21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 ? ? Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart ? Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 ? ? aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 ? ? Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 ? ? Samenkomst der notabelen.
29 ? ? Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 ? ? Be?ediging der grondwet door-en inhuldiging van den souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene grondwet regeeren. Hogendorps schets eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans ?loffelijken ijver en liberale denkwijze"130). Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne onderdanen met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens131), dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten medewerken132). Ook hij begreep, en met hem de souvereine vorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden gelegd.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld133). Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan134). Onder de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden, Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795 voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. R?ell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van het gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader135), door de revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst des keizers136). Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking137). Aan wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der oud-regenten138). Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld139). Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie voor het departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling om naast de overigen-allen leden der vroegere staatskerk-een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der grondwet140). Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter sprake was gekomen141). Hij maakte het echter nog beter dan het lid Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra142) wellicht laat verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar. Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon143).
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en R?ell, de formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.144) De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne considerati?n gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt145) ter tafel gebracht, om, nogmaals herzien en gewijzigd146), den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk, onder den titel: ?Algemeene gronden van de Constitutie", en daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: ?Aanmerkingen op het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden"147). De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot eene bestrijding door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en federatieve denkbeelden148). Een gevolg hiervan was, dat, toen men, overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat de deliberati?n over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook, dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie benoemd was, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde hoofdstuk der grondwet: over de justitie, aan den souvereinen vorst aan te bieden149), van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten150). De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene nieuwe regeling der justitie voor te bereiden, opdat er vooral bij dit onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben kunnen vervangen?
Ik stap hiermede af van de uitwendige geschiedenis der door de commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was immers de commissie belast met de voordracht der organieke reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie meende dan ook zoowel ten opzichte van de aanneming als van de invoering der grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een stuk151) overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende tijdsbepalingen, reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin zoowel de aanneming als de invoering der grondwet in 14 artikelen was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden (art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5). Na afloop der deliberati?n, na aanneming der grondwet en bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen, en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art. 7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der provinci?n zouden de eerste reis te zamen komen in de maand Maart, en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814 (art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen, doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachte concept-publicatie door den souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen te nemen besluit tot aanneming en invoering der grondwet152). Intusschen had de commissie bij een voorloopig rapport aan den souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814153), verslag gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het finaal rapport, vastgesteld den 1sten Maart154), waarbij tevens was gevoegd eene concept-proclamatie155), betrekkelijk de notabelen en hunne aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814 is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden de grondwet beoordeelen, had reeds art. 5 van het besluit van 21 December 1813 gezegd156). Maar door wie zouden ze worden gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de individu?ele leden der commissie157). Het getal was door de regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was. Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600, voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814 daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting niet gediend158) en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op aan negen heeren159). Hiermede was althans één punt geregeld: de wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? ?Welke qualificatie", vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814, ?zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij moeten het soliede maken voor geheel Europa." Hogendorp werd gemelijk: hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was, zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele natie in het werk doen deelen, bleef R?ell beweren. Maar wat dan? Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu door den souvereinen vorst wel niet-zooals de commissie eerst gewild had-verklaard als representeerende het geheele Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorst beschouwd. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef voor het overige lijdelijk160).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden opkomen, vooral niet nu men niet meer-zooals eerst was voorgesteld-de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het was minder het wezen dan de schijn, die men lief had. Ditzelfde openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberati?n. De leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het algemeen gevoelen uit met te zeggen: ?vele solemnia, weinig zaken"161). Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in noodzakelijk verband stond.
Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden worden benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den 8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal aan hem zoude worden opgedragen162). Hierover, evenmin als over de vervulling der andere collegi?n, bestond dan ook tusschen de leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomen ontwerp-besluit door de notabelen te nemen. En hoewel-zooals ik gezegd heb-dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij deze kwestie het best met den president van de groote vergadering kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide: ?Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze, waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde collegi?n voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen".
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en de be?ediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich niet verheven tegen de keus der 600 notabelen163). Deze kwamen echter niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814 was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst benoemde lid der commissie, van Lynden van Hoevelaken, namens den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen, vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren het vele solemnia en weinig zaken? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie, de kerk binnen. De souvereine vorst hield ?op eene zeer aandoenlijke en plechtige wijze eene aanspraak"164). Het lid der commissie voor de constitutie, van Maanen, hield daarop ?met de hem eigen welsprekendheid"165) eene redevoering over de beginselen en den geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen. Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had, konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering zoude die aan den souvereinen vorst overgeven166). Er werd dus gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfden dag door hem aan het volk worden verkondigd.
?Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid, waartoe"-zegt Metelerkamp167)-?de volgende dag bestemd was". De vergadering werd door den voorzitter geopend met ?eene eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst", door dezen ?op eene treffende en aandoenlijke wijze" beantwoord. Ook werd der vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, ?met eene duidelijke maar getroffen stem". De eed werd gevolgd door de inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de leden.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: ?Leve Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!"
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de kroon op dit alles.
Vele solemnia en weinig zaken.
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef. Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der collegi?n. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29 Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid, waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De souvereine vorst zeide: ?Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig en gebrekkig blijven zoude"168). Diensvolgens werd dan ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegi?n, door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt169). Men schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne bedenkelijke zijde had.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie, om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen. In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen170): ?de geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de voorwaarden der regeering". Ja, men had desnoods de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen, zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de vergadering van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen en patrici?rs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst. Het schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling, waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen vorst alleen gelegd was.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche maatschappij, wat van den regeeringsvorm?
* * *
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V, meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd: Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814.
* * *
Hogendorp's Schets (hiervóór, bl. 72).-Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim comité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.171) De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie aantreft,172) waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.
* * *
Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte (hiervóór, bl. 73).-Dit houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;-en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.
* * *
Wanneer, zooals waarschijnlijk is (hiervóór, bl. 74).-Hogendorp heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn kamer af,173) en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de gansche den Vorst in handen gegeven Schets nog geen woord van dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.174) Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief.175) Dat hij die noodig had, is mij niet gebleken.
De Vorst had de Schets ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (Bülow en Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten aard waren;-met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebied der Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputati?n en individu?n die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck, Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,176) die nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinci?n opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook de Schets in en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout.177)
Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.
Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon als garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming178); wederom na den 21sten: van Maanen is ?allervriendelijkst" maar heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven179), of zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor ?alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795"180). Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie kracht aan hunne wetten geven. ?Volgens mijne gewoonte", schrijft Hogendorp, ?liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te geven". Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hij la Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen181). Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functi?n, hoewel nog niet met den titel, van minister van justitie. Is hij ook over de Schets geraadpleegd, en door wien?
In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie der Schets kent, dan die in de commissie gediend heeft.182) Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die de Schets in het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die de Schets al, en die ze nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt.183)
In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte Schets aan hem en eenige anderen ?vroeger was rondgedeeld", doch veel vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens R?ell de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest ?dat de leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben"184). Zou van Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der Schets geen kennis gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van de Schets alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen sub rosa aan R?ell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daarom zeker in de commissie zal komen; tevens blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te doen bij R?ell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen185). Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der Schets van van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de Schets zoo was als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het lidmaatschap van R?ell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.
Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de Schets en de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij die gelegenheid uit of over de Schets vernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de Schets zooals zij in de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen ?eeniger staatsmannen"186). De veranderingen in de tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den Vorst187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.
Wat de opinie van van Maanen over de Schets betreft, deze blijkt duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten. ?Ik weet", schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, ?dat de Schets althans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna188) ook werd medegedeeld189) en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk".190) Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft: ?van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen".191) De raad van Fouché aan de Bourbons: ?se coucher dans le lit de Napoléon".
Als derde, die van de Schets in tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en wel ?op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,"192) nam er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf193) en een uitgebreidere voor van Hogendorp.194) Met deze laatste was Falck ?het bijna onvoorwaardelijk eens."195) De kern der opmerkingen van Elout is deze: ?Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, en nu is het bedenkelijk het nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt." De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: ?Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinci?n blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?"
Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling toegelicht,196) maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in de Schets hebben zij geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden uitgevochten.
Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie der Schets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte toe.197) Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden, en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht198). Alle voorgeslagen wijzigingen werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend zielen één199). De Vorst ?had geen zin in zoo groote heeren"200). Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk, waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinci?n. Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn ?adel der Vereenigde Nederlanden" en zijn hoogerhuis opofferde.
Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkte Schets aan de commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene ?algemeene groote Statenvergadering," om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der grondwet, en vervolgens ?na weinige dagen" heen te gaan, waarop de eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814201).
Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op de Schets toezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben gevraagd202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers203) zitting te verleenen204); hiervan is echter afgezien205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck206).
De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op de Monden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de Zuiderzee met drie207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te opvallend zijn208). Denkt men aan de oude provinci?n, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, R?ell), twee op Gelderland (van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar departementen, nòch eene naar oude provinci?n, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinci?n zonder een lid heeft willen laten209). Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien gewest210).
In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb. 1762).
Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een ?buitenlander" van aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige, orangistische reactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.
Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouw de Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.
Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell211). Een van de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt,212) is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken214) zal men de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te laten vallen.
Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in 1795 en 1799 is reeds gesproken215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over de Schets in het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.
Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naar Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met Belgi?. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol van beteekenis heeft gespeeld.
Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken. Hij was meer een karakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire van Wommels (1811).
Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St. Michel te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en Cambacérès trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men er beproeven zou ?une réunion des talens et des propriétés,"216) de reconstructie van 1801 met andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet218). In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware219). Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.
Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie van Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamili?n van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802 procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naar Bataafsch-Indi?, tot invoering der door de bekende staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen ?Conseil pour les affaires de Hollande;" van Maanen bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd221); hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp222), die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van R?ell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie is voornamelijk op hem neergekomen.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van den afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;223) als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór R?ell, waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het presideeren der assises te Groningen,224) zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
Mr. Willem Fredrik R?ell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg met den oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. ?De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen", zegt R?ell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,225) ?het uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functi?n geenszins deden beklagen". In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. R?ell was een gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met Elout.
Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767–1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financi?n in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals R?ell, was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man van den nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den ?conseil pour les affaires de Hollande" te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., ?op de administratie der justitie," kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van ?besogneeren" der oude costumiers scherp afstak.
Adam Fran?ois Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam (1771–1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was geheel grand seigneur, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch werk, De Toestand van Nederland (1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn Regeringsvorm der Vereenigde Nederlanden (1814) de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim227).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór eenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
* * *
Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in de commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.
* * *
Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den op bl. 95 hiervóór aangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de ?algemeene gronden"228) die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet229) en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht230), en zond deze drie stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat van Maanen door Hogendorp van de Schets kennis bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).
* * *
Voor het departement der Wester-Eems (hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).
* * *
In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van R?ell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud zelf, die alleen bij R?ell aangeteekend is.
* * *
Schimmelpenninck (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.
* * *
De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen (hiervóór, bl. 79). Zie, behalve Ontstaan I, 32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken Ontstaan I, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voorts Overzicht 142 vv. en Br. en Ged. V, 86–87.
* * *
Nogmaals herzien en gewijzigd (hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uit Ontstaan I, 446 vv., waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.
* * *
Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld (hiervóór, bl. 81).-Het reglement lag reeds 15 Jan. gereed (Ontstaan I, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van 19 Dec. (Ontstaan I, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen ?als een ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen"231).
* * *
Besluit tot invoering der grondwet (hiervóór, bl. 83).-Art. 1 verklaart: ?Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen". Dit hield niet in, dat de stemming enkel met ja of neen zou geschieden, hetgeen door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld232), waarop werd besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het eindrapport op te nemen.
* * *
Finaal rapport gesteld door Elout (hiervóór, bl. 83).-Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zie Ontstaan I, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
* * *
Lijsten (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst (Ontstaan I, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (Ontstaan I, 279): ? uit den adel, ? uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere standen. ?Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzonder talenten, deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of voormalige politique denkwijze".
* * *
Zoolang de registers niet toegankelijk zijn (hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
* * *
Bleven er 126 thuis (hiervóór, bl. 87).-Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de familie, enz.-Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk (Ontstaan I, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
* * *
Het schijnt toch (hiervóór, bl. 91).-Zie de Bosch Kemper Letterk. Aanteekeningen 471, en vgl. Ontstaan I, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
* * *
130) Besluit van 21 December 1813 (Ontstaan I, 37).
131) Aanmerkingen van Falck op van der Palms Gedenkschrift, in G. K. v. Hogendorp in 1813, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge van eene bedenking van Falck het woord wettiglijk, daar waar hij sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
132) G. K. van Hogendorp in 1813, blz. 100.
133) Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. R?ell (Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).
134) Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: ?Nous appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes appellent le même souverain." (Br. en Ged. IV, 263).
135) Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
136) Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij de tolk van de sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et d'amour, die de leden van het gerechtshof bezielden voor le père de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur (Aanspraak van van Maanen, geplaatst in den Courrier d'Amsterdam van 1811, no. 305).
137) Br. en Ged. V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van Hogendorp. ?Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand, onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den 2den."
138) De Bosch Kemper, Staatk. Geschiedenis tot 1830, blz. 405.
139) Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van Soeterwoude.
140) Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, 2e ed., blz. 201).
141) In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de Schets over de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
142) Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (G. K. v. Hogendorp in 1813, blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty: ?M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la constitution à une heure après midi" (Correspondence of Lord Castlereagh, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
143) Ontstaan I, 77.
144) Dit geschiedde 3 Febr. (Ontstaan I, 328).
145) Ontstaan I, 446.
146) Volgens de officieele notulen had de vaststelling der grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van van Maanen: 1 Maart ?De president heeft voorts den secretaris ge?nviteerd om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de nadere redactie de noodige veranderingen te maken." 2 Maart. ?De president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere veranderingen en emendati?n, welke in het ontwerp van constitutie achtereenvolgens de deliberati?n van gisteren en eergisteren nog moesten gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd."
147) Ontstaan I, 56 en 74.
148) Ontstaan I, 81.
149) Ontstaan I, 328.
150) Ontstaan I, 420.
151) Ontstaan I, 361.
152) Ontstaan I, 386.
153) Ontstaan I, 375.
154) Ontstaan I, 472.
155) Ontstaan I, 473.
156) Notabelen was een minder stuitend woord dan aanzienlijken. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie standen, somwijlen assemblées de notables bijeengeroepen, bestaande uit personen, die door den koning werden aangewezen.
157) In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen (Ontstaan I, 212–'13).
158) Ontstaan I, 415; vgl. aldaar, 400.
159) J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten, Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P. Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber (Metelerkamp, 61).
160) R?ell zei: ?de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de natie representeeren; liefst bekend maken of zoo iets-dat a parte principis eene meer lijdelijke houding te kennen geeft". (Ontstaan I, 416).
161) Ontstaan I, 384.
162) Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (Ged. VII, 26). Lord Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het hoofdkwartier der geallieerden.
163) Metelerkamp, blz. 94, spreekt van ?bijna algemeene goedkeuring." Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven, zoolang de registers niet toegankelijk zijn.
164) Metelerkamp, 101.
165) Aldaar, 195.
166) Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie R?ell geschreven, dat de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen (Archief R?ell).
167) Blz. 205.
168) Metelerkamp, 217.
169) Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.
170) De Bosch Kemper, Letterkundige Aanteekeningen, blz. 462.
171) Ontstaan I, 1; Br. en Ged. V, 83.
172) Overzicht van B. D. H. Tellegen Az., 5.
173) Br. en Ged. V, 43, 46.
174) Ontstaan I, 31.
175) Br. en Ged. VI, 29.
176) Falck's Gedenkschriften, 126.
177) Ontstaan I, 1.
178) Br. en Ged. V, 29.
179) Ged. VI, 1740.
180) Br. en Ged. IV, 247.
181) Falck's Gedenkschriften, 122.
182) Ontstaan I, 70.
183) Ontstaan I, 82.
184) Ontstaan I, 78.
185) Ontstaan I, 36.-R?ell, niet bijzonder meer op posten gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.
186) Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het 7de deel zijner Bijdragen, bl. 148 (vgl. Ontstaan I, 69).
187) Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (Ontstaan I, 32).
188) Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).
189) Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).-De wandeling, die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie (nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zie Ontstaan I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zie Ontstaan I, 32).
190) Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van Maanen.
191) Br. en Ged. V, 84.
192) Ontstaan I, 503.
193) Ontstaan I, 503.
194) Ontstaan I, 39.
195) Ontstaan I, 504.
196) Ontstaan I, 504.
197) Ontstaan I, 32.
198) Br. en Ged. V, 82.
199) En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.
200) Br. en Ged. V, 82.
201) Ontstaan I, 35–36.
202) Dit valt af te leiden uit Ontstaan I, 36. Van's Vorsten zijde zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen. Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck heeft daarna nog voorgeslagen R?ell en Heerkens.
203) Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financi?n), Bentinck van Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van der Hoop (marine).
204) Ontstaan I, 36.
205) Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck's Gedenkschriften, 120.-Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens ook geen man voor een dergelijke commissie.
206) Falck's Gedenkschriften, 125.
207) Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.
208) D'Alphonse's Aper?u geeft aan de Zuiderzee 500.656 inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.
209) Ontstaan I, 36 (?wij moeten een Groninger hebben").
210) Ontstaan I, 37.-Wat Falck daar schrijft dat de Groninger uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn beide commissarissen in de Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (Ged. VI, Inl. 3e stuk, CLXXXIII).
211) De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij voorkeur dubbel bezet.
212) Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van Maanen over de benoeming van R?ell en van Heerkens (Ontstaan I, 36–37).
213) Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur was bezet.
214) Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst overgegeven 20 Februari.
215) Hiervóór, bl. 17 noot.
216) Ged. I, 609; vgl. Ged. II, 819.
217) Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.
218) Falcks Gedenkschriften 77; Br. en Ged. IV, 250.
219) Br. en Ged. V, 24; Ged. VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.
220) Ged. VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.
221) Ged. VI, 1593.
222) Br. en Ged. V, 12.-Zij waren beiden vaders van gardes d'honneur.
223) Ontstaan I, 77.
224) Ontstaan I, 157.-Denkelijk zal de punctueele van Maanen wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.
225) Ged. V, 568.
226) Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige Souvenirs, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852) worden verwezen.
227) Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na, die Metelerkamp overnemen kon uit Staatscourant 5 April 1814 waarin zij was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het parlement (Ontstaan I, bl. IX).
228) Ontstaan I, 74.
229) Ontstaan I, 361.
230) Ontstaan I, 446.
231) Ontstaan I, 380.
232) Ontstaan I, 406.
* * *