(Tractaat van 13 Augustus 1814).
Ik heb er vroeger op gewezen, hoe van den aanvang onzer bevrijding de aandacht van Hogendorp op dit voor de toekomst van ons vaderland zoo gewichtig onderwerp gevestigd was. Zooals blijkt uit den brief, door hem den 28 November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was het naar zijne meening eene zaak, die van zelve sprak, dat Engeland ons weder in 't bezit van al onze koloni?n zoude stellen479). Ook de Souvereine Vorst had reeds vroeger-getuige zijn schrijven uit Londen aan H. von Gagern van 11 November 1813480)-dit punt met de Engelsche regeering besproken, al ging hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij zich toen nog niet met het volledig herstel van ons koloniaal bezit. Wij hadden toch bijna alles verloren. Had Engeland bij het vredesverdrag, 27 Maart 1802 te Amiens gesloten, zich verbonden, met uitzondering van Ceilon, alles terug te geven wat het na de revolutie van 1795 ons had ontnomen, de vreugde was van korten duur geweest, daar met 1803 de oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich langzamerhand, evenals van de Fransche, ook van onze koloni?n meester had gemaakt. Alleen de nederzetting te Desima in Japan en de forten op de kust van Guinea maakten hierop eene uitzondering. Zoude Engeland genegen zijn, wat het met zijn zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te geven? Het begeerde althans niet alles te behouden. Men leze slechts het Engelsche memorandum kort na den slag van Leipzig, nog vóór onze bevrijding opgesteld481). De geheele of gedeeltelijke teruggaaf was echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland moest krachtig genoeg zijn, om zijn koloniaal bezit te kunnen verdedigen. En in zoover bestond er van den aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp en de vergrooting van Holland, de vereeniging van Noord en Zuid. Van hier, dat de onderhandelingen over de teruggaaf der koloni?n eerst werden geopend na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814, ja eerst nadat den 21 Juni 1814 te Londen het protocol over de voorwaarden der vereeniging was vastgesteld. Tot zoolang was wel over deze zaak bij de eene of andere opkomende gelegenheid gesproken; eene eigenlijke onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de Engelschen hadden den indruk gekregen, dat de Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan, wanneer een gedeelte der koloni?n hem niet teruggegeven werd. Bij de komst van Lord Castlereagh in den Haag in 't begin van 1814 werd het behoud van de Kaap door Engeland besproken, waartegen door dit land aan den Souvereinen Vorst eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk te versterken. De Souvereine Vorst scheen daartegen geen bezwaar te hebben; hij vond het billijk en redelijk482). Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de onderhandelingen te Chaumont zien wij het denkbeeld opkomen, dat wij ook in de West niet alles terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe was het eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op Frankrijk veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het tusschen Engeland en Zweden den 3 Maart 1813 te Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het congres te Chatillon eenen vredelievenden afloop mocht hebben, weder aan Frankrijk zoude moeten terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag gerezen, op welk eene wijze Zweden dan zoude moeten worden schadeloos gesteld. Door eene Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord geweest: Holland, dat zoozeer zoude worden vergroot, moest die opoffering zich laten getroosten. Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding tot de vergrooting van Holland, terwijl men-zooals wij vroeger hebben gezien-nog de zaak der Russische schuld verzweeg, werd door Clancarty met den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De laatste nam den afstand eener kolonie in de West beter op, dan Clancarty zich had voorgesteld; de Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private eigendom in de af te stane kolonie zouden worden ge?erbiedigd, en dat die zijner onderdanen, welke aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met het moederland handel zouden mogen drijven483). Toen dus bij art. 9 van het tractaat van Parijs, onder toestemming van Zweden tengevolge van met zijne geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe weder aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor den Souvereinen Vorst niet onverwacht zijn, bijaldien het bleek dat deze zaak invloed zou uitoefenen op de teruggaaf der West-Indische koloni?n. En dit was dan ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men oorspronkelijk zich had voorgesteld. Zweden zoude in geld, door Engeland te betalen, de vergoeding vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-Indische koloni?n, oorspronkelijk voor Zweden bestemd. Essequebo, Demerary en Berbice, het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren daarvoor uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze kolonie of koloni?n veel Britsch kapitaal was vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen, noodig voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de Engelsche regeering te hebben bewogen, nevens de Kaap de Goede Hoop ook deze koloni?n te willen behouden484). Toen dan de Engelsche regeering het oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit onderwerp over te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet verwacht, dat die regeling met moeilijkheden zoude gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der onderhandelingen meent Lord Clancarty, dat onze minister van buitenlandsche zaken, van Nagell, geen bezwaar zoude vinden in den afstand van alle West-Indische koloni?n, mits eene schadeloosstelling in geld daarvoor in de plaats kwam485). Het zoude echter spoedig blijken, dat Engelands gezant zich deerlijk had vergist. Den 24sten Juni 1814 zond van Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructi?n voor de onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf der koloni?n. Onze minister van buitenlandsche zaken was bij het ontwerpen der instructi?n uitgegaan van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de Revolutie van 1795 bezetene koloni?n, zelfs op het bij vredesverdrag afgestane Ceilon, aanspraak konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf van al de koloni?n, en voor zoover dit niet mocht geschieden, zooals met de Kaap, moest daarvoor eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden. Waarop echter boven alles prijs moest worden gesteld, was de teruggaaf van geheel Nederlandsch Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en Berbice.486)
Fagel, die met de inzichten der Engelsche bewindslieden nauwkeurig bekend was en zijnen chef daarvan ook niet onkundig had gelaten, schrikte, toen hij die instructi?n met de daarbij gevoegde toelichtende missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij kon dan ook niet nalaten bij brief van 30 Juni 1814 aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon, afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen sprake kon zijn, en dat Engeland evenmin de bedoeling had, al de etablissementen van Guyana terug te geven. Bij dergelijk verschil van inzichten wanhoopte hij aan den goeden uitslag der onderhandelingen487). En hij had hierin niet misgezien. Terwijl, zooals wij vroeger hebben medegedeeld, Engeland reeds ontevreden was over de wijze waarop hetgeen de geallieerden over Belgi? besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was opgenomen, werd die ontevredenheid vermeerderd door onze eischen betrekkelijk de koloni?n. Fagel moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo te zeggen waren afgebroken, voordat zij begonnen waren, en dat Lord Castlereagh zich genoopt zag ons te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet mij leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het mij niet. Gij zult, zegt hij, u herinneren, dat ik er een voorgevoel van heb gehad, en het zelfs bijna heb voorspeld, toen de instructi?n van 24 Juni mij zijn geworden. Moge, voegt hij niet zonder ironie er bij, deze zaak te Weenen aan bekwamer handen dan de mijne toevertrouwd en met een beteren uitslag bekroond worden: te Weenen, waar de onderhandelingen niet meer tusschen de beide gouvernementen alleen in een geest van wederzijdsche inschikkelijkheid zullen kunnen gevoerd worden, maar onder den invloed van aan deze zaak vreemde belangen. Maar mag ik dan, schreef de Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan Fagel, onze beste koloni?n opofferen of bederven en de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben als prijs voor de vereeniging met Belgi? en alzoo de glorie van mijn huis hooger te hebben gesteld dan het welzijn van den Staat488)?
Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk maakt, zoo te hooren spreken over onze bezittingen op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij zijn er zoo gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal bezit hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te zoeken; ja zijn er niet, die al onze West-Indische koloni?n als een lastpost beschouwen? Dit was echter in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al in 1814 twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of het bezit der West-Indische eilanden voor ons nog wel van zooveel belang was als vroeger, ten opzichte van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver van Le Commerce de la Hollande489) in 't midden der vorige eeuw, en na hem, nog even vóór de revolutie, Kluit490) beweerd hadden, dat alleen Suriname van meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde Nederlanden, dan de handel op de Oost, schijnt ook nog in 1814 ten opzichte van Suriname met Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze van velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine Vorst niet alleen, maar ook zijn minister van buitenlandsche zaken al hunne krachten meenden te moeten inspannen, om den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van Nederlandsch Guyana te beletten. Men deinsde vooral voor de ontevredenheid terug, die deze maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.
Wij waren echter machteloos tegenover Engeland. De Engelsche regeering had, nadat de Souvereine Vorst getoond had, in het protocol van 21 Juni 1814 over Belgi? te willen berusten, zich genegen verklaard, de onderhandelingen over de koloni?n te hervatten, geenszins echter van de eens gedane eischen afstand te doen. Het staat, zeide Lord Castlereagh, aan ons te beoordeelen, wat het ons belieft te behouden, wat terug te geven491). En nu heeft er eene gebeurtenis plaats, die men, lettende zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van de regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht. Van Nagell laat de onderhandelingen uit zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene Secretaris, die ze weder opneemt. Onwillekeurig herinnert men zich bij dit feit, wat van Nagell als voorzitter der groote vergadering bij de inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien had, en niet aan den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de ministers voor al hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven492). Zoo kan ook hier het besef zijner verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij de verdere behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck, die, om de woorden van Lord Castlereagh te gebruiken493), de ?bekrompen inzichten" van van Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaat met Engeland op de door dit land bepaalde grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij ook het geschreeuw dat de afstand van de West-Indische koloni?n op de beurs zoude veroorzaken. Want, meende hij, de teruggave van dit alles zoude van de Engelschen een effort de générosité zijn geweest, dat men niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon vergen494). Wij zien dan ook dat bij brief van Falck aan Fagel, van 4 Augustus 1814, deze gemachtigd wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice toe te stemmen en tot de sluiting van het tractaat op de grondslagen, door Fagel in zijne laatste depêche van 29 Juli495) neergelegd, over te gaan. Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte punten eenige wenken medegedeeld, zonder dat van hunne inwilliging de sluiting van het tractaat afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na eenige dagen, den 13den Augustus 1814, het tractaat tusschen Groot-Brittani? en de Vereenigde Nederlanden over hunne koloni?n te Londen geteekend496).
Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger koloniaal bezit behouden, wat zou door ons worden afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten op de kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren echter de Kaap de Goede Hoop. In de Oost werd ons alles teruggeven. Niet alleen de eilanden, maar ook de kantoren op het vasteland van Azi? keerden tot ons terug. Eene uitzondering maakte daarop het kleine district Bernagore in de buurt van Calcutta, dat aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de kust van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eiland Banka in ruil erlangden. Het is eenigszins bevreemdend, dat, terwijl Engeland zich genegen betoonde, aan ons dat belangrijke eiland wegens de nabijheid van Java en de Molukken af te staan, het er niet op aandrong al onze etablissementen op het vasteland te behouden, en dat te meer, omdat onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding voor gegeven werd, tegen den afstand daarvan niet veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk wij dan ook later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd. Engeland vergenoegde zich echter met de bepaling, waarbij de Souvereine Vorst zich verbond in die etablissementen geene versterkingen op te richten, ten einde de goede verstandhouding tusschen beide landen niet zoude worden verstoord. In Amerika eindelijk moesten wij alleen het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige zoude de Hollandsche vlag weder wapperen zoowel op het vasteland als op de eilanden. Aan den wensch van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter onze diplomatie, voor de onderdanen van den Souvereinen Vorst, bezitters van plantages aldaar, te bedingen, dat hun zoude worden veroorloofd de naviguer et de trafiquer entre les dits etablissements en het moederland. Eene bepaling, die bij het tractaat van den 12den Augustus 1815497) nader werd uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van Engeland, die niet zonder gewicht was, als men in aanmerking neemt, dat naar de zienswijze dier dagen het voordeel der koloni?n hoofdzakelijk geacht werd te bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart daarop en den handel daarmede de vreemdelingen te kunnen uitsluiten. Lord Clancarty meende zelfs, dat door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de afstand eener kolonie eerder een voordeel dan een nadeel was, daar men in 't genot bleef van de vaart en den handel en bevrijd werd van de kosten noodig voor de verdediging en het bestuur498).
Tegenover het behoud dier koloni?n door Engeland, stonden geldelijke opofferingen van grooten omvang. Een millioen pond sterling door Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe; twee millioen, om met een gelijk bedrag, dat de Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor den vestingbouw in Belgi?; eindelijk de helft-tot een maximum van 3 millioen pond-van de kosten door Holland te betalen dans le but de consolider et d'établir finalement d'une manière satisfaisante l'union des Pays-Bas avec la Hollande sous la domination de la Maison d'Orange Nassau. Met andere woorden: Engeland zoude, voor het geval Rusland van zijne Hollandsche schuld geheel of ten deele werd bevrijd, een deel daarvan voor zijne rekening nemen.
Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit kon moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid werd gegeven; een deel der overeenkomst was zelfs in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat zelf werd de teruggaaf van al de koloni?n en de ruil van Cochin tegen Banka uitgesproken; alleen werd ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en van Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene supplementaire overeenkomst, die, zooals het heette, later zoude worden gesloten. En om den goeden indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van het onbeteekenende Bernagore naar de geheime artikelen verwezen. In die geheime artikelen vond men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en Guyana zoude geschieden, en waren tevens de geldelijke verbintenissen opgenomen, die Engeland daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer men het verlangde, geen bezwaar in de openbaarmaking van het tractaat, mits de inhoud der geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die artikelen stonden in een te nauw verband met de nog tusschen de mogendheden te sluiten overeenkomst over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar bovendien was het wenschelijk dat Rusland niet wist, tot welk eene som Engeland zich verbond voor de overname der Russische schuld. Wanneer, zooals later het geval bleek te zijn499), de edelmoedige keizer aller Russen met eene mindere som dan 6 millioen pond sterling tevreden kon worden gesteld, dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen voor die zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk dat het Parlement vooreerst onkundig werd gelaten van de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk evenmin op openbaarheid gesteld. Hij die krachtens art. 38 der Grondwet voor geen tractaat hoegenaamd de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had, schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het hoofdtractaat ter kennis des volks te brengen. Eerst den 7den November 1814500) in de aanspraak, door den Souvereinen Vorst bij de opening van de vergadering der Staten-Generaal gedaan, wordt gezinspeeld op dit tractaat en op de teruggaaf van het aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java. In het verslag, gedurende dezelfde zitting uitgebracht door den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het nog van nadere onderhandelingen moet afhangen, welke van de West-Indische koloni?n aan ons zouden terugkomen501). Nog in Mei van het volgende jaar was de inhoud van het tractaat onbekend, en moest Hogendorp van den Souvereinen Vorst de machtiging vragen het mede te deelen aan de leden der commissie voor het ontwerpen der Grondwet voor het nieuwe koninkrijk502). Eerst in Juni 1815 werd de inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814 wereldkundig door de overlegging er van aan het Parlement503). De redenen van geheimhouding waren vervallen. Immers op het Congres van Weenen waren de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31 Mei 1815 voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat den 19 Mei 1815 te Londen door Rusland met ons en Engeland gesloten de zaak der Russische schuld geregeld was504).
Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop de conventie van 13 Augustus 1814 tot uitvoering zoude komen. Binnen drie weken zoude het tractaat door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst worden geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden daarna de bezittingen in de West, binnen zes maanden die in de Oost weder worden gesteld in ons bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter voorbijgaan, zonder dat van dit alles iets kwam. De vertraging was voor een deel teweeggebracht door den langen duur van het Weener Congres, voor een deel ook door Napoleons terugkomst uit Elba, die het noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de Indi?n bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van het Rijk in Europa. Eerst in Januari 1816 ging de West, in Augustus 1816 de Oost uit de handen van Engeland in de onze over.
Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden waren over de gedragslijn van Engeland, omdat het niet alles teruggaf. Opmerkelijk is het, dat, terwijl men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van het recht van verovering op Belgi? en in het beroep op dat recht door de geallieerden bij het Londensche protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men het Engeland ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van hetgeen het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot 1814 met zijn zwaard had verkregen. Wanneer men echter let op de opofferingen, die Engeland zich in den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude de volledige teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een buitengemeen, niet te vergen en niet te verwachten effort de générosité van de zijde van Engeland zijn geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van Engelands gedrag niet deelen, en dit te minder, als ik denk aan de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland als equivalent voor de door ons afgestane koloni?n op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen gedaan worden, waaraan wij het te danken hebben, dat wij zonder eenige inspanning onzerzijds weder in 't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer koloni?n?
Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne bondgenooten tot die teruggaaf genoopt was. Ik meen ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene der andere mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13 Augustus 1814 eenigen invloed had uitgeoefend; integendeel bestond juist, zooals wij vroeger gezien hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude worden beslist, maar dat zij, ter behandeling verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd zou worden met al de netelige vraagstukken der Europeesche politiek. Alleen in zoover hebben de geallieerden invloed ten onzen gunste uitgeoefend, dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie op het continent vreesde te zullen bederven en daardoor zijne zedelijke kracht te zullen verzwakken505).
Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen uitbreiding van het koloniaal bezit quand même bij Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren nog andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde hechtte. De beginselen van de gewapende neutraliteit, in het laatst der vorige eeuw door Rusland verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den handel der neutralen te beschermen, de handhaving vooral van den nieuwen volkenrechtelijken regel: vrij schip, vrij goed, waren altijd Engeland een doorn in het oog geweest. De Engelschen meenden, om meester ter zee te blijven, de wapenen van het oude Engelsche zeerecht niet te kunnen missen, en de ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in die zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling van het Europeesche Statenstelsel na den val van Napoleon over het zeerecht niets werd bepaald, de beginselen der gewapende neutraliteit werden doodgezwegen en alzoo het oude zeerecht bleef bestaan506).
Het omgekeerde was het geval met een ander punt, dat de Engelsche staatslieden niet minder ter harte ging: ik bedoel de afschaffing van den slavenhandel. Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de bovendrijvende partij in Engeland, de Tories, bewoog, een strijd op leven en dood te voeren tegen dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit was anders niet het zwak van die staatslieden met hun ingeworteld conservatisme. De reden was, dat in de Engelsche natie langzamerhand eene beweging voor de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo sterk, dat de regeering om politieke redenen het geraden achtte, voor haar partij te kiezen. Dit is zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon Engeland van Portugal en Zweden de veroordeeling van den slavenhandel wist te verkrijgen, en dat na den val van Napoleon geene gelegenheid ongebruikt werd voorbijgegaan, om van de andere mogendheden hetzelfde te bedingen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst ter voldoening aan eene nota van Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot wering van den slavenhandel, terwijl ook het verdrag van 13 Augustus 1814 in art. 8 eene uitdrukkelijke verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.
Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog grooteren prijs stelde dan op de uitbreiding van het koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk nog meer van de verlorene koloni?n had kunnen terug erlangen, zoo het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot wering van den slavenhandel had willen aangaan507). Maar ook zonder dat kreeg zelfs dit land bij het Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner koloni?n terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan genegen zijn, dezelfde gedragslijn tegenover ons te volgen, die vroeger wel de verbondenen van Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de inlijving als het slachtoffer van Napoleons heerschzucht moesten worden beschouwd; tegenover ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die door de herstelling van het huis van Oranje ons berouw hadden getoond over de afdwalingen der revolutie, en den band met den voorrevolutionairen tijd weder hadden trachten vast te knoopen.
Onze wenschen moesten dus bij Engeland een geopend oor vinden. Wat echter dit land had kunnen weerhouden, terug te geven wat het had veroverd, zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren de heerschappij over de koloni?n te handhaven. Maar die vrees trad op den achtergrond, zoodra het zoo goed als zeker was dat door de vereeniging met Belgi? een naar men meende krachtig rijk zoude verrijzen. De vrees verdween geheel door de overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche bescherming zouden kunnen rekenen. Het zal, zeide Lord Castlereagh aan Fagel, een groot voordeel voor het vereenigde Holland en Belgi? zijn, dat het zoozeer onder het bereik van Engeland ligt. Bij het minste gevaar kan het Engelsche leger den Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te zijner beschikking staande, zonder tot zijnen last te zijn508). Toen Engeland aan ons de koloni?n teruggaf, deed het dit in de verwachting, dat beide landen door een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld. Eene alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was men van de Engelsche zijde niet bevreesd geweest, hierdoor den naijver der andere mogendheden op te wekken en daardoor een nadeeligen invloed uit te oefenen op de onderhandelingen, die over de vereeniging van al de Nederlanden nog op het Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar was dit congres eens afgeloopen, dan zoude er, hierover was men het eens, een alliantie-verdrag worden geteekend509).
De Engelsche Regeering schijnt niet te hebben gevreesd, dat-zooals later is gebleken-uitstel wel eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen bezwaar in gezien, zich bij de formuleering van het tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat het, met uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij in natura, hetzij in andere equivalenten. Tegenover de vereeniging van Belgi? stond de afstand van een deel van Guyana aan Zweden, en, daar dit Rijk van Engeland daarvoor een millioen pond sterling ontving, de overdracht daarvan aan Engeland. Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden de 5 millioen pond als maximum te betalen voor den vestingbouw en de Russische schuld. De draad, die door alles liep, was dus de vereeniging met Belgi?. Na 1830 is ten onzent gezegd, dat ?de gedwongene Belgische bruid ons reeds, als beginsel der smarten, vier allerbelangrijkste koloni?n kostte"510). Als men het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen leest, is dit beweren juist. Wanneer men echter meer achter de schermen ziet, dan wordt met meer recht de zaak aldus voorgesteld, dat de vereeniging met Belgi? de prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf der koloni?n hebben gekocht.
* * *
Over de zaak van de teruggave der koloni?n bestaat thans een uitgebreide literatuur: van Deventer, Ned. gezag over Java sedert 1811 (den Haag, 1891); Heeres, De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland (Hand. en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896–'97); Heeres, De overgang der Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit (Ind. Genootschap, verg. van 29 Oct. 1901); van der Kemp, De sluiting van het Londensch tractaat van 13 Aug. 1814 (Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp, De teruggave der O. I. Koloni?n (den Haag, 1910). De heldere voorstelling van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
* * *
Demerary etc. (hiervóór, bl. 243).-Reeds in eene brochure van 1806, toen er sterke geruchten van vrede liepen: ?Letter to the Right Hon. Charles James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of Guiana, by a British Merchant511)", wordt, met cijfers, op de groote waarde gewezen welke deze koloni?n reeds voor Engeland verkregen hebben. ?You cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary even in their present unimproved state, contain more estates and negroes, and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have introduced them, since the first possession last war, into so many branches of that lucrative trade, that they cannot do without them. The revenue will tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture to add, from what happened during the last short interval of peace, that the French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate to these very colonies with some of the ships captured from them, and have many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons of shipping annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent; and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the profits attached to the same...."
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aan Castlereagh van John Robert Gladstone en 42 andere Liverpoolsche firma's, door Canning, afgevaardigde voor Liverpool in het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: ?they venture to derive some hopes of its success from the very generally prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended finally to annex these colonies to the British Empire." Het request vestigt er de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is afgeschaft. ?Should H. M. think it right to restore the important colony of Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that event, as the population and capital remain chiefly Dutch".512)
De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary (die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan. De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In 1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke bevolking van Demerary de Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn. Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen; eerder is het verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814 Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reeds af te leiden uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250 blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur, 1500513). Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt, dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
* * *
Van Nagell laat de onderhandelingen glippen (hiervóór, bl. 246).-De koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een Engelsche koerier, met dépêches van Castlereagh aan Clancarty belast, die zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten terugkeeren. De eenige manier dus voor van Nagell om invloed op de beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, ?sans se permettre aucune réflexion"514) (2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel teruggezonden.
* * *
Banka (hiervóór, bl. 247).-Clancarty aan Castlereagh, 4 Aug. 1814: ?M. Falck as well as the Prince is of opinion that the exchange of Cochin for the island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: ?upon unlitigated possession", which he admits to be sufficient if the fact of possession is established"515). Van Deventer516) en van der Kemp517) werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch gezag hadden gesteld. Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug. 1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I. C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronder de sedert 1 Jan. 1803 op Nederland veroverde bezittingen zouden worden teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803 geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet gesproken is van ?Banka en onderhoorigheden", zoodat de Engelschen bij de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van Billiton hebben kunnen maken.
* * *
Geschreeuw op de beurs? (hiervóór, bl. 249).-Jawel, want de Engelsche couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid viel af te leiden. ?La nouvelle donnée par le Times", schrijft Falck aan Fagel, 12 Sept. 1814, ?de la cession de quelques-unes de nos colonies a fait à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle f?t du moins accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts518)". Hiertoe strekte de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeld hiervóór, bl. 248.
* * *
Russische schuld (hiervóór, bl. 250).-Engelands eerste minister tilde hieraan nog zeer zwaar. ?The continuance of the American war519)", schrijft hij 2 Nov. 1814 aan Castlereagh, ?will entail upon us a prodigious expense, much more than we had any idea of; and I cannot, therefore, avoid pressing upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this country, we might have met the question with some degree of confidence; but as matters now stand, everything that is really valuable will be considered as having been gained before520), and we shall be asked whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens which the American war will bring upon us521)".
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloni?n-zaak vóór Weenen is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.
* * *
Genoopt was (hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloni?n, op Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen. Zie hiervóór bl. 225 het medegedeelde uit Castlereagh's correspondentie met Liverpool.
* * *
Wel eens afstel zou kunnen zijn (hiervóór, bl. 256). In het systeem der Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
* * *
479) Br. en Ged. IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
480) Ged. VI, 1958.
481) Hiervóór, bl. 29.
482) Castlereagh aan Liverpool, 8 Jan. 1814 (Ged. VII, 25); S. V. aan Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (Ged. VII).
483) Clancarty aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
484) Edward Cooke onder-staatssecretaris van buitenlandsche zaken, aan Lord Castlereagh (17 Febr. 1814): ?The cessions will be much felt, chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized" (Ged. VII, 61). Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: ?These settlements are most valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by British proprietors, but likewise as they contain the principal cotton establishments in America for the use of our manufactures" (Ged. VII, 185).
485) Clancarty aan Castlereagh, 17 Juni 1814 (Ged. VII, 150).
486) De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp, Tractaat 1814, bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.
487) Van der Kemp, Tractaat 1814, bl. 22.
488) De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt in Ged. VII.
489) I, 256.
490) Historia foederum, § 390.
491) Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck's Gedenkschriften, 354).
492) Van Nagell bij Metelerkamp.
493) Aan Clancarty, 14 Aug. 1814 (Ged. VII, 176).
494) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no. 105); Falck aan R?ell, 20 Aug. 1814 (Falck's Gedenkschriften, 366).
495) Falck's Gedenkschriften, 351.
496) Lagemans I, no. 9.
497) Lagemans I, no. 31.
498) Aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
499) Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).
500) Stuart, Jaarboeken van 1814, bl. 245.
501) Stuart, bl. 252–253.
502) Ontstaan II, 77.
503) Stuart, 391.-Volgens de Times van 12 Juni 1815 had die overlegging plaats den 9den Juni.
504) Lagemans, I, no. 28, 27.
505) Lord Castlereagh uit Parijs aan Lord Liverpool, 19 April 1814. (Ged. VII, 108): ?I still feel great doubts about the acquisition of so many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent, as a feature of strength, power, and confidence, is of more real moment to us than an acquisition thus made. The British merchant ought to be satisfied, if we secure them a direct import. Holland cannot well refuse this, nor Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More than this I think Holland ought not to lose, even though compensated on the side of the Netherlands."
506) Clancarty aan Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Castlereagh's Corr. IX, 97).-Treitschke (Deutsche Geschichte I, 543) wijst er op, hoe het ?glorreiche Albion" reeds op het congres van Chatillon wist gedaan te krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidi?n van het niet alleen ?glorreiche" maar ook goudrijke Engeland.
507) Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: ?It would be desirable to have some producible record that we had offered to France a pecuniary compensation, or an island, for the immediate abolition of the Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by the Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an island for this object, since it has been determined to retain Demerary, Essequibo and Berbice. The retention of them will add in some degree to the colonial jealousy which exists on the continent of Great Britain; and I have reason to believe that the planters and merchants interested in the settlements in question did not expect that we should keep them. Under these circumstances, I think we can afford to offer a West India colony for the accomplishment of an object which the nation has certainly so much at heart" (Ged. VII, 184).
508) Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: ?Le Prince Régent et Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce nouvel Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant pour ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme étant à sa disposition sans être à sa charge".
509) Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: ?C'est à son retour dans ce pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de renvoyer la conclusion d'un traité d'alliance entre les deux Etats, un tel traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies et des ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la Hollande et la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain congrès".
510) Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, III (1833), bl. 516.
511) Naar den hoofdinhoud overgedrukt, Ged. VII, 146.
512) Ged. VII, 142 vv.
513) Harris en de Villiers, Storm van 's-Gravesande (London 1911).
514) Falck's Gedenkschriften, 355.
515) Ged. VII, 172.
516) Ned. Gezag, CCVII.
517) Tractaat 1814, bl. 78.
518) Falck's Gedenkschriften, 366.
519) De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in November scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
520) Ik cursiveer.
521) Ged. VII, 210.
* * *