dat de ingezetenen bij besluit van 18 December 1813 (Staatsblad no. 13) werden uitgenoodigd tegen genot van ?% per maand voorschotten te doen op de belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al ware deze maatregel beter geslaagd dan het geval schijnt te zijn geweest, kon hij alleen voor het oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van de inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine Vorst moest dus wel zijne toevlucht nemen tot eene nieuwe regeling der belastingen.

?In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om ten spoedigste aan 's lands schatkist te verzekeren de geldmiddelen, welke dezelve in staat kunnen stellen om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en gewone uitgaven, die, ter voldoening der verschuldigde renten van de nationale schuld, ter bestrijding van de onkosten voor het inwendig Bestuur, voor den Waterstaat, voor de Zeemacht, mitsgaders voor de defensie en de armee van den Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te nemen in den oorlog, welke voor de onafhankelijkheid der Staten van Europa gevoerd wordt, benoodigd zijn." Zoo luidde de aanhef van 's Vorsten besluit van 23 December 1813660), aanwijzende de belastingen in 1814 te heffen. Bij dit besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de richting van de afschaffing der Fransche belastingen en de vervanging daarvan door belastingen volgens het stelsel van Gogel. De zoogenaamde vereenigde rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het oogenblik van de inlijving bestaande. Zout, gedistilleerd en wijn werden weder volgens de Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf, zeep en gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend, traden weder uit het niet te voorschijn. De domaniale, provinciale en watertollen traden in de plaats der droits de navigation, eveneens een der vereenigde rechten. Zoo herleefden ook het recht op de waag en op de ronde maat, van oudsher in ons land bekende belastingen, drukkende, met vrijstelling van den kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de maat, 't zij bij het gewicht. Tevens werd weder ingevoerd de belasting op de binnenlandsche scheepvaart, geheven onder den naam van het binnenlandsch last-, water-, plaisier- en passagegeld. De wederinvoering van Gogel's wet op de successie was eenerzijds eene verlichting, doordat het successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk geheven, hierdoor verdween; anderzijds was het eene verzwaring, daar het tarief van Gogel veel hooger was dan het Fransche661).

In vele opzichten keerde men dus tot de Hollandsche wetgeving terug. Van de belastingen bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der personeele en patentbelasting, benevens de rechten op den waarborg662) aan de Fransche wetgeving onderworpen, terwijl ook de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver zouden worden geheven.

Het valt niet gemakkelijk na te gaan, wat den Souvereinen Vorst heeft bewogen van de Fransche belastingen deze te behouden, gene af te schaffen. Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang der schatkist geput, die tot het een of ander hadden doen besluiten. Dat bij de afschaffing der tabaksregie een ander doel beoogd werd, sprong ook, al ware dit niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog. Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de wederinvoering van de Convooien en Licenten. Zij waren, voorzoover dit van eenige belasting kan gezegd worden, steeds populair geweest. Was de reden hiervan gelegen in de lage rechten? Maar toen de Souvereine Vorst de Convooien en Licenten herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief, zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit tarief ademde een protectionistisch karakter. ?De zee", zegt Hogendorp663), ?was toen gesloten, de koophandel scheen vernietigd en men zocht eenige vonken van welvaart op te wekken uit fabrieken, die om verbod of bezwaar van invoer van vreemde goederen verzochten. De vergunningen toen verleend en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en zonder vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen koophandel, zeer nadeelig te zijn. De belemmeringen aan den algemeenen handel toegebracht, strekten veel meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan doen kon." Dit was dan ook de reden dat men niet staan bleef bij de in December 1813 weder ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die volgens de wet van 1809 geheven werden. De zucht ?om den herlevenden koophandel te begunstigen", leidde er toe om na de invoering der Grondwet van 1814 en dus nu in overleg met de Staten-Generaal bij de wet van 25 Juni 1814 (Staatsblad no. 70) het tarief in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt dient te worden. ?Het was", zegt Hogendorp, ?eene oude gewoonte, dat de koopman verklaarde onzeker te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der goederen, en dat diensvolgens eene overeenkomst werd getroffen tusschen hem en den ontvanger aangaande de verschuldigde som." Hiervan was het gevolg, dat in werkelijkheid de betaalde rechten minder bedroegen dan volgens het tarief verschuldigd was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair bij den handel had gemaakt; het was echter geen noodzakelijk gevolg van deze heffing. Men zag dan ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht blijven bestaan. Toen kort daarna, bij de wet van 1 December 1814 (Staatsblad no. 109) de zoogenaamde premie bedragende 2% van de inkomende en 1% van de uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men van de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van het placcaat van 1725 (art. 40–42) waarin dat misbruik geworteld was, te doen vervallen.

Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door maatregelen van den Souvereinen Vorst alleen uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had de inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de herstelling deed het tegenovergestelde. ?De droits réunis," zegt Hogendorp664), ?waren afgeschaft, het monopolie van den tabak was vernietigd; maar men stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder het gemaal), die veel meer opbrachten. Doch alzoo er een geduchte oorlog te voeren, de troepen der bondgenooten te voorzien, een leger op de been te brengen en een ruim materieel aan te schaffen waren, begreep de natie, dat er ook geduchte oorlogslasten tot bescherming der onafhankelijkheid moesten gedragen worden". In den loop van het jaar 1814 was echter aan den oorlog een einde gekomen en mocht men zich vleien, dat een toestand van vrede ons voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook voor het jaar 1815 op vermindering van belasting bedacht zijn. Bij de wet 1 December 1814 (Staatsblad no. 109) werd niet alleen de premie of het veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de transitorechten in 1802 ingevoerd, weder op de helft gebracht, en de rechten op den indigo verlaagd. Een andere vermindering betrof de belasting op de dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de afschaffing van het proportioneele recht op de patenten. Tevens werd in de eerste maanden van 1815 de belasting op paarden en dienstboden, en op de patenten, door eene geheel nieuwe regeling vervangen, waarbij weder de wetgeving van Gogel tot voorbeeld werd genomen665).

Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte der belastingen voor verreweg het grootste deel weder vervangen door hetgeen hier te lande in 1805 en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo nog alleen de grondbelasting, de belasting op den waarborg en de zegel-, registratie-, griffie- en hypotheekrechten, die aan de vreemde overheersching bleven herinneren.666)

Voordat ik van dit onderwerp afstap, wensch ik nog op één punt de aandacht te vestigen, dat met den omvang der toenmalige belastingen in nauw verband staat. Men had in 1814 noodig gehad ? 59.800.000, terwijl de gewone inkomsten ? 38.400.000 hadden bedragen. Dit moest dus over het jaar 1814 hebben gegeven een tekort van meer dan 10 millioen. Toch was er bij den aanvang van het volgend jaar een overschot van ruim 10 millioen. Van waar dit verschijnsel? Het liet zich slechts voor een klein deel verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen, die ten gevolge van de wet van 14 Mei 1814 (Staatsblad no. 58) in de kas waren gevloeid; de wet, die tot opschrift had: herstel der Nationale schuld en vinding der fondsen, benoodigd tot stijving van 's lands kas. De titel wijst aan, dat deze wet in betrekking stond tot den harden maatregel door Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en dat het hare bedoeling was, daarop terug te komen. Echter niet voor het geheel, maar in zoover, zeide de wet, ?als de billijkheid in de tegenwoordige omstandigheden gedoogde en medebracht." Van onderscheidene zijden is sedert lang erkend, dat, had de inlijving geene plaats gevonden, het Staatsbankroet toch had moeten worden uitgesproken. Het bestond feitelijk reeds lang. Men is er echter dankbaar voor, dat het noodlot den Keizer en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak dwong667). Men keurt het echter af, dat toen de Keizer Holland met zijne lusten opnam in het groote Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente voor Frankrijks rekening nam668). Doch dat hij dit niet gedaan had, ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst hem dankbaar zijn. Immers zoo tijdens de Fransche heerschappij de volle rente betaald was, zoude de financieele toestand bij onze herleving veel moeielijker voor den Souvereinen Vorst zijn geweest. Dan had deze moeten voortgaan òf die volle rente te betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een soortgelijken maatregel als dien van Napoleon moeten nemen, en dus zijne regeering met een staatsbankroet moeten inwijden669). De tierceering van Napoleon stelde hem nu echter in de gelegenheid, of, om zonder ergernis te verwekken, het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij, ook maar voor een gedeelte, op dien harden maatregel terugkwam, als hersteller van onrecht op te treden. Wat anders spoliatie zoude zijn geweest, zou nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan nu beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als hare bedoeling uit, de ramp te verzachten, die de renteheffers getroffen had. De maatregel, waardoor dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De nationale schuld zoude voortaan alleen bestaan uit ééne soort effecten, 2?% rente dragende. Zij die b.v. in 't bezit waren van effecten op dat oogenblik gevende ? 45 rente, konden daarvoor krijgen een kapitaal van ? 6000, waarvan ? 2000 werkelijke, d. i. dadelijk rentegevende schuld zoude zijn, terwijl ? 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren. Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij niet in de Werkelijke Schuld was overgegaan. Dit laatste zoude door middel van uitloting jaarlijks tot een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats vinden; iets wat tot voortdurende vermeerdering der rentegevende schuld zoude hebben moeten leiden, ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een gelijk bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het alleen ten gevolge hebben, dat niettegenstaande de voortdurende amortisatie de rentedragende schuld op dezelfde hoogte bleef670).

Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas? Hierdoor, dat aan de bezitters der Nederlandsche effecten de bezwarende voorwaarde was opgelegd, om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld, dadelijk rentedragende ? 45, eene som van ? 100 in contanten te moeten bijpassen. Het gevolg hiervan was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat door de conversie, in eenerlei effect van 2? pct., het kapitaal der schuld van 1250 millioen steeg tot 1726 millioen, waarvan ? 575.350.000 werkelijke en ? 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere verlaging der rente zou nu voortaan niet meer te denken zijn. Er zoude echter ten gevolge der verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente behoeven betaald te worden dan van de 575 millioen. Na verloop van hoogstens 290 jaren zoude dan de uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is hier de plaats niet, over de uitkomsten van dien maatregel te spreken; alleen zij herinnerd, dat, terwijl onder de regeering van Willem I er voortdurend nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgestelde schuld eene grootere hoeveelheid vernietigd werd, dan waartoe men volgens de wet van 1814 verplicht was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag op den maatregel van 1814 terug te komen, en men de houders der uitgestelde schuld noodzaakte zich met dadelijke betaling van ?de innerlijke waarde" tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan een kapitaal van 893 millioen in wezen was, waarvan de aflossing den Staat op 71 millioen te staan kwam671). ?Hoe lofwaardig", zeide de memorie van toelichting op de wet van 17 September 1841, ?ook de bedoeling moge geweest zijn, de ondervinding heeft geleerd, dat de genomen maatregel het voorgestelde doel niet heeft bereikt." Ook niet ten opzichte van de door de herziening getroffen renteheffers. ?Zij die het meest door de herziening der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans het minst bij machte het aan hen gegeven renteloos fonds tot eene eventueele uitloting onaangeroerd te laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve voor een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om hun aandeel in de aan de conversie verbondene bijlage te voldoen." Alleen in zoover trof die maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene gedwongene leening de toevlucht behoefde te nemen, 28 millioen in kas bracht672).

Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij-hoe onmisbaar ook-de Staat zich niet van de meest populaire zijde laat kennen. Doch het onderwerp dat ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den smaak. Ik bedoel het krijgswezen. Vooral in die dagen was het met eene zwarte kool geteekend. Zoo iets nog meer gehaat was dan het Fransche douanestelsel, was het zeker de conscriptie. Een last, te drukkender, omdat hij dienstbaar was gemaakt aan de heerschzucht van den vreemdeling. In den aanvang wilde men dan ook hier te lande van gedwongen krijgsdienst niets weten. Men schijnt zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe betrekkelijke regeling door de bevrijding van zelve was vervallen. Zoo trachtte dan ook het hierboven vermelde besluit van 6 Dec. 1813 (Staatsblad no. 6), hetwelk de ingezetenen uitnoodigde tot het geven van bijdragen, door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte te voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene gewapende macht samen te stellen, in staat om het grondgebied te bevrijden. Men ziet dan ook reeds veertien dagen later den Souvereinen Vorst de toevlucht nemen tot het opleggen van dwang. Bij een Reglement van 20 December 1813 (Staatsblad no. 14) werd een algemeene volkswapening ingevoerd. Alle weerbare mannen van 17–50 jaren zouden den landstorm uitmaken, die bestemd was om naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog door den vijand bezetene vestingen in te sluiten en zijne aanvallen af te slaan. Uit dien landstorm zoude tevens, voor zoover het vereischte getal door vrijwilligers niet verkregen werd, door middel van loting tusschen de ingezetenen van 17–45 jaren eene landmilitie worden getrokken. De plaatsvervanging werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men een militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en 4000 man artillerie) te verkrijgen. De krijgsmacht bestond dan ook in de maand April, de eigenlijke landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000 man, eene macht waarmede men, zoo Parijs zich intusschen niet had overgegeven, de geallieerden te hulp had kunnen komen673).

Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp bepalen? Zoude zij, evenals de Schets van Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het ontwerp der Grondwet zoo goed als gereed was, kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari 1814 met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen omtrent de landmilitie en de landmacht vast te stellen674). Met R?ell belast die artikelen te ontwerpen, werd het Hoofdstuk over de defensie, het 6e van de Grondwet van 1814, na eerst aan de goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderworpen te zijn675), in de daaropvolgende zitting, die van 28 Februari, door beide heeren voorgesteld en door de commissie aangenomen.

Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe Hoofdstuk in de Grondwet te plaatsen? Wanneer men het eerste artikel (art. 121), waarin op voorstel van Hogendorp676) naar 's lands oude gewoonte en het grondbeginsel der Unie van Utrecht verwezen werd, leest, zou men denken dat het de bedoeling was om de ingezetenen aan hunnen plicht te herinneren, de wapenen op te vatten tot handhaving van de onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter in het volgende artikel (122) den Souvereinen Vorst de plicht ziet opgelegd, te zorgen voor eene toereikende zee- en landmacht, door werving van inboorlingen of vreemdelingen te verkrijgen, dan wordt het duidelijk, dat men dien last zoo weinig mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123–126). De militie, door loting samengesteld uit de ingezetenen van 18–22 jaren, die vijf jaar zullen dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den wapenhandel geoefend worden, behoudens het recht van den Souvereinen Vorst om ? van het geheele getal te doen samenblijven, en om in buitengewone omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in 't laatste geval echter in nader overleg met de Staten-Generaal. De wet zoude voorts het getal en de inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude eene wet gemaakt worden voor de naast of achter de militie geplaatste schutterij, vooral bestemd tot behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de Grondwet ten doel heeft gehad, het recht van den Staat binnen zekere grenzen te beperken, om tevens daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met die gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou loopen.

In dien geest handelde dan ook de Souvereine Vorst, toen hij de werving niet alleen bepaalde tot de ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in het werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen. Ook hierbij kan men spreken van ?als van ouds". Het oog werd daarvoor op Duitschland en Zwitserland gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden 2000 man; het door den anderen tak bezeten Nassau 3000; eenige Zwitsersche kantons 8000. De belangen der soldaten werden door hunne overheid in zoover niet uit het oog verloren, dat zij alleen in geval van nood in Zeeland zouden mogen verblijven en in geen geval naar de Koloni?n gezonden mochten worden677). Men had dus wel eenige zorg voor de gezondheid der troepen. Alleen de Vorst van Inn- en Kniphausen leverde ± 1000 man voor de Koloni?n, tegen ? 130 per stuk.

Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van den dienstplicht niet worden bevrijd. Noch het in dienst nemen van vreemde troepen, noch het werven van soldaten was in staat eene voldoende legermacht te vormen. Het was dus gelukkig dat de Grondwet eene achterdeur had opengelaten voor de invoering van den gedwongen dienst. De wetten van 27 Februari 1815 (Staatsblad nos. 19, 20) gaven uitvoering aan het zesde hoofdstuk der Grondwet. De eerste betrof de nationale militie, de tweede de schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde leest geschoeid als de landmilitie van 1813. Het land verdeeld in districten van 100.000 zielen: op elk district een bataillon infanterie en eene afdeeling artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen allereerst door vrijwilligers en daarna door loting uit de ongehuwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Zij, die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven niet wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van een vrijgelote te verwisselen, òf een plaatsvervanger te stellen. Verboden werd het zenden van de militie naar de koloni?n, en voor het zenden daarvan buiten de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de toestemming der Staten-Generaal noodig. Van 15 Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend worden. Terugkeer tot de haardsteden van minstens ? na afloop dezer oefening. Zoo verkreeg men eene macht van ongeveer 20.000 man, waarvan het waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de wapenen zoude worden gehouden. Het was de bedoeling, dat van het ? 't welk naar huis ging, ook de militie-officieren en onderofficieren, die voor het overige met die van de staande armee werden gelijk gesteld, verlof zouden bekomen.

De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de schutterijen, bracht hare sterkte op 3% der bevolking, beschouwde ze als een plaatselijke instelling en verdeelde ze in dienstdoende en rustende, de eerste in plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide samen te stellen uit de ingezetenen, die den vollen ouderdom van 18 jaren zouden hebben bereikt en het 51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige rust, en in tijd van oorlog gezamenlijk met de rustende tot verdediging van het vaderland. Om uittemaken, wie tot den schutterlijken dienst zoude worden aangewezen, werd niet de toevlucht genomen tot het lot: de aanwijzing werd overgelaten aan eene commissie, die, daarbij lettende op leeftijd en ongehuwden staat, de meest geschikten moest uitkiezen.

Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet, ook op het gebied der landsverdediging de Fransche instellingen door nationale vervangen. Ook nog ten opzichte van een hiertoe eveneens behoorend onderwerp. Ik bedoel het militair strafrecht en zijne toepassing.

Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn voor de onafhankelijkheid van den Staat te waken, vormen een bijzondere maatschappij. Eene maatschappij, die men in orde tracht te houden door een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in verband staand esprit de corps. Men moet ?eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en dus ook tot het wel betrachten van 's lands dienst medewerken"678). Voorzoover dit bij de zwakheid der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge tucht en streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo hebben het leger zoowel als de marine behoefte aan bijzondere regelen ter handhaving van de orde in die militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving dergelijke regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat zij voldoende waren, was ook niet te ontkennen; men zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben beholpen. Het schijnt echter, dat, evenals men de wetten op de conscriptie als vervallen beschouwd had, ditzelfde ook het geval is geweest met het militaire strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand kon niet blijven. Men zou hebben gevangenen, gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813 (Staatsblad no. 19), voor zoover de qualificatie van misdaden en strafbepalingen aanging, weder ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat van 26 Juni 1799. Met de marine zou men zich intusschen zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp in zijn vollen omvang zoude zijn geregeld. Eene verwachting die hierin haren grond had, dat op het oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De commissie, door den Souvereinen Vorst reeds den 18den December 1813 voor de Armee benoemd, en den 27sten December 1813 voor de Marine aangevuld, gebruikte de aanwezige bouwstoffen, en was zoo spoedig met haar werk gereed, dat de Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de Staten-Generaal eene wet over dit onderwerp kon inzenden679), die, door dit lichaam aangenomen, onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in het Staatsblad verscheen. Zij behelsde de vaststelling van vijf wetboeken680).

Deze regelden echter niet het geheele onderwerp. De Wet van 1799 bleef voorloopig gehandhaafd. De ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande, en het reglement van discipline voor hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan een nader onderzoek worden onderworpen. Waarom? De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook de gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie zouden worden onderworpen. Dit onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden zoo betwiste punt was na de omwenteling van 1795681) in ontkennenden zin beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht, dat hierop zoude worden teruggekomen682); zijne aftreding verhinderde echter de uitvoering van dit voornemen; nu was het de Fransche wetgeving die het na de Revolutie gehuldigde beginsel weder ter zij zette. Hierin bracht de verdrijving der Fransche heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene delicten aan de militaire rechtspleging. Dit kon dus bij de vaststelling der nieuwe regeling geene aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het bezwaar dan? In de vraag, of krijgstucht kon gehandhaafd worden zonder lichamelijke tuchtiging; iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine meende men vrij algemeen het kielhalen en laarzen, het uit de ra vallen en laarzen, het slaan met handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de zeemacht (art. 22). Ten opzichte van de Armee had echter Koning Lodewijk de stokslagen en de slagen met de sabel afgeschaft683). Overeenkomstig de ontwerpen van Koning Lodewijk en met toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan ook in de Commissie deze straffen bij de Armee weggelaten. De Erfprins, wiens militaire ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en die dit middel bij het Engelsche leger had zien werken, vreesde dat de discipline zonder die tuchtmiddelen niet kon worden gehandhaafd. Eveneens de Raad van State, in wiens handen de ontwerpen om advies waren gesteld. Men wees op de nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het slaan in zwang geraakt, uit Duitschland in Frankrijk overgebracht en tot een uiterste gedreven. Na de Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd. De Raad meende echter zeker te weten, dat men zelfs in de Fransche armee daarop was teruggekomen; een kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes doen slaan, onder den naam van correction paternelle, en als 't ware met zijne toestemming, ten einde een toegewezen onteerende straf te ontgaan684). Het gevolg was, dat in de bij de wet van 15 Maart 1815 (Staatsblad no. 26) bekrachtigde twee ontwerpen685), overeenkomstig het Reglement van 1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten van 14 November 1879 (Staatsblad no. 191–194) zoowel voor het krijgsvolk te water als te lande lichamelijke tuchtiging afschaften.

Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de wetgeving van 20 Juli 1814 tevens uitvoering was gegeven aan art. 115 van de Grondwet, hetwelk voorschreef de oprichting van een Hoog Militair Gerechtshof.

Zoo waren dan het militaire strafrecht en de militaire rechtspleging binnen één jaar na de invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in harmonie met de op dat tijdstip hier te lande bovendrijvende meening686).

Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen ik nu wensch uiteen te zetten. Ook de gewone maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en rechtspraak. Dit onderwerp, reeds vroeger meer dan eens door mij aangeroerd, verdient eenige nadere bespreking.

Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad vóór 1810 op het gebied der belastingen te zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier te lande te vestigen. Had koning Lodewijk een paar jaren langer kunnen regeeren, hij zoude dit hebben tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven is opgemerkt687), alleen ingevoerd het Crimineel Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, het eerste den 1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei 1809. Vastgesteld waren de wetboeken betreffende de rechterlijke instellingen en de burgerlijke rechts- en strafvordering, maar zij waren nog niet in werking getreden. Het door van Gennep, Asser en van der Linden ontworpen Wetboek van Koophandel was ontwerp gebleven. Midden in dien wetgevenden arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de Fransche Codes gebracht: le Code Napoléon, le Code de procédure civile, le Code de commerce, le Code d'instruction criminelle en le Code pénal. Deze wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en zij hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Een wederinvoering van het Wetboek Lodewijk Napoleon kwam minder in aanmerking, daar het in de hoofdzaak overeenkwam met den Code Napoléon. Meer voorliefde schijnt men gehad te hebben voor het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken zoude ook de Code d'instruction criminelle hebben moeten worden vervangen door de Strafvordering van koning Lodewijk, die eene doode letter was gebleven. Daar het Crimineel Wetboek de Fransche verdeeling in misdaden, wanbedrijven en overtredingen niet kende, zou men de Fransche Instruction Criminelle niet hebben kunnen laten bestaan naast dat Crimineel Wetboek. Hetzelfde was het geval met de Rechterlijke Organisatie, tusschen welke en de Wetboeken een nauw verband bestond; ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer ingevoerd, had dan moeten in werking treden. Het was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen het rechtswezen en den nationalen geest, de Fransche wetgeving bleef voortbestaan, althans tot punt van uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd bleef zij niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te Parijs vervallende, bleef het Hooggerechtshof in den Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te lande. Het besluit van 11 December 1813 (Staatsblad no. 10) maakte van dit Hooggerechtshof het eenig collegie van hooger beroep voor het geheele land; het beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde taak te vervullen kreeg, die vroeger rustte op de Cour de Cassation te Parijs (art. 19, 20, 26). Soortgelijke regeling-benevens eenige overgangsbepalingen-was niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij datzelfde besluit toch werd de jury afgeschaft; de Hoven van assises, bestaande uit leden der rechtbank en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden voortaan niet alleen over de toepassing der wet, maar ook over schuld of onschuld uitspraak doen (art. 16). Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen hieraan toe te schrijven, dat de vreemdeling ons die instelling had gebracht. De latere geschiedenis heeft toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij van alle zijden omringd zijn door volken, die zelven deelnemen in de strafrechtspraak, heeft de jury ook in lateren tijd bij ons geen ingang kunnen vinden-hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de weinige opgewektheid hier te lande, om zich met de publieke zaak te bemoeien. Eveneens kon men zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen besnoeien. Alleen de pleidooien zouden voortaan in het openbaar gehouden worden, en de vonnissen in het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus waaraan zoowel het een als het ander moest worden getoetst, werd, in strijd met de Fransche regeling, aan de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de Wet op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October 1838 de openbaarheid der terechtzittingen ook in strafzaken weder in. Deze beperking der openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der jury in 1813 afkeuring gevonden te hebben. Vreemd is het niet, wanneer men zich herinnert, dat de Staten-Generaal volgens de kort daarna vastgestelde Grondwet eveneens in het geheim vergaderen zouden, en dat, toen in 1815 de openbaarheid van de zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-Generaal tegen de Grondwet van 1815 inbrachten688). Publiciteit was in die dagen niet nationaal.

Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit van 11 Dec. 1813, zich hiertoe bepalen? In geenen deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene bepaling daaruit weder ingevoerd. De Code pénal was op sommige punten-hoe zal ik het uitdrukken?-minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek. Beiden kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche guillotine weder vervangen werd door de strop en het zwaard, deed minder af: het was eene kwestie van slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen? Zij werd voor sommige gevallen te schandelijk gehouden; in die gevallen trad-volgens oud gebruik-het onthalzen daarvoor in de plaats (art. 5)689); iets, wat echter bij gebrek aan voor die verrichting bevoegde personen, nimmer schijnt te zijn toegepast690). Behalve de doodstraf kende de Code pénal slechts nog ééne lijfstraf: die van het brandmerk. Art. 7 van het Besluit voerde tevens weder in de straf van geeseling; en dit niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen691).

Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te Leeuwarden voor het eerst weder een misdadiger geeselde, het volk ?Oranje boven!" riep; dit is echter zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der strafvervolging in latere jaren met angst en beving de gevolgen van de afschaffing dier straf, wat, evenals met het brandmerk, bij de wet van 29 Juni 1854 plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de geeseling hadden, meenden zij, de boosdoeners een heilzamen schrik. Onschuldiger was zeker de nu ook weder ingevoerde straf van het zwaaien van het zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd de straf van geeseling met den strop om den hals aan de galg vastgemaakt, benevens die van brandmerk, op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde misdrijf toepassen ?de comedievertooning met zwaard, blinddoek en zand".

De straf van dwangarbeid in de bagno's, hetzij altijddurend, hetzij voor een bepaalden tijd, maakte weder plaats voor confinement in een rasp- of tucht- of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook het Crimineel Wetboek kende geene langere gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit punt het besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan de Code pénal, van nog grooter gewicht in dit opzicht was de bevoegdheid den rechter gegeven, om ook bij misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum van 5 jaren, op grond van het bestaan van verzachtende omstandigheden, te bepalen. In zoover een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel Wetboek, hetwelk alleen een maximum-geen minimum-van gevangenisstraf kende. Hoe men ook voor het overige over het besluit van 11 December 1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was, werd door deze bepaling van art. 12 voor een goed deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd worden de afschaffing van de door den Code pénal weder ingevoerde algemeene verbeurdverklaring van goederen (art. 2).

Zoo had dan de herwinning onzer onafhankelijkheid niet de afschaffing van het Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan ook niet ongewijzigd bestaan. Niet dat men hierin een blijvenden toestand zag; de Souvereine Vorst noemde immers zelf de bepalingen van het besluit van 11 December ?provisioneel". Een nationale wetgeving zou spoedig de Fransche vervangen. Zoo zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene nieuwe wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de Justitie, art. 100). De Grondwet gaf bovendien eenige aanwijzingen betrekkelijk de inrichting der Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die aan het hoofd der Justitie stond, en die als eerste president van het Hof in den Haag de Fransche organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard had, dat de justitie nimmer beter was geadministreerd dan na de inlijving692), gebood toch de Grondwet de Fransche instellingen door Nederlandsche te doen vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie een Hof van appèl, in afwijking van de niet ingevoerde wet van koning Lodewijk van 14 Juli 1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf bepaald. Het provincialisme liet hier zijnen invloed gelden.

Waar ik de vraag behandel, in hoever de herwinning onzer onafhankelijkheid ons tevens verloste van de Fransche beginselen van staatsbestuur, heb ik, wat de Justitie betreft, het meeste gezegd. Hoewel de Souvereine Vorst reeds den 18den April 1814 eene Commissie benoemde tot het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met Kemper aan het hoofd, zoo bleef eerst door de vereeniging met Belgi?, later door het verschil van gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp, deze zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding met 1 October 1838 den eindpaal te bereiken, met uitzondering nog van het eerst in 1881 vastgestelde, in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.

Bijzondere vermelding verdienen echter twee besluiten van den Souvereinen Vorst, het eene van 26 Maart 1814 (Staatsblad no. 46), het andere van 22 October 1814 (Staatsblad no. 103), die beide met dit onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel der voormalige heerlijke rechten, is reeds vroeger door mij besproken693). Het herstelde onder anderen de heerlijke rechten van de jacht en visscherij. Deze inbreuk op de vrijheid van den grond, eene van de weldaden der revolutie, werd vooral wat het jachtrecht betreft nader uitgewerkt door de in overleg met de Staten-Generaal vastgestelde wet van 11 Juli 1814 (Staatsblad no. 79) op het stuk der jacht en visscherij. Een ieder, die zich het jachtgebied niet had voorbehouden en dit niet had laten registreeren, moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door derden werd uitgeoefend, ook dan wanneer een heerlijk jachtrecht op dien grond niet kleefde. Eerst na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het reeds in art. 641 van het Burgerlijk Wetboek verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht en ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden van den grond, maar werd tevens bepaald, dat niemand op eens anders grond zonder diens toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de gelegenheid tot afkoop van de rechten door derden bezeten door de wet werd geopend.

Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit. Daarbij verviel het Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1813, waarbij de tiendplichtige de bevoegdheid erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek Lodewijk Napoleon had dit niet toegestaan, het had alleen eenig uitzicht geopend op soortgelijke regeling (art. 528). In den ?Conseil pour les affaires de Hollande" den 22sten Juli 1810 door den Keizer ingesteld, om hem te dienen van advies over de maatregelen ten gevolge der inlijving te nemen, was door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving de wensch uitgesproken, dat dergelijke bevoegdheid tot afkoop niet mocht worden toegestaan694). Dit rapport was echter niet zonder tegenspraak gebleven. Men wees op het belang van den landbouw en op de beginselen der Fransche wetgeving die het tegendeel vereischten695). Napoleon hakte bij zijn decreet van 22 Januari 1813 den knoop door en regelde de afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in lateren tijd een onzer rechtsgeleerden696), behoorde tot de belangrijkste en voortreffelijkste verordeningen onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het eene regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht, hetwelk volgens art. 100 der Grondwet bij de wet moest worden vastgesteld, zoude men verwacht hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet verandering kon gebracht worden. De Souvereine Vorst echter, met de ruime opvatting zijner bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen overleg met de Staten-Generaal buiten werking, terwijl hij voor de nadere regeling verwees naar het vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek heeft, zooals bekend is, dit onderwerp geen stap verder gebracht. Eerst bij de wet van 11 April 1872 (Staatsblad no. 25) gelukte het, door het recht van afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw deze weldaad, elders reeds lang bewezen, deelachtig te doen worden.

Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten uitspreken over de regeling van een onderwerp van eene geheel andere natuur, dan waarover in het laatst is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815 (Staatsblad no. 21)697), houdende voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest strekken om ?op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, de pligtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd, te verzekeren". Uit dezen aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had de herstelling van een vroegeren toestand. De vrijheid der ingezetenen moest weder aan banden worden gelegd; de bedoeling was, hen dientengevolge tot kerkgang te nopen. Onder de Fransche heerschappij, wellicht reeds sedert de staatsregeling van 1798, had op dit stuk-in tegenoverstelling van vroeger-volledige vrijheid geheerscht. Zoo iets was niet in den geest van de in 1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden. Mocht men al niet terugkeeren tot eene staatskerk, mocht ook al in hoofdzaak aan alle kerkgenootschappen gelijke bescherming blijven verleend, het scheen toch tot de roeping van den Staat te behooren, op de belijders der onderscheidene Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit te oefenen in 't belang van het vieren van den openbaren eeredienst. Had men vroeger in vele opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde richting. Reeds bij ordonnance de police van 7 Juni 1814698) werden in Frankrijk bepalingen gemaakt, ten einde de viering van den Zondag enz. te bevorderen. Eveneens had dit de Souvereine Vorst voor Belgi? gedaan. Den 1sten October 1814 had hij zoodanig besluit genomen-zooals de aanhef luidde-?tot herstel van de zedelijkheid en de openbare orde". Zoo kon men verwachten, dat ook hier te lande iets dergelijks zoude plaatsvinden. Er bestond daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene provinci?n en steden dergelijke verordeningen waren vastgesteld, zoodat het wenschelijk was, deze door ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam dan ook zonder tegenstand de wet van 1 Maart 1815 tot stand. In die wet zal niemand het wraken, dat alle hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op die dagen worden verboden (art. 5). Velen zijn er, die evenmin bezwaar hebben tegen de bepalingen, waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen wordt aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het denkbeeld, dat één dag rust op de zeven door het belang der maatschappij, vooral door dat der arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder den steun der wet die arbeidende klasse geene kracht genoeg in zich zelve bezit, om zich die rust te verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof ik, in die dagen niemand. Had men daaraan wel gedacht, men had, tegelijk met den arbeid, de vrijheid om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd daarna (1818) schreef: ?Ce repos a été prescrit à l'homme pour qu'il conn?t le délassement et la joie, pour que la douce ga?té, pour que la danse, le chant, tous les plaisirs honnêtes dont l'homme sent le besoin, fussent aussi de temps en temps à portée de l'esclave et de l'ouvrier"699).

Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet bepaald, dat de openbare vermakelijkheden op die dagen in den regel niet zouden worden gedoogd (art. 4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan, enz., gedurende den tijd voor de openbare godsdienstoefening bestemd (art. 3). Was voor het eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij uitzondering daarvan dispensatie te verleenen, het tweede was een onverbiddelijke regel. De bedoeling was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid, èn door het niet toelaten van eenige openbare uitspanning, zoude men de ingezetenen nopen ter kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze wet als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te wijzen; alleen moet men erkennen, dat niettegenstaande al de vellen druks, die in betrekking tot deze wet later zijn volgeschreven, niettegenstaande de maatschappij zelve aan die wet geheel en al is ontgroeid, dat niettegenstaande dit alles de Nederlandsche wetgever tot dusver onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door eene betere wet te vervangen. Moge het oogenblik daarvoor niet te laat zijn!

Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellicht onder een ongunstigen indruk van hetgeen toen ter tijd geschied is, laten gaan? Of zijn er andere onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker regeling in die dagen men met welgevallen kan wijzen?

Er is zeker geen onderwerp dat na de Justitie meer verdient de aandacht te trekken, dan dat van het Onderwijs-het lager zoowel als het hooger. De wet van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in hoofdzaak onder het Fransche bestuur blijven werken. De Souvereine Vorst had dan ook niet anders te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814 (Staatsblad no. 39) die wet verklaarde bij voortduring te zullen zijn de grondslag der Nederlandsche schoolinrichtingen, met invoering daarvan in die gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan afgescheurd hadden bevonden. Op dit stuk alzoo-zoo verwaarloosd onder de Republiek-bleef men de vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de minister R?ell het in zijn verslag van 7 November 1814 uitdrukte: ?men wilde de nagedachtenis der voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men op hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw licht het oog niet sluiten, maar moest men daar waar verbetering te vinden was, verbetering zoeken"700). Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp van overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed der kerk. Het is de vraag of de Souvereine Vorst in de behartiging dezer zaak nog niet een stap verder zoude hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er op gewezen, hoe de Souvereine Vorst, als regent van Corvey en Fulda, aldaar den leerplicht, en naar het schijnt ook kosteloos onderwijs, had ingevoerd. Noch van het een, noch van het ander is intusschen hier te lande iets gekomen. Evenmin echter-wat ons in den tijd dien wij beleven, vreemd in de ooren klinkt-is de vrijheid van onderwijs gehuldigd. Niemand schijnt haar in die dagen te hebben verlangd701).

Met niet minder welgevallen rust de blik op de regeling van het andere gedeelte van dit onderwerp: het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging de regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de Revolutie ten opzichte van het Lager Onderwijs ons de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van het Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er waren in wezen gebleven de vijf provinciale Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van Leiden en Groningen faculteitsscholen, van Utrecht eene école secondaire, alle ondergeschikt aan het alles centraliseerende lichaam van Onderwijs: l' Université. Franeker en Harderwijk werden opgeheven. Deze Fransche inrichting kon niet blijven. Evenmin was het met het beginsel van staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale inrichtingen weder in 't leven te roepen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij besluit van 18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last om eene organisatie van het Hooger Onderwijs te ontwerpen. Naar aanleiding van haar rapport werd door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815 de nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs vastgesteld, inhoudende zoowel eene regeling der Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs in engeren zin.

De Commissie had volgens hare opdracht moeten letten zoowel op onzen landaard en de gehechtheid aan voorouderlijke instellingen, als op de maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste was het voorzeker toe te schrijven, dat zij de drie Hoogescholen, Leiden, Utrecht en Groningen, in wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als Athenaea met een meer bescheiden werkkring deed voortleven. Wat was echter het nieuwe, dat meer in 't bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde van de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de band, die ze vastklonk aan de denkbeelden van Calvijn. De rechtzinnigheid drukte als eene nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet alleen dat hierdoor uitstekende mannen van den leerstoel geweerd werden; het was bovendien een blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om de ketterjacht van predikanten en kerkeraden te ontkomen. Dat zij, die daarvoor te zelfstandig waren, dit met het verlies van hun ambt moesten boeten, bewijst nog de afzetting van den Groningschen hoogleeraar in de rechten, Frederik Adolf van der Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was met de beginselen der revolutie, met de scheiding van Kerk en Staat in strijd. De vrijheid der professoren was alzoo aan de nieuwe beginselen te danken702), en nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de nieuwe regeling volgens het besluit van 2 Augustus 1815 in waarheid gaf eene vrije Universiteit. ?Het was", zegt een bevoegd beoordeelaar, ?op liberale grondslagen gebouwd"703). Noch de professoren, noch de studenten werden ten opzichte van de resultaten hunner studi?n aan banden gelegd. Het zou ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele besluit uit het oogpunt van de vrijheid docendi en discendi gingen beschouwen en waardeeren. Ik heb echter gemeend, niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan, dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit is overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door de wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102). Moge het oordeel van den nakomeling over de wet even gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen704).

Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de wetgeving van 1814 en 1815 te kunnen wijzen. Met het onderwijs staat echter nog in nauw verband de drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek eene grootere mate van vrijheid genoten, dan elders op het vasteland haar was geschonken, maar dit was meer een gevolg van de verbrokkeling der Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten, dan van de wetgeving; de censuur immers bestond ook hier te lande. Door de Staatsregeling van 1798 (Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd zij veroordeeld. Dit bleef echter meer op het papier uitgesproken, dan dat het in de werkelijkheid veel gaf. Met de inlijving daarenboven werd de toestand nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was. Van een vrije drukpers was schijn noch schaduw overgebleven. Wat zou de onafhankelijkheid ons brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari 1814 (Staatsblad no. 17) werden de Fransche wetten en besluiten betrekkelijk de boekdrukkerij en den boekhandel, daaronder de nieuwspapieren begrepen, afgeschaft, en zoo verdween hierdoor de censuur voor goed van onzen bodem.

Men moge er over glimlachen, wanneer in het besluit gezegd wordt, dat de bestaande regeling ten eenenmale strijdig was met de liberale denkwijze, die het gouvernement dezer landen steeds had gekenmerkt. Men moge er op wijzen, dat het stellen van het repressieve toezicht in de plaats van de censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat het te danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw verkondigd. Dit alles neemt echter niet weg, dat men dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van dit besluit, die in de censuur zagen een beletsel voor den voortgang der verlichting, en in hare afschaffing een uitvloeisel van de liberale denkwijze.

Het trekt de aandacht hoe in die dagen, niettegenstaande de in vele opzichten bestaande voorliefde voor het oude, toch het woord liberaal als 't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op iets goeds, iets aanbevelenswaardigs, iets onbekrompens wilde wijzen.

Liberaal is de maatregel, waarbij het tabaksmonopolie wordt afgeschaft. Liberaal is de afschaffing der censuur. Wanneer de Souvereine Vorst over de Schets van Hogendorp een gunstig oordeel uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van 's mans liberale denkwijze. Zoo meent ook Falck èn Hogendorp èn den Souvereinen Vorst niet beter te kunnen prijzen, dan door te wijzen op hun liberalisme. ?Hogendorp is de liberaliteit zelve", schrijft hij 6 December 1813 aan D. J. van Lennep. En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen later: ?Al wat goed en liberaal is, neemt hij gereedelijk over, en meestal is hij de eerste om dit te bedenken"705).

Liberaal. Beteekende het alleen alles wat lofwaardig was; of had het voor de mannen van dat tijdvak ook nog een meer bepaalden zin? Ik meen van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er ook in die dagen, die er geen eerenaam maar het tegenovergestelde in zagen. Voor Raepsaet, den Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime, zijn de liberalen de vijanden van troon en altaar706). Daaronder rangschikte hij onder anderen een man als Falck707). Het zijn dan de voorstanders der nieuwe begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft men, meen ik, den spijker op den kop, wanneer men onder de tegenstanders der liberalen hen rangschikt, die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze de Vorst zijn recht ontleent aan eene bovenmenschelijke Macht, hij ook geroepen is, Gods wetten te doen eerbiedigen: de leer, die in dien tijd door Bonald en de Maistre in Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent, later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van hier, dat ook in onze dagen voor hunnen leerling Groen van Prinsterer het liberalisme de worm was, die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan ons volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak 1813–1830 was voor hem het tijdvak van het liberalisme708). Waardeert hij het in den Souvereinen Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't belang van Godsvrucht en zedelijkheid wordt ingevoerd709), over 't algemeen wijst hij er op, hoe de regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving van de Wetten Gods710). De Wetten Gods, die voor Bonald en de zijnen beteekenen, de leeringen der Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te lande daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.

De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan de eene en het menschelijk recht aan de andere zijde, kenmerkt mijns inziens hen, die in het liberalisme hunnen vijand zagen en nog zien.

Blijkt het dus, dat ook in die dagen het woord liberaal als een eerenaam beschouwd werd711), dan is dit weder een bewijs te meer, dat ook hier te lande met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel, dat men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak voortbouwde op de grondslagen, gelegd in de achttiende eeuw.

* * *

Het valt niet gemakkelijk, enz. (hiervóór, bl. 334).-Afgeschaft zijn de belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van het departement van financi?n (29 Nov.) wordt aan Canneman de onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de wederinvoering van het oude tarief opgedragen712). Het was om deze wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat aankondigen713). De grondbelasting daarentegen bleef op den Franschen voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit de landprovinci?n was ingevoerd714). Turf, zeep, gemaal en dergelijke kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk werden gedragen, maar omdat zij in hun stelsel onbekend waren.

* * *

Wet van 14 Mei 1814 (hiervóór, bl. 337).-Vgl. hiervóór, bl. 319.-Over de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: ?Over de wet van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17 stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland de meeste renteniers zijn, en deze de bijlage moesten doen. Ik had dien dag Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig. Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen merkelijk gerezen. Bij deze deliberati?n stond de heer van Stralen aan het hoofd der oppositie"715).

Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van ?betering van het lot der renteheffers," van het ?eeuwigdurend bezwaar op de schatkist," uit de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met ?het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht"716).

O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden gesprek aldus op:

?Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de geheele oude en geti?rceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de ti?rceering verloren hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?

Het antwoord was: ?Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's anders." Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel vele famili?n, den slag der ti?rceering vreezende, een gedeelte hunner bezittingen ook in vreemde effecten belegd hadden, velen echter uit gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle717) Hollandsche effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de ti?rceering wel had moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid om geld had dus de verpligting opgelegd om de geti?rceerde schuld te erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de wederverkregen onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de vereeniging met Belgi? dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en [er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip718)."

* * *

Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend (hiervóór, bl. 341).-In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's toon kan opmaken.

* * *

Algemeene volkswapening (hiervóór, bl. 341).-Tellegen begaat hier de fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het leger in de plaats kwam, en wel als ?toevlucht" omdat het met het leger niets werd. Dit nu is geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;-met de militie niet.

De werving begint 20 Nov. in den Haag719); overal waar het gezag van het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov. publiceert het A. B.: ?Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van een leger van 25.000 man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen openen720)". Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn overkomst naar den Haag in de provinci?n aan gene zijde van den IJsel een corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen721). Het zijn deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man te verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend722). Natuurlijk werd die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland, Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten cavalerie bestonden er reeds 2723). Eind Februari wezen de sterktelijsten aan 21.415 man in totaal724), waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen (Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland725). De in Nederland geworvenen waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig ge?ncadreerd; een werkelijk leger viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te zullen kunnen deelnemen met 25.000 man726), komt deze verwachting bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk gereed over de grenzen te trekken727), al hoopt men eerlang, naarmate de militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.

Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen. Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert Karel ter sprake728); en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch voorkwam, en moest worden ?verzacht"729). Eerst het opstellen van dit stuk (een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds vastgestaan730). Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den 6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen gang was.

Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog: ?Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote premies om als rempla?anten zich te engageeren"731). Het begin der ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger nevens zich verdraagt!

* * *

Zesde hoofdstuk der Grondwet (hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in 1812 de Schets opstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog niet gedacht, doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een ?grondwettigen ondergrond" te geven, tot verzekering der nieuwe instelling zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt Repelaer met de opmerking, ?dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de Grondwet gevonden wordt". De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17–45 jaar, met plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000 man een fixum zijn, ?voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir." De president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij zelf blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en R?ell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst732). Hun hoofdstuk moet hebben ingehouden:

1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.

2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied, bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17–45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts een klein gedeelte dienst.

3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een landstorm vormen.

4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.

De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:

1o, 3o en 4o als boven.

2o. Militie uit de mannen van 18–22 jaar; sterkte niet in de Grondwet. Dienst 5 jaar; jaarlijks valt ? af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld. De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samen om gedurende een maand of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo lang hij zulks noodig oordeelt ? van het geheel te doen samenblijven. De geheele militie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal. Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.

De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, R?ell) die dit tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de mannen van 18–22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot bezwaar: ?de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij herleving van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloni?n"733). Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. ?Om de verdediging van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en rempla?anten afgewacht, kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden, voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45 jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste economie voor de financi?n, en het verzekeren der middelen van verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij in 't oog houden; bij het militair zijn van alle nati?n is de rust der naburen in grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren".

Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande punten moesten worden ?geapplaneerd", heeft de S. V., op de vrijwilligers na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden ?zooveel mogelijk uit vrijwilligers" na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De Vorst zal voorzien hebben, dat die ?vrijwilligers" verkapte rempla?anten zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. ?Gij weet", schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, ?dat bij de wet op de landmilitie734) de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om eene zekere som te besteden tot bekomen van vrijwilligers en alzoo de loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premi?n gevonden door vrijwillige inschrijvingen735), en in kalme tijden is deze mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit, waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden, publica autoritate inschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen, niet tot stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar tot kooping van rempla?anten voor eenloopende jonge menschen, die door de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel kostbaarder door gemaakt"736).

* * *

Wetboek van Koophandel (hiervóór, bl. 350).-Het ontwerp-van Gennep c.s. onderscheidde zich van den Franschen Code de Commerce van 1807 op het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnanti?n van Amsterdam, toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van Koophandel van 1838.

* * *

Meer voorliefde (hiervóór, bl. 350).-Deze meerdere voorliefde voor het Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch product.

De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal wetboek verlangd ?zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten, tegelijk met de wijze van rechtsvordering", en de invoering daarvan voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept. 1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.) kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, doch waarvan de invoering wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek was men na jaren nog niet verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801 een ?plan van verdeeling" aan het Bewind kon worden opgegeven, krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met ?eene inleiding nopens het recht in het algemeen", en vervolgens in vier deelen zou zijn gesplitst, ?in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden". Spoedig daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen, welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der considerati?n van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen, ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden. Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd bestaande en zich in leerstellige kwesti?n verdiepende commissie-Cras met haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April 1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te mogen ontvangen. De commissie, thans inziende ?dat het verband tusschen alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord," was bedacht ?op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen." Zij bood, 3 Oct. 1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, ?die tot het straffend recht eene onmiddellijke betrekking hadden," zijnde de inleiding, ?van het recht in het algemeen," en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van ?wetten omtrent het bewijs." Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president: Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.

Het advies keurt af, dat de commissie ?aan afgetrokken denkbeelden of regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van een wetboek, hetzelve niet meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of rechtsgeleerde grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen, over welke in de scholen der geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften (in plaats van aan concrete bepalingen) te binden."

Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.

Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel wetboek te zullen schrijven, ?maar een Rechtsboek, geschreven voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin behoorde een systema juris, en wijsgeerige regels en principes."

De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele inleiding, ?van het recht in het algemeen," ter zijde, en begon het ontwerp-lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel van transactie, ?van afkoop en verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen welker uitslag nog onzeker kon geacht worden." De commissie wilde aan dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen gehecht waren doch dat aanleiding had gegeven tot diep ingevreten misbruiken, vasthouden; ?de ondervinding leert," zeide zij, ?dat langs dien weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij rechterlijk vonnis, hoe zacht dezelve ook zouden mogen zijn, inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter vermijd worden." De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning, die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld, volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, ?dat geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben" (5 Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den Staatsraad persoonlijk deelnam737) en de deliberati?n, over het ontwerp gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de wet genoemd.

Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het strafmaximum voor kinderen.

Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den Franschen Code Pénal door eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen (enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid van den rechter in de bepaling der strafmaat738). Het sloot zich aan bij Nederlandsche traditi?n, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.

Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het ?Wetboek Napoleon, ingerigt voor het koninkrijk Holland" (9 Dec. 1808 ingediend bij het Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts geringe afwijkingen van het Fransche origineel.

* * *

Jachtwet van 11 Juli 1814 (hiervóór, bl. 356).-Br. en Ged. V, 111: ?Er was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk, omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de meerderheid van ééne stem doorging".

* * *

Afkoopbaarstelling van tienden (hiervóór, bl. 357).-Tot mijn leedwezen heb ik hiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het hoofd gezien. De woorden: ?Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen," moeten worden geschrapt, en vervangen door deze andere: ?Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103)."

* * *

Onderwijs (hiervóór, bl. 360).-Over dit onderwerp was onder Lodewijk vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs, misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van Koninklijke verleende) tot de centrale hoogeronderwijsinstelling van het land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van 15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden, Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich tusschen die beide een ?tweede of middelbaar onderwijs," dat niet enkel de voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus de latijnsche scholen) omvat, maar ook bestemd moet zijn ?tot vorming en opvoeding van den meer beschaafden mensch." Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het eerst werden opgericht, zegt de commissie, ?waren de menschen, om zoo te spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te verkrijgen die eenige oefening vereischten; de handwerken, fabrieken, kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen. Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei slag van zaken."

Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer gekomen.

Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden, Cuvier en No?l, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het Fransche model739), die ook bij decreet van 22 Oct. 1811 werden voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.

De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden als dat van Cuvier en No?l gebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken740).

Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het volgende mede:

?De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want evenals de bezorging der benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer, het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste jaren741) gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de regeling van dit tusschenvak"742).

Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:

?De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de van ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam? Ut vitent homines vitia in contraria currunt. A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan ook plaats nemine contradicente. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen had!......

Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelen omvang. De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige dagen vervroegde en verlengde vacanti?n tot alles behalve het voortbrengen van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven-en hier meen ik dat het Reglement meest voor berisping vatbaar is-aan de onafhankelijkheid waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot een alterum tantum der jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve! Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van den gang der studi?n, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze collegi?n niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten. Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege heerschende was......"743).

* * *

Dit bleef echter meer, enz. (hiervóór, bl. 363).-Hier meen ik dat Tellegen zich vergist. Censuur, d.w.z. preventief toezicht, is bij mijn weten tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe744); maar dit is iets anders dan censuur.

* * *

Liberaal (hiervóór, bl. 365).-In Frankrijk en Belgi?, waar een hevige katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder ?liberaal" begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor ?ruimdenkend"; zelfs de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de Broglie, ?braaf en liberaal"745); (in het volgende jaar teekende hij het Jugement doctrinal). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als ?niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de oude letter." Men was dus bij ons in 1813–'14 liberaal, door zoo weinig mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden term vullen, maar in 1813–'14 heeft die nòch met de quaestie van volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van particulier initiatief tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.

* * *

646) Het is bekend, dat de Fransche wetgeving eerder is ingevoerd in de landen, afgestaan bij tractaat van 16 Maart 1810, dan in het bij decreet van 9 Juli 1810 ingelijfde grondgebied. Voor zoover in den tekst de invoering van Wetten of Decreten wordt vermeld, ziet dit alleen op de invoering in het vóór de inlijving overgebleven grondgebied. Het was, meen ik, voor mijn onderwerp minder noodig, afzonderlijk melding te maken van de invoering dier wetgeving in het bij tractaat vroeger afgestane deel.

647) Art. 21 van het Keizerlijk Decreet van 18 October 1810: ?La langue hollandaise pourra être employée concurremment avec la langue fran?aise dans les tribunaux, dans les actes d'administration, dans ceux des notaires en dans ceux sous signature privée."

648) Gervinus, Geschichte des XIX Jahrhunderts, II, 434.

649) Zoo werden onder anderen bij decreet van 14 November 1810 gehandhaafd de wet van 31 Januari 1810 op het onderhoud der dijken en het daarbij behoorende reglement van 15 Juni 1810. Zoo bleven ook van kracht de wetten, die niet uitdrukkelijk waren afgeschaft, of door eene nieuwe regeling niet waren vervangen. De vraag is betwist, maar later door den Hoogen Raad in bovenvermelden zin beantwoord.

650) Br. en Ged. III, 105.

651) Sillem, Gogel, 54.-?Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op financieel gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der beginselen, die Gogel heeft uitgesproken, in het doortrekken der groote lijnen van het stelsel van 1805" (N. G. Pierson in Gids 1881, III, 28).

652) Decreet van 21 October 1811.

653) Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert 1810, I, 10 vv.

654) Besluiten van 6 December 1813 (Staatsblad no. 5 en 7).

655) Besluit van 7 December 1813 (Staatsblad no. 9).

656) Fruin, Tien jaren (6e druk), 51; Sickenga, Belastingen der Republiek, 102, 132; Sillem, Gogel, 159.

657) Groot Placcaatboek, VI, blz. 1338.

658) Besluit van 16 December 1813 (Staatsblad no. 12).

659) Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand van 1814 ruim ? 1.200.000 ontvangen (Stuart, Jaarboek voor 1814, bl. 194).

660) Staatsblad no. 17.

661) Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der nalatenschap; vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders voor zoover hun aandeel bij versterf betrof; verminderd werd dit recht eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor grootouders en broeders en zusters, tot 7?% voor bloedverwanten in den derden graad. Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in de rechte lijn ?% van roerende, 1% van onroerende goederen, en in de zijlinie 1?% van roerende, 5% van onroerende goederen. Daar het recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was de verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot, als het oppervlakkig zou schijnen.

662) Besluit van 26 December 1813 (Staatsblad no. 18).

663) Bijdragen, I, 9.

664) Bijdragen, I, 7.

665) Wetten van 10 Februari (Staatsbl. no. 12, 13) en wet van 10 Maart 1815 (Staatsbl. no. 22).

666) De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en al door de wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de wet van 26 Mei 1870, die op het zegel door de wet van 3 October 1843. De griffierechten verdwenen bij de wet van 31 December 1856. Bij de registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde overheersching eerst in 1893 uitgewischt.

667) Buys, Nederlandsche Staatsschuld, 17.

668) Betz, Bijdragen tot het Staatsbestuur, IV, 241.

669) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 281.

670) Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamde kansbilletten betreft, verwijs ik naar Betz, Bijdragen V, 17.

671) Wet van 27 September 1841 (Staatsblad no. 35). Voor duizend gulden uitgestelde schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van ? 1000, kreeg men in contanten ? 68.

Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper, Geschiedenis na 1830, IV, aant. 48).

672) In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen advokaat J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F. R?ell aan Koning Willem I medegedeeld en handelende over de Belgische onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd: ?Het is buiten bedenking, dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna ondragelijken schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door de tiercering verminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die wijze om zich van schulden te ontdoen niet dan met moeite. Na het herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch vereenigd met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den geldelijken nood te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met eene aanzienlijk vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden kanker der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der werkelijke schuld komt vergrooten en de rentebetalingen moeilijker maakt" (Archief van Mr. W. F. R?ell).

673) Hogendorp, Bijdragen I, 5.-(Zie echter de aanteekening hierachter).

674) Ontstaan I, 423.

675) Ontstaan I, 440, 445.

676) Ontstaan I, 424.

677) De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste helft van 1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne Inleiding, § 59.

678) § 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te lande, van 15 Maart 1815.

679) De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend, was F. H. Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge Militaire Vierschaar, thans lid van het Hooggerechtshof en benoemd tot president der Commissie. De man was geen optimist. In een advies aan van Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: ?Nu wil alles vegten, elk loopt te wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er gebeurt, gaan ze loopen als hazen; den eenen Commandant zondigt uit doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als de vijand ons meer ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je misdaden hebben-gevangenen, gearresteerden-zonder Wetboek, zonder Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het acheveren van dit stuk in 't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen" (te vinden bij Mr. H. van der Hoeven, Onze Militaire Strafwetgeving, 28).

680) 1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een reglement van discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de rechtspleging voor het krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog Militair gerechtshof.

681) Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75 Staatsr. van 1805, art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van 1799, afd. 2, Hoofdstuk b, art. 1.

682) Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten worden gewijzigd.

683) Van der Hoeven, 8.

684) Van der Hoeven, 62, 173.

685) Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande; 2. een reglement van discipline voor hetzelve krijgsvolk.

686) Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814 (Staatsbl. no. 72), aangevuld door de wet van 19 November 1814 (Staatsbl. no. 107) tegen de begunstiging van desertie van het krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het generaal pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni 1814, Staatsbl. no. 71). Men denkt aan het gezegde van Moorrees (hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit besluit hoort spreken van ?menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de gelukkige omwenteling dienst genomen hebben of ook tot de landmilitie opgeroepen zijnde, veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps hebben verlaten."

687) Bl. 327.

688) Ontstaan II, 606.

689) Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (de Criminibus, bl. 901) was de strop voor de plebeji, het zwaard voor de nobiles. Het laatste was een honestius supplicium (bl. 835). Op het voorbeeld van het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of meer schandelijke van het misdrijf vastgeknoopt.

690) Volgens Modderman, Hervorming onzer Strafwetgeving, bl. 140, is wel een enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar, naar hij vooronderstelt, om den schuldige daardoor zijne begenadiging te verzekeren.

691) H. V. A. (Mr. A. W. Engelen) Herinneringen, bl. 51 schrijft: ?Er was in dien tijd (tusschen 1820/25) door het Cour d'Assises te Groningen eene vrouw, eene nog zeer jeugdige vrouw, tot openbare geeseling veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel-wie kan er tegenwoordig zonder siddering aan denken?-onderging dan op de Groote Markt hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige gelegenheid nooit ontbraken, hadden allen duidelijk opgemerkt, dat de ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog een levendig gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in het werk stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare handen te bedekken."

692) Hiervóór, bl. 180.

693) Bl. 134.

694) Ged. VI, 1443.

695) Jorissen in Fruin's Bijdragen, 2e reeks IX, 90.

696) Fortuyn, Verzameling van Fransche Wetten III, 538.

697) Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.

698) Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.

699) Smit, bl. 142.

700) Stuart, Jaarboeken 1814, bl. 265.

701) Ontstaan I, 300.

702) Zoo werd in 1801 onder de werking der staatsregeling van 1798 te Groningen de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de aanvaarding van hun vak de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Canones der Dordtsche Synode te onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu ?bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding der Kerk van den Staat", zij van oordeel waren, ?dat even hierdoor de verplichting bij het vorig Gouvernement opgelegd, geheel en al kwam te cesseren, en dus deze onderteekening in het vervolg niet meer behoorde te worden ge?ischt". (Jonckbloet, Gedenkboek, 268). Aan de andere hoogescholen had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens, Frieslands Hoogeschool, I, 327.

703) Vissering in Gids 1867, III, 196.

704) Vissering in Gids 1867, III, 194: ?Ik schat de deugden van het Besluit zoo hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe wettelijke regeling, die wij nu in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal."

705) Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21 December 1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep van 6 December en 24 December 1813. (Brieven, nos. 95, 97).

706) Oeuvres, VI, 45: ?Libéraux est un nom que les philosophes et les Jacobins ont pris, depuis qu'ayant sous le nom de philosophes bouleversé le tr?ne et l'autel, ce nom est devenu en horreur dans toute l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui avait été à même de bien conna?tre ce parti, en rendant compte en 1816 au parlement des traités de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que les libéraux étaient de francs jacobins". Elders schrijft hij: ?Je me rappelle encore que ces mots (idées libérales) n'ont acquis leur grande vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble qu'alors c'était le mot de parti pour se reconna?tre. Le but était de donner à la France un gouvernement libéral; le nom de philosophe avait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et que cependant on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système, il fallait de toute nécessité inventer un mot inintelligible, au moins pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur d'un mot plus doux et plus agréable. Le mot libéral fut donc adopté". (Ontstaan I, bl. XXVII.)

707) Ontstaan II, bl. XXXVII: ?Falck, le confident principal du Roi, mais du parti des libéraux."

708) Geschiedenis des Vaderlands, § 987 vv.

709) Aldaar, § 1001.

710) Aldaar, § 1071.

711) Aldaar, § 998: ?Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen Oranjegezind was."

712) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.

713) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.-?Onze opinie", schrijft reeds 28 Nov. het Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, ?is dat de douanes geheel weg moeten; dat de lijst van 1725 wederom moet worden ingevoerd" (aldaar, LXXXIX).

714) Zie mijn Schimmelpenninck en Koning Lodewijk, 102–'03.

715) Br. en Ged. V, 112.

716) Gedenkschriften, 132.

717) ?Alle" niet te verbinden met ?effecten", maar met ?instellingen."

718) Appendix achter Falck's Gedenkschriften, bl. 652.

719) Ged. VI, inl. 3e stuk LXXVIII.

720) Aldaar, LXXXV.-Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar, aldaar CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.

721) Aldaar, XCIX.

722) Koolemans Beynen in Gedenkboek 1813, I, 179.

723) Aldaar, 218.

724) Ged. VII, 73.

725) Het Oranje-legioen vermeld hiervóór, bl. 31–32.

726) Br. en Ged. V, 458; vgl. Ged. VII, 74.

727) Ged. VII, 97–103.

728) Br. en Ged. V, 26.

729) Br. en Ged. V, 46.-Canneman's ontwerp, schrijft G. K., ?eischte vier maal zooveel volk als eene Fransche conscriptie."

730) Falck's Brieven, no. 96.

731) Bij Koolemans Beynen, Gedenkboek I, 219.

732) Ontstaan I, 440, 444; II, bl. CXXI.

733) Ontstaan I, 444.

734) Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).

735) Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag door ?vrijwilligers" vervangen liet voor de nationale garde: Ged. VI, 1664.

736) Falck's Gedenkschriften, 375.

737) Van Hamel in Tijdschrift voor Strafrecht, III, 1–23.

738) In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de vaderlandsche traditie terug: zie hiervóór, bl. 354.-Zie over dit besluit (van van Maanen, Philipse en van Gennep afkomstig) van der Hoeven in Verh. K.Akad. afd. Letterkunde 4e reeks VII, 245 vv.

739) Ged. VI, inl. 2e stuk, XLV.-Het rapport verscheen bij den drukker der Universiteit en werd in Holland bekend.

740) Leven van D. J. van Lennep II, 1.-Eischen gesteld aan de benoembaarheid tot leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling alleen af van de gunst van onkundige curatoren); staatsinspectie; verruiming van het leerplan.

741) Falck schrijft dit in 1835.

742) Falck's Gedenkschriften, 217.

743) Falck's Gedenkschriften, 231–'22.

744) Zie b.v. Falck's Gedenkschriften, 427.

745) Falck's Brieven, no. 105.

* * *

DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.

* * *

Bl. 12 reg. 12 v. b. staat Ambonia; lees Amboina.

? 28 ? 1 v. o. ? te Allies; ? the Allies.

? 30 ? 17 v. o. ? Barier; ? Barrier.

? 34 ? 4 v. o. ? parhaps; ? perhaps.

? 34 noot.-Het werk, hier betiteld ?Ondergang en Herstel", zal uitkomen onder den titel: ?Inlijving en Opstand."

? 35 reg. 6 v. b. staat aso; lees ago.

? 36 ? 5 v. o. ? stry; ? shy.

? 42 ? 1 v. o. ? stuk; ? het stuk.

? 63 ? 19 v. o. ? staatskundige; ? staatkundige.

? 69 ? 14 v. o. ? aangenomen; ? aangeboden.

? 134 ? 5 v. o. ? den vrijheid; ? de vrijheid.

? 151 ? 7 v. o. ? Schrap de woorden:

?Tot... gekomen", en vervang ze door die, vermeld op bl. 377.

? 154 reg. 14 v. b. staat leven; lees huwen.

? 162 ? 7 v. o. ? tweedekamerstelsel; ? tweekamerstelsel.

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Correctie

Blz. 2 tuschen tusschen

Blz. 9 wereldrijke wereldlijke

Blz. 16 (voetnoot) [Niet in Bron.] ,

Blz. 25 gaat gaat gaat

Blz. 28 (voetnoot) independant independent

Blz. 27 zaak zaak zaak

Blz. 31 Castleraegh's Castlereagh's

Blz. 34 (voetnoot) 1I 11

Blz. 62 aur au

Blz. 66 dei die

Blz. 68 (voetnoot) , .

Blz. 78 (voetnoot) àpres après

Blz. 84 indivudu?ele individu?ele

Blz. 88 (voetnoot) Ro?ll R?ell

Blz. 88 (voetnoot) Ro?ll R?ell

Blz. 92 Schetsontvangen Schets ontvangen

Blz. 92 (voetnoot) Ontstaan, Ontstaan

Blz. 95 (voetnoot) vlg. vgl.

Blz. 100 onrangistische orangistische

Blz. 103 ontrekken onttrekken

Blz. 105 voornalijk voornamelijk

Blz. 105 ven van

Blz. 105 presideer ender presideeren der

Blz. 108 [Niet in Bron.] .

Blz. 110 aanleiden aanleiding

Blz. 111 [Niet in Bron.] .

Blz. 114 (voetnoot) vlg. vgl.

Blz. 115 indivudueele individueele

Blz. 120 gelijkstellig gelijkstelling

Blz. 120 (voetnoot) I,76 I, 76

Blz. 125 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 140 1806 1805

Blz. 141 alhaar al haar

Blz. 145 een en

Blz. 147 preserit prescrit

Blz. 148 ancune aucune

Blz. 158 (voetnoot) vg. vlg.

Blz. 163 de te

Blz. 168 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 173 [Niet in Bron.] .

Blz. 173 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 175 (voetnoot) Soureinen Souvereinen

Blz. 183 verantantwoording verantwoording

Blz. 189 [Niet in Bron.] ,

Blz. 190 [Niet in Bron.] ?

Blz. 190 invoed invloed

Blz. 200 (voetnoot) seperation separation

Blz. 205 hoodkwartier hoofdkwartier

Blz. 205 (voetnoot) Castereagh Castlereagh

Blz. 211 (voetnoot) s'ètait s'était

Blz. 211 (voetnoot) Governement Government

Blz. 212 (voetnoot) provisioire provisoire

Blz. 215 (voetnoot) fortwith forthwith

Blz. 216 (voetnoot) Onstaan Ontstaan

Blz. 220 Castleraegh Castlereagh

Blz. 222 uot not

Blz. 224 (voetnoot) im in

Blz. 224 (voetnoot) tonte toute

Blz. 224 (voetnoot) ppur sur

Blz. 224 (voetnoot) du au

Blz. 224 (voetnoot) provisoireu provisoire

Blz. 227 partageé partagée

Blz. 227 etat état

Blz. 228 witth with

Blz. 235 202 203

Blz. 238 préferable préférable

Blz. 239 dipositions dispositions

Blz. 240 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 244 er niet niet

Blz. 244 (voetnoot) [Niet in Bron.] ,

Blz. 245 Snriname Suriname

Blz. 249 onbeteekende onbeteekenende

Blz. 256 nature natura

Blz. 256 (voetnoot) d'untraité d'un traité

Blz. 257 revencee revenue

Blz. 257 ald add

Blz. 257 (voetnoot) [Niet in Bron.] ,

Blz. 260 bezitingen bezittingen

Blz. 275 ?n in

Blz. 278 . ,

Blz. 289 f ?

Blz. 293 zoodaning zoodanig

Blz. 294 van tot

Blz. 303 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 304 treed treedt

Blz. 304 [Niet in Bron.] .

Blz. 304 te te te

Blz. 313 [Niet in Bron.] ,

Blz. 320 hiervoor hiervóór

Blz. 320 baucoup beaucoup

Blz. 320 [Niet in Bron.] ,

Blz. 320 (voetnoot) [Niet in Bron.] .

Blz. 321 (voetnoot) beraaadslaging beraadslaging

Blz. 322 ) ]

Blz. 322 ] )

Blz. 322 (voetnoot) [Niet in Bron.] ,

Blz. 332 (voetnoot) f ?

Blz. 339 milloen millioen

Blz. 342 daaaropvolgende daaropvolgende

Blz. 346 [Niet in Bron.] den

Blz. 349 (voetnoot) dicipline discipline

Blz. 356 22sten. 22sten

Blz. 358 kerkgenootschapen kerkgenootschappen

Blz. 364 kunen kunnen

Blz. 365 (voetnoot) philosophle philosophe

Blz. 369 25 000 25.000

Blz. 370 hiervoor hiervóór

Blz. 377 [Niet in Bron.] "

Blz. 377 latijnschescholen latijnsche scholen

Blz. 380 zicht zich

Blz. 380 d.w z. d.w.z.

Previous
                         
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022