Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 5 DE REGEERINGSVORM.

Wij slaan de Grondwet open, om, ingelicht door de beraadslagingen der commissie, de omtrekken van het staatsgebouw der Vereenigde Nederlanden te leeren kennen. Een onderwerp, dat bij het bespreken van den adel en de ridderschappen, bij de beschouwing van stad en land hier en daar door ons aangeroerd, eene meer opzettelijke behandeling verdient. Toen de commissie aan het werk toog, stond ééne zaak vast: de souvereiniteit gevestigd in het huis van Oranje-Nassau. Het monarchaal beginsel werd gehuldigd.

De souvereiniteit zoude bij erfopvolging overgaan en de maxime van het Fransche recht: le Roi ne meurt pas, zoude, zei Hogendorp291), ook hier rechtens zijn. De troon dus geen oogenblik ledig en de orde in den Staat dus niet door eenig tusschenbestuur in gevaar gebracht. Wie zoude echter geroepen zijn, den opengevallen troon te bezetten? Hogendorp-en dit kon op zijn standpunt moeilijk anders-knoopte het erfrecht vast aan de opdracht van het Erfstadhouderschap in 1747. Het waren de afstammelingen van Willem IV, die overeenkomstig die opdracht achtereenvolgens door hem tot den troon werden geroepen. Toen die opdracht geschiedde, had Willem IV nog geen zoon; slechts éene dochter. Prinses Caroline was geboren den 28sten Februari 1743; eerst den 8sten Maart 1748 aanschouwde de latere Willem V het levenslicht. Zoo kwam het dat men het erfrecht niet alleen toekende aan het mannelijk oir, de mannelijke agnaten van Willem IV, maar bij ontstentenis van dezen ook aan de dochters van zijn zoon, met haar mannelijk oir, en daarna op gelijke wijze aan zijne eigene dochters. Echter onder bijvoeging van zekere bepalingen die de nadeelen, verbonden aan den overgang van het Stadhouderschap in een vreemd huis moesten temperen. Dit ambt mocht niet te gelijk bekleed worden met de waardigheid van Keurvorst of Koning; de dochters mochten niet huwen zonder consent der Staten. In overeenstemming met de regeling van 1747 wordt dan ook in de Schets (art. 1 en 2) het erfrecht toegekend eerst aan de mannelijke nakomelingen van den Souvereinen Vorst, het eenige mannelijk oir van Willem IV; daarna aan het mannelijk oir van wijlen zijne dochter prinses Caroline, gehuwd geweest met den prins van Nassau-Weilburg. Het laatste zou ongerijmd zijn geweest, had Hogendorp niet gemeend het voorbeeld van 1747 te moeten volgen. Vreemd is het echter dat hij in zoover van die vroegere regeling afweek, dat hij met stilzwijgen voorbijging de kinderlooze douairière van Brunswijk-Luneburg, de eenige dochter van Willem V, die volgens het in 1747 bepaalde, zelfs zou hebben moeten voorgaan aan het huis van Nassau-Weilburg. Ik weet daarvoor geene andere reden te vinden dan deze, dat het bijna ondenkbaar was, dat zij den stam van den souvereinen vorst zoude overleven, en het bovendien hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij nog mannelijk oir zoude nalaten. Het was echter een verzuim, dat door de commissie hersteld werd, en deze douairière kreeg dan ook met hare wettige nakomelingen eershalve hare plaats in de Grondwet (art. 6). Eveneens had Hogendorp nagelaten de orde der erfopvolging te regelen. De commissie vulde die leemte aan door te bepalen, dat binnen elk dier drie huizen de erfopvolging zoude geregeld worden naar het beginsel van eerstgeboorte en representatie.

Op een gewichtig punt van verstrekkende gevolgen week de Grondwet af van de Schets. Hogendorp had het erfrecht toegekend aan de mannelijke nakomelingen. Hij had alleen het erfrecht in de vrouwelijke lijn toegelaten voor zoover de regeling van 1747 daartoe aanleiding gaf, en was zelfs, wat de dochter van Willem V betrof, daarvan nog afgeweken. Dit was niet in strijd met 's mans innige verkleefdheid aan het huis van Oranje-Nassau. Integendeel. Dat huis zoude de hooge positie van Souverein in ons Vaderland innemen, maar dan ook geen erfrecht in de vrouwelijke lijn,-waardoor ons vaderland gevaar liep de prooi te worden van allerlei vreemde vorsten.

In de vergadering der commissie van 28 December 1813 kwam echter uitbreiding van het erfrecht der vrouwelijke lijn ter sprake. Men vond er bezwaar in de dochter van den Souvereinen Vorst, prinses Marianne, uit te sluiten. Dit punt werd met andere punten verwezen naar eene commissie, bestaande uit de leden Aylva, Elout en van Maanen, aan welke commissie werd opgedragen met overleg van den Souvereinen Vorst de twee artikelen der Schets, handelende over de troonsopvolging, in meerdere artikelen gesplitst, in behoorlijken rechtsgeleerden stijl te vervatten. In de vergadering van 11 Januari 1814 brengt nu deze commissie eene redactie dier artikelen ter tafel, welke door den Souvereinen Vorst geagre?erd was en nog in dezelfde vergadering zonder eenig debat werd aangenomen.

Deze redactie nu brengt iets geheel nieuws. Bij uitsterving van het mannelijk oir worden nu ook de nakomelingen van den Souvereinen Vorst in de vrouwelijke lijnen zonder eenige beperking tot den troon geroepen. Dit geschiedt echter niet ten opzichte van de nakomelingen zijner zuster, evenmin als voor het huis van Nassau-Weilburg. In die beide huizen blijft het erfrecht tot den mansstam beperkt292).

Uit den loop dezer zaak moet men wel afleiden, dat deze belangrijke uitbreiding van het erfrecht door den Souvereinen Vorst gewenscht werd. Hierin was ook niets vreemds gelegen. Als hoofd van een der beide Nassausche stammen was hij Duitsch Vorst en moest hij het zeer natuurlijk vinden, dat evenals dit in Nassau en elders in Duitschland het geval was, subsidiair de vrouwelijke lijnen tot het erfrecht geroepen werden. Op het Duitsche standpunt lag dan ook hierin niets aanstootelijks. Wij waren echter gedurende meer dan twee eeuwen aan eene andere zienswijze gewoon geraakt; voor ons was het wel vreemd dat in de Grondwet dit onbeperkte erfrecht aan de vrouwelijke lijnen werd gegeven. Ook thans echter vindt dit stelsel nog zijne verdedigers. Men wil daardoor het gevaar voorkomen, dat de troon ooit open zoude kunnen vallen, zonder dat er een opvolger aanwezig is. Maar ook het voordeel hierin gelegen kan te duur worden gekocht. Men zou op dien grond een erfpacht in de vrouwelijke lijn kunnen verdedigen-mits zoodanig beperkt, dat men niet behoeft te vreezen de kroon te zien vallen in handen van iemand, die aan ons land geheel vreemd is. Maar hierdoor wordt niet gerechtvaardigd dergelijke sprong in het duister als met het onbeperkte erfrecht in de vrouwelijke lijn gepaard gaat. Of was wellicht de veiligheidsklep voldoende, die in art. 8 der Grondwet geplaatst werd? Wanneer bijzondere omstandigheden eene verandering in de erfopvolging ging mochten noodzakelijk maken, was krachtens dit artikel de souvereine vorst bevoegd daaromtrent eene wet aan de Staten-Generaal voortedragen. Zou dus te eeniger tijd iemand aanspraak op den troon verkrijgen, dien men om deze of gene reden minder wenschelijk achtte, dan kon dat op deze wijze worden voorkomen. ?Zulk eene verandering", zeide Hogendorp293) op het met artikel 8 overeenkomende art. 24 der Grondwet van 1815, ?kan vele oorzaken hebben, en daarom is er niet eene aangehaald. De beslissing is veelmeer geheel overgelaten aan den koning en de nationale vertegenwoordiging in der tijd. Maar onder deze oorzaken behoort ook, dat de kroon eens zou moeten worden overgebracht in een vreemd huis, weinig daartoe geschikt, maar verder verwijderd van de opvolging zoude zijn". Is waarlijk ons land, evenals Engeland, krachtig genoeg om althans tegenover een invloedrijk Europeesch geslacht zich dergelijke vrijheid zonder gevaar te kunnen veroorloven? Iets anders is het echter of het in naam onbeperkte erfrecht niet ten gevolge van een ander voorschrift der Grondwet toch inderdaad binnen engere grenzen zoude blijken te zijn beperkt. In 1747 was het erfrecht der dochters van Willem IV en Willem V hiervan afhankelijk gesteld, dat zij niet zouden huwen zonder toestemming der Staten. Hogendorp stelde in zijne Schets ook dergelijke vereischte voor de mannelijke nakomelingen van den Souvereinen Vorst. Alleen zij zouden zijn bekwaam ter opvolging, die gesproten waren uit een huwelijk, ingegaan met onderling goedvinden van den S. V. en de Staten-Generaal. Toen nu aan de vrouwelijke lijn het onbeperkte erfrecht werd toegekend, bleef dit vereischte bestaan, doch werd nu geschreven voor alle-dus zoowel mannelijke als vrouwelijke-nakomelingen van den souvereinen vorst. Zooals art. 2 luidt, zouden niet alleen de leden van het huis van Oranje-Nassau, maar ook de afstammelingen daarvan door vrouwen de toestemming moeten hebben erlangd, om het erfrecht in hun geslacht te behouden. Vreemd was het zeker dergelijke verplichting op te leggen aan vreemde vorsten, die misschien bij het sluiten van hun huwelijk nog zeer ver van de successie verwijderd waren. Thorbecke noemt het dan ook eene vooral bij mogelijke toepassing op de huwelijken van vreemde vorsten ongewone staatsrechtelijke bepaling294). Nu echter eenmaal voor de vrouwen en hare afstammelingen de deur wagenwijd was opengezet, en het dus van het toeval zoude afhangen, welk vreemd huis binnen korteren of lateren tijd over Nederland zoude geroepen worden te regeeren, kon door de inachtneming van dat artikel dit bezwaar worden getemperd. Voor de hand ligt het echter bewezen, dat het dan beter ware geweest het erfrecht in de vrouwelijke lijn òf uittesluiten òf binnen enge grenzen te beperken295).

Vreemd is het in elk geval, dat, wanneer men zich voorstelde dat alle wettige afstammelingen van den souvereinen vorst recht op den troon zouden erlangen en daarna nog aan het huis van Nassau-Weilburg dit recht toekende, men de voorzichtigheid zoo ver dreef van ook nog te bepalen, wat er zoude geschieden, wanneer geen bevoegde erfopvolging mocht bestaan. De souvereine vorst zoude dan aan de Staten-Generaal een opvolger voordragen, en zoo dit bij zijn leven verzuimd was of de Staten-Generaal de voordracht niet mochten hebben goedgekeurd, zouden de Staten-Generaal zelve tot die benoeming overgaan (art. 9–11).

Voor de duurzaamheid der monarchie was dus naar eisch gezorgd. De aard der monarchie brengt naar de algemeen aangenomen zienswijze mede, dat de Vorst boven allen uitsteekt, boven allen schittert; dat tegen hem, als het hoofd der samenleving, door allen wordt opgezien. Dit alles vereischt, dat die Vorst toegerust zij met middelen, voldoende om zijnen staat luisterrijk op te houden. Men was daarvan, toen de regeling van 's Vorsten inkomen aan de orde kwam, overtuigd. Er was bovendien eene omstandigheid, die er toe medewerkte, om den Vorst een hooger inkomen toe te kennen, dan anders met het oog op de benarde financieele omstandigheden dier dagen wellicht het geval zoude geweest zijn. Had de Revolutie, had de ti?rceering der schuld door Napoleon een bres in veler financi?n geschoten, het huis van Oranje was niet het minst in zijne hulpbronnen gekortwiekt. Ik bedoel de verbeurdverklaring hunner goederen binnen het grondgebied der Republiek gelegen, door de Franschen in 1795 als eene buit beschouwd en door hen afgestaan aan den Staat. Toen men eindelijk, in overleg met den Souvereinen Vorst, het inkomen der Kroon bepaalde op de voor die dagen aanzienlijke som van anderhalf millioen, was het de bedoeling, die som voor een deel te beschouwen als eene vergoeding voor het nadeel door het Vorstenhuis bij en door de omwenteling geleden.

Zoo werd dan de monarchie hier te lande gevestigd. De nervus rerum zoude haar niet ontbreken, waar het de vraag was haren luister op de bevolking te doen afstralen. Het recht van den Souvereinen Vorst, om niet alleen ridderorden uit te deelen, maar ook om zijne onderdanen in den adelstand te verheffen, wat hem maakte tot de bron van alle eer, stelde hem bovendien in de gelegenheid, zich te omringen van mannen, uitblinkende boven hunne medeburgers en geschikt om de decoratie der monarchie te zijn.

Kon men nog iets meer wenschen? Ja, eene zaak ontbrak nog aan den luister der Souvereiniteit. De Vorst moest zich voorloopig tevreden stellen met als Koninklijke Hoogheid te worden aangesproken. Het woord Majesteit was nog niet voor hem weggelegd. Het tijdstip was nog niet aangebroken, waarop de Goden dezer aarde hem als hun evenknie zouden erkennen, het geheiligde karakter van het koningschap ook het zijne zou zijn. Doch alle hoop bestond, dat Noord en Zuid met elkander zouden worden vereenigd en de koningstitel dan een deel zou zijn van den bruidschat, dien Belgi? hem zou aanbrengen. Tot zoolang bleef hij den naam dragen van Souvereine Vorst, een naam, waarbij het de vraag is, of hij niet meer een bevoegdheid aanduidde, dan wel als een eigenlijke titel, in het verkeer der volkeren erkend, kon worden aangemerkt.

Tot dusver treedt ons de monarchie te gemoet als instelling, bestemd om te schitteren, bestemd om op de verbeelding der natie te werken. Wat zoude echter hare eigenlijke taak zijn? Wat zoude de Vorst doen, wat zoude zijne macht zijn, vergeleken met die van de andere organen van den Staat? Immers bij ons werd niet overgenomen het monarchale beginsel in dien zin, dat Monarch en Staat met elkander vereenzelvigd werden; dat de Vorst met Lodewijk XIV zoude kunnen zeggen: l'Etat c'est moi; dat-zooals ook in Engeland het geval is, de Staat zoude opgaan in den Vorst. De Grondwet toch onderscheidde den Staat der Vereenigde Nederlanden van den Souvereinen Vorst296); de laatste was een orgaan van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande lichaam. Hij was echter niet dat lichaam zelf. Welke nu was zijne macht in dat Staatswezen? Wij zien allen-ook Hogendorp-eenstemmig daarin, dat de diplomatie, de defensie en de financi?n in zijn hand vereenigd moesten zijn. De geschiedenis van de Republiek der Vereenigde Nederlanden had het voor elk en een iegelijk duidelijk gemaakt, welke nadeelige gevolgen verbonden waren aan het gemis van eenheid en diensvolgens van kracht bij het bestier der buitenlandsche betrekkingen, bij de beschikking over land- en zeemacht, en over de geldmiddelen. Zoo ergens centralisatie noodig was, zoo was dit hier. Zoo ergens moest hier de Souvereiniteit der gewesten overgaan in eene gemeen gemaakte macht. Maar evenmin wenschte men in het bestuur van de koloni?n en de bezittingen van den Staat in andere werelddeelen terug te keeren tot het stelsel der compagnie-zonder dergelijk tusschenlichaam werd het bestuur daarover geplaatst in handen van den Vorst. En terwijl Hogendorp-zooals wij boven297) gezien hebben-ten opzichte der justitie nog voor een deel het oude wilde herstellen, de rechtspraak niet wilde ontdoen van alle privaatrechtelijke bestanddeelen, bleef toch ten slotte met aller toestemming het beginsel gehandhaafd, om in die rechtspraak niets anders te zien dan een tak van bestuur, uitgeoefend namens den Souverein en toevertrouwd aan beambten door hem aangesteld. Zoo was de volheid der executieve macht-om Hogendorp's woorden te gebruiken298)-toegekend aan den Souvereinen Vorst. Hieronder was zelfs begrepen het recht van oorlog en vrede, het recht om tractaten te sluiten, onverschillig welke hun inhoud mocht zijn. Maar bovendien deelde de vorst met de vertegenwoordiging des volks, met de Staten-Generaal de wetgevende macht. De leer der elkander in evenwicht houdende machten, door Montesquieu aan Europa gepredikt: de leer van de scheiding der wetgevende en uitvoerende macht, elke aan een afzonderlijk orgaan toevertrouwd, was niet meer in eere. Men begreep, dat hij, die aan het hoofd van den Staat staat, ook 't best in de gelegenheid is, de richting aan de wetgeving te geven, dat hem alleen de voldoende middelen ten dienste staan, noodig om als grondslagen voor doeltreffende wetten te dienen. Moge ook al Hogendorp, en op zijn voorbeeld de commissie, aan de vertegenwoordiging het recht om wetten voor te stellen, behoudens eenige uitzonderingen299) niet hebben onthouden, de Grondwet toonde genoegzaam aan, dat men het initiatief in den regel verwachtte van den Souvereinen Vorst. Het formulier voor de afkondiging der wet, in de Grondwet opgenomen300), ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal goedvond en verstond, eene wet uit te vaardigen.

Het lichaam, waaraan niets werd toegekend dan een aandeel in de wetgevende macht, ontleende den naam en den vorm aan het machtige collegie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. De Staten-Generaal herleefden-alleen werden de leden van Hun Hoog Mogenden gedegradeerd tot Edelmogende Heeren. Zij herleefden als één lichaam; aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht. Zij zouden even als vroeger worden gekozen door de Staten der provinci?n. Maar behalve in naam, in vorm en in bron was er weinig of geene overeenkomst. Het waren niet meer de lasthebbers der souvereine gewesten, maar de zelfstandige vertegenwoordigers van het geheele Nederlandsche volk. Ja, welk een klove lag er zelfs tusschen de Staten-Generaal van de Grondwet van 1814 en het collegie, hetwelk Hogendorp zich had geschetst, toen hij na de omwenteling van 1795, ambteloos en verdrietig, zat te mijmeren over de wijze, waarop-wanneer eens de Revolutie overwonnen was-de Unie moest worden hervormd. Toen ik hierboven301) de opdracht der Souvereiniteit aan den Prins besprak, wees ik er reeds op, dat Hogendorp in 1795 eene hervorming van het Staatsbestuur met het behoud van het Republikeinsch karakter mogelijk en wenschelijk achtte. Ook nog in 1799302) staan in de door hem ontworpene herziene Unie van Utrecht de Staten-Generaal aan het hoofd van den Staat, aan het hoofd van de door de Staten der provincie af te stane, gemeen gemaakte macht. Aan de Staten-Generaal het recht, niet alleen om oorlog te verklaren, maar ook om tractaten te sluiten, aan deze de beslissingen der geschillen tusschen de provinci?n, aan deze de regeling der financi?n. En voor zoover die door de provinci?n afgestane, gemeengemaakte macht door anderen zoude worden uitgeoefend, zoude dit toch geschieden op naam der Staten-Generaal. In hunnen naam zouden handelen de Erfgouverneur, Kapitein en Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, de Raad van State, de Hooge Raad. En al kende Hogendorp de onschendbaarheid aan den Erfgouverneur toe, deze werd toch niet de Souverein. Hij zoude voorzitten èn in de Staten-Generaal èn in den Raad van State, het collegie, waaraan met den Erfgouverneur de uitvoerende of besturende macht was opgedragen. Op deze wijze zoude er voldoende gezorgd worden voor de eenheid in het algemeen bestuur; immers al mochten ook de provinci?n hare souvereiniteit behouden, al mochten ook de Staten-Generaal door de Staten der provinci?n gekozen worden, de leden van dit collegie zouden, aan geene lastbrieven gebonden, toch zelfstandig zijn in de uitoefening der bondgenootschappelijke macht, en voor zoover noodig zoude dit klem en kracht vinden in den Hoogen Raad, met de handhaving der Unie door de constitutie te belasten. Van eene inrichting als deze moest Hogendorp afstand doen, zoodra hij tot het monarchale beginsel bekeerd was, en de souvereiniteit der provinci?n op den Vorst zoude worden overgedragen. Zal men daarom zich er over verwonderen, dat desniettegenstaande in de schets van Hogendorp sporen zijn overgebleven van die vroegere zienswijze, zijne Staten-Generaal nog niet geheel strookten met het monarchaal beginsel, zooals dat werd aangekleefd door hen, wien, als er van monarchie gesproken werd, de monarchie van Napoleon voor den geest kwam. Wanneer men de beraadslagingen der commissie leest, dan is het vooral van Maanen, die waarschuwt tegen de republikeinsche denkbeelden der schets, die zegt: ?zoo iets is ongevoegelijk in eene monarchie"; die uitroept: ?als dit doorgaat, is het monarchaal beginsel weg". Dientengevolge zien wij dan ook meer dan eene bepaling der schets, die hare verklaring vindt in de herinnering aan de oude Republiek, in de Grondwet niet overgenomen. De Staten-Generaal zouden ook volgens de Schets (art. 28) anders dan op het bij de Grondwet bepaalde tijdstip niet bijeenkomen, tenzij op beschrijving van den Souvereinen Vorst; waren zij echter bijeen, dan zoude, volgens Hogendorp, het goedvinden der Staten-Generaal vereischt worden, om hen weder te doen uiteengaan (art. 33). Art. 65 der Grondwet daarentegen stelde dit laatste geheel en al ter beslissing van den Souvereinen Vorst. De Staten-Generaal waren zijn raad; waren het collegie, dat hem bij de wetgeving ter zijde stond, dat niet alleen door hem in beweging gesteld werd, maar ook op zijnen wenk weder stilstond. Waar de Staten-Generaal door art. 34 der Schets geroepen werden, de tusschen provinci?n ontstane geschillen in der minne bij te leggen, daar gaf art. 48 der Grondwet aan den Souvereinen Vorst de bevoegdheid, die geschillen, van welken aard ook, administratieve of rechtsgeschillen, in eerste en laatste instantie te beslechten. Er is nog eene andere bepaling der Schets (art. 29), die uit hetzelfde oogpunt de aandacht trekt. Wat is op het monarchaal standpunt natuurlijker, dan dat het hoofd van den Staat, terwijl het de begrooting van uitgaven opmaakt en aan de goedkeuring der Vergadering onderwerpt, tevens nagaat en voorstelt, uit welke middelen die uitgaven zullen worden bestreden? Neen, zeide Hogendorp, het is het best, dat het volk zich zelf belaste. En wanneer men hem op de practische bezwaren wees, die uit de overlating dezer zaak aan de Staten-Generaal moesten voortvloeien, antwoordde hij dat de minister van financi?n wel altijd lid van de Staten-Generaal zoude zijn, en dus voor het opmaken eener voordracht zoude kunnen zorgen. Het gelukte hem echter niet de meerderheid te overtuigen. Want werd eerst al de redactie slechts in zooverre veranderd, dat de kwestie in 't midden werd gelaten, ten slotte bepaalde toch de Grondwet, dat eene voordracht over de middelen zoude worden ingediend, en bleef dus het initiatief van de regeling der geldmiddelen geheel in handen van den Vorst303).

Maar, behalve de bepalingen, rechtstreeks met het monarchaal beginsel in strijd, waren er bovendien andere, die het vermoeden wettigen, dat Hogendorp in de Staten-Generaal nog iets meer zag, dan een lichaam, geroepen om wetsontwerpen goed te keuren en wetsvoorstellen te doen. Deze gissing kwam bij mij op onder de overweging der vraag: waarom Hogendorp, met afwijking van het bepaalde in de constituti?n van 1798, 1805 en 1806, in art. 38 der Schets het lidmaatschap der Vertegenwoordiging openstelde voor de Ministers, de Staatsraden enz., in een woord voor de hoogste dienaren van den Staat. Of was dit alleen om, zooals hij het in zijne Aanmerkingen304) uitdrukte, de Staten-Generaal te zien samengesteld uit de bloem der natie: niet omdat hij van oordeel was, dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden? In de commissie had men er niet recht vrede mede, doch na eenige oppositie werd toch Hogendorp's beginsel gehandhaafd305). Eene andere bepaling wijst echter met meer zekerheid op de oude Republiek. Ik bedoel de herstelling van het ambt van Raadpensionaris, door Hogendorp gewild. Een Staatsdienaar, die door den Souvereinen Vorst uit eene door de Staten-Generaal opgemaakte nominatie voor vijf jaren zoude worden gekozen, en aan het hoofd van dit collegie zoude staan. Hij kon lid der Staten-Generaal zijn; noodig was het echter niet (art. 36–38 der Schets). Het is duidelijk, dat de Commissie geen weg wist met dit ambt. Wat zoude de Raadpensionaris doen? De leden werden niet veel wijzer door Hogendorp's woorden: ?deze Raadpensionaris is hetzelfde, dat hij was in de provincie; men heeft hem van de Provinciale Staten in de Staten-Generaal overgebracht om den eerbiedwaardigen naam te behouden." Was het dan alleen om den naam te doen? Neen, want hij moest, volgens Hogendorp, dienen, om ?een concert en communicatie te hebben tusschen de vergadering en den Vorst". ?Hij moest ministerieele functi?n uitoefenen". Maar waarin zouden zij bestaan? Elout zeide: ?wat kan de president of Raadpensionaris te doen hebben? de voordragten aannemen van den Vorst, in deliberatie brengen en te concludeeren. Item omtrent de voordragten der leden. Als de conclusi?n genomen zijn, is alles afgedaan. Hiertoe borneren zich de functi?n van den moderator en die man behoeft geen lid van het Gouvernement te zijn, want de Vorst zal zijne wetten door Commissarissen doen voordragen of aandringen. Wanneer nu die moderator zou zijn een minister, dan obsteert, dat of wanneer zijn Ministerie lang duurt, hij gevaarlijk wordt voor den Souvereinen Vorst, of wel dat hij niets anders wordt dan de manus ministra van den Princeps, dat ook niet deugt". ?Dit alles", zoo eindigde Elout, ?permoveert mij tot een President. De Raadpensionaris van Holland was een ander wezen; hij en de Griffier der Hoog Mogenden waren in effecte de Staats-Ministers; dit was toen noodig, om Holland invloed te geven, nu niet meer". Hogendorp moest dan ook zien, dat zijn voorstel, waaraan hij, naar men meent306), ook om persoonlijke redenen veel schijnt te hebben gehecht, door de meerderheid verworpen werd. Met zeven tegen vijf stemmen werd besloten, dat er niet zou zijn een ministerieel ambtenaar, de functi?n van Raadpensionaris uitoefenende, maar een president met de gewone presidiale attributen (art. 66 der Grw.)307). En alzoo werd de staf gebroken over eene instelling, die door het nevelachtige van haar karakter, gepaard met het prestige van den oud-republikeinschen naam, eene belemmering had kunnen worden in het monarchaal Staatsbestuur, vooral dan, wanneer Hogendorp zelf met dat ambt bekleed zou zijn geworden308). Wanneer wij in de Gedenkschriften van Hogendorp lezen309), dat onder de oude Republiek het bestuur in handen was van lieden, aan welke de constitutie de macht niet gaf; wanneer hij daarop wijst als een der gebreken van die bondgenootschappelijke regeering, dan komt de vraag bij ons op: of hij niet gevaar liep op dezelfde klip te stranden door niet alleen de Staten-Generaal te willen maken tot eene vergadering van de hoogste Staatsdienaren, maar vooral door een ambt in 't leven te roepen, als dat van Raadpensionaris, wiens werkkring onbepaald was, doch die na den Souvereinen Vorst de eerste positie in den lande zou innemen.

Onder den invloed van de beraadslagingen der commissie werd dus het karakter der Staten-Generaal beter in harmonie gebracht met de monarchale beginselen. Zij waren, zooals van Maanen het in zijne Aanspraak uitdrukte, ongerechtigd om deel te nemen aan de Uitvoerende Macht. Of zooals hij het in de commissie310) had gezegd: ?de Regeering moet bij ons alleen bij den Vorst zijn, en alleen de Wetgevende Macht door hem met de Staten-Generaal gedeeld worden". De Souvereine Vorst dus vrij in de behartiging der algemeene belangen, mits zich houdende binnen de grenzen der wet. Bij de beschouwing van de macht van den Vorst komt echter de vraag op: wat verstond men in 1814 onder Wetgevende Macht? Waar lagen de grenzen tusschen de Wet aan de eene en tusschen de macht van den Souvereinen Vorst aan de andere zijde? Thorbecke311) heeft er op gewezen, hoe de Grondwet van 1814 niet, zooals later die van 1815 (art. 105), de uitdrukkelijke bepaling inhield, dat de Wetgevende Macht door den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal gezamenlijk werd uitgeoefend; hoe de bepaling ook van de Schets (art. 14) er aan ontbrak, volgens welke zonder beider goedkeuring geene wet bestond. Ik meen echter, dat men hieraan niet te veel moet hechten, daar uit de voorschriften der Grondwet van 1814 in haar onderling verband toch duidelijk volgt, dat eene wet beider samenwerking vereischte. Wat echter meer van belang schijnt te zijn, is de onbepaalde uitdrukking: daden der souvereine waardigheid, zoowel in de Schets (art. 5) als in de Grondwet (art. 32) te vinden. Volgens Hogendorp zoude de Vorst die daden plegen in den Raad van State, het collegie, hem als adviseur ter zijde gesteld. Volgens de Grondwet zoude de Vorst kunnen volstaan met die daden bij dat collegie in overweging te hebben gebracht; hij behoefde dus niet meer in den Raad daarvoor tegenwoordig te zijn, zooals Hogendorp schijnt te hebben gewild. Wat behoorde nu tot het terrein der wet, wat tot dat van de daden der souvereine waardigheid? Zoude de gissing zoo verwerpelijk zijn, dat, overal waar de Grondwet niet uitdrukkelijk eene wet voorschreef, de souvereine vorst zoude meenen te kunnen volstaan met het onderwerp bij besluit te regelen? Eene gissing, die aan waarschijnlijkheid wint, wanneer men èn zich herinnert, dat men onder den Keizer aan de decreten-regeering was gewoon geraakt, èn bij de lezing van het Staatsblad van 1814–1815 ontwaart, hoe menig besluit is genomen daar, waar men eene wet zoude hebben verwacht.

Er is nog een punt, waarop voor het recht verstand van de macht van den Vorst de aandacht behoort te worden gevestigd. Ik bedoel de regeling der financi?n: de vaststelling der begrooting van uitgaven en de vaststelling der middelen om ze te bestrijden. Waar de Vorst niet meer staat op het middeleeuwsche standpunt; waar de uitgaven niet meer uit zijne middelen behooren te worden bestreden,-daar komt hij niet meer eene bede richten tot zijne onderdanen, wanneer die middelen te kort schieten; integendeel daar zijn het de belastingen, die door het volk tot instandhouding van den Staat, tot bevordering van aller belang moeten worden opgebracht. Betaling van belasting wordt een ieders plicht. Maar op dit standpunt van den modernen staat zoude het eene ondragelijke dwingelandij zijn, bijaldien de Vorst alleen over het quantum en quale der belasting konde beschikken. De volksvertegenwoordiging, zoo zegt men, moet de koorden der beurs in handen houden. Was dit onder de Grondwet van 1814 het geval? De Grondwet, die, op het voorbeeld der schets, de uitgaven splitste in twee deelen: het eerste bestaande in de zekere en bepaalde uitgaven, uit den gewonen loop der zaken voortvloeiende, en voor eens en voor altijd vastgesteld; terwijl alleen voor het tweede gedeelte, voor de buitengewone en onzekere uitgaven telken jare de toestemming der vertegenwoordiging vereischt werd. Voeg hierbij nu, dat èn Schets èn Grondwet de bestaande belastingen-zoolang daarin bij de wet geene verandering gebracht werd-lieten voortbestaan; dat aldus de Souvereine Vorst beschikken kon over al de middelen van het Fransche belastingstelsel, voor zoover dit door hem zelf in het tijdvak zijner onbeperkte macht niet mocht zijn gewijzigd, dan valt het mijns inziens moeilijk te loochenen, dat de macht der Staten-Generaal in dit opzicht binnen vrij enge grenzen beperkt was.

Voorzeker, wanneer het Nederland aan eene krachtige Regeering zoude ontbreken, dan lag de schuld niet aan de Grondwet, niet aan de macht van den monarch.

In den Regeeringsvorm, dien wij tot dusver hebben geschetst, wijst alles op eenheid in het Staatsbestuur. ?Het Nederlandsche volk", zeide van Maanen312), ?is een volk, dat algemeene wetten en een Gouvernement heeft". En in lateren tijd zei Thorbecke313): ?de Nederlandsche Staat werd op eenheid, niet van uitvoerende macht slechts, maar van vertegenwoordiging gegrond". Men keerde dus niet terug tot den Statenbond der oude Republiek, toen een losse band de gewesten vereenigde: toen er inderdaad geen algemeen bestuur bestond, dat èn het recht èn de macht had zijnen wil te handhaven; toen de Unie geen Unie, maar een chaos was. Werd dan het beginsel der Revolutie, het beginsel der Staatsregeling van 1798; de éen- en ondeelbaarheid van den Staat (art. 1) zonder voorbehoud overgenomen? Maar waar blijft men dan met den naam van: Vereenigde Nederlanden? Een naam, die, zooals wij gezien hebben314), niet voorkwam in Kemper's proclamatie van 1 December 1813, waarbij de Prins tot Souvereine Vorst werd uitgeroepen, wel echter in die van 6 December 1813, waarbij de Prins het bestuur aanvaardde. Een naam, op het voorbeeld der Schets, behouden in de Grondwet (art. 53). Deed men het wellicht, om aan te toonen, dat het herboren vaderland hetzelfde was, hetwelk in den Revolutietijd te gronde was gegaan; was het om tegenover het buitenland als rechtverkrijgende der oude Republiek te kunnen optreden? Of lag er in het behoud van den naam nog iets anders, nog iets dat wees op het karakter van den Staatsvorm? Dat Hogendorp op die laatste vraag bevestigend zoude hebben geantwoord, lijdt mijns inziens geen twijfel. Al wilde ook hij den Statenbond in geenen deele weder in 't leven roepen, al wilde ook hij een Souvereinen Vorst over de Vereenigde Nederlanden, fundamenteele wetten en Staten-Generaal, die, met afzwering der provinciale belangen, het geheele Nederlandsche volk vertegenwoordigden; de provincie en haar bestuur zouden toch volgens zijne Schets een karakter hebben behouden, dat wel niet meer gelijk was aan den toestand van voorheen, maar kwalijk strookte met het beginsel van eén- en ondeelbaarheid der Revolutie. De Staten der provinci?n zouden, al zij het dan ook al niet meer in den ouden luister, uit hunne asch verrijzen. Zij zouden blijven op den ouden voet. De adel en de steden zouden, zooals wij vroeger gezien hebben, blijven hunne bron. De adel zoude zijn provinciaal karakter niet verliezen. Het is waar: de souvereiniteit der Staten zoude overgaan op den Souvereinen Vorst, hunne Wetgevende Macht zoude overgaan op den Vorst en de Staten-Generaal; de diplomatie, de financi?n en de defensie zouden blijven buiten hunnen kring. Maar, desniettegenstaande zoude de Souvereine Vorst, evenals door de Staten-Generaal, ook door hen worden gehuldigd; zouden zij, evenals hunne voorgangers, de keuze hebben van de afgevaardigden tot de Staten-Generaal. En bovenal zoude het binnenlandsch bestuur in hunne handen geplaatst worden. Wanneer men het derde hoofdstuk der Schets leest, dan springt het in het oog, dat ten opzichte van dit laatste onderwerp vooral eene gedeeltelijke herleving van het oude door Hogendorp gewenscht wordt. Toen ik hierboven den adel en het platte land besprak, is het reeds gebleken, hoe de denkbeelden van Hogendorp in de Commissie geen onverdeelden bijval vonden, en hoe dat, naarmate men langer over de zaak nadacht, men steeds meer en meer begon in te zien, dat eene restauratie, zelfs in den geest van Hogendorp, niet wenschelijk, ja onmogelijk was. Waar Hogendorp eene herleving der oude Staten gewild had, daar werden ten slotte, na onderscheidene wijzigingen der redactie, de Staten eene schepping der Grondwet (art. 73), en wordt het geheel en al aan den Souvereinen Vorst overgelaten, de wijze van samenstelling dier Staten te bepalen (art. 74). De vorst moest dit wel doen, ?naar aanleiding dezer Grondwet", maar deze hield daarover geene bepaling in. Al mocht dan ook na vele tegenkanting met eene kleine meerderheid aan den naam van Staten boven dien van Regeeringen of besturen de voorkeur zijn gegeven315), zij keerden niet jure postliminii terug in het leven. Even als dit met de Staten-Generaal bepaald was, zoo mochten ook zij, in afwijking van art. 42 der schets, niet buitengewoon vergaderen, tenzij door den Souvereinen Vorst bijeengeroepen (art. 83). Zij waren niet vrij in de wijze, waarop zij hunne werkzaamheden zouden regelen; immers de daarvoor te maken bepalingen vereischten de goedkeuring van den Souvereinen Vorst (art. 75)316). Doch niettegenstaande deze gewichtige wijzigingen bleef er een groot onderscheid bestaan tusschen de Staten van de Grondwet van 1814 en de departementale besturen van den een- en ondeelbaren Staat volgens de Staatsregeling van 1798, die de besturen had verklaard tot administratieve lichamen, ondergeschikt en verantwoordelijk van het uitvoerend bewind, om niet te spreken van het stelsel van centralisatie onder Koning Lodewijk met zijn Landdrosten, onder Napoleon met prefecten gehuldigd. Hoe ging het met art. 3 der Schets, waarin was voorgeschreven, dat na den eed door den Vorst afgelegd, deze zoude worden ingehuldigd door de Staten-Generaal en Provinciaal? Van Maanen zeide: ?ik weet niet, waartoe die inhuldiging van de zoogenaamde Staten provinciaal zal dienen;-zij zijn geen Staten:-het is eene noodelooze en zeer gevaarlijke ceremonie om den gevolgen wille; men zal er uit argumenteeren". Elout zag minder zwarigheid in die ceremonie, mits er duidelijk uitgedrukt werd, dat die inhuldiging toto coelo verschilde van die der Staten-Generaal. Dit had ten gevolge, dat, hoewel Hogendorp er op wees, dat men de denkbeelden der menschen niet moest choqueren, alles zoo zacht mogelijk moest uitdrukken, bijna niet doen gevoelen, dat er een onderscheid was, er toch ten slotte in de Grondwet (redactie van 28 Febr. 1814) een formulier van inhuldiging voor de Staten werd opgenomen, geheel verschillend van dat der Staten-Generaal, en waarbij de Staten verklaarden, achtervolgens de verplichtingen hun bij de Grondwet opgelegd, de bevelen, door den Souverein of van zijnentwege gegeven, te zullen gehoorzamen en alles te zullen doen, wat getrouwe onderzaten aan hunnen souverein schuldig waren en behoorden te doen. Zoo werd de vorm behouden, maar het wezen der zaak opgeofferd.

Gelukkiger was Hogendorp met zijn voorstel, om de Staten der provinci?n, evenals voorheen, te belasten met de keuze van de afgevaardigden der Staten-Generaal. Van eene oppositie, zooals van J. M. Kemper in zijn brief aan den Souvereinen Vorst daartegen uitging317), vind ik in de beraadslagingen der commissie geen spoor. Er waren alleen enkelen, die het recht der Staten tot het opmaken eener nominatie wenschten te beperken; niemand wilde hen geheel uitsluiten van die taak318). Ook in de omschrijving van de taak der Staten als besturend lichaam schijnt in vele opzichten Hogendorp een groot deel van hetgeen hij wenschte te hebben bereikt. Ik zeg voor een groot deel, niet in alles. Het recht om dispensatie van wetten te geven werd aan dit collegie ontnomen en toegekend aan den Souvereinen Vorst. Maar hun werd niet alleen de beschikking over hunne huishoudelijke belangen overgelaten; zij werden, ook als agenten van het Rijksbestuur, belast met de uitvoering der wetten betrekkelijk het binnenlandsch bestuur319). Het punt van uitgang verschilt echter van dat van Hogendorp. Bij dezen blijven de Staten-met uitzondering van hunne wetgevende macht-dat binnenlandsch bestuur alles naar ouder gewoonte behouden. In de Grondwet daarentegen is zij het, die, evenals de Staten hare schepping zijn, ook deze taak aan hen opdraagt. Van hier ook het denkbeeld van Hogendorp, dat de Souvereine Vorst tegenover de Staten zoude staan met dezelfde rechten als vroeger de Stadhouders (art. 29). Van hier daarentegen de bepalingen der Grondwet (art. 91, 86), die den Souvereinen Vorst het onbeperkte recht gaf, de besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig waren, te schorsen en buiten effect te stellen; die hun, als deel der Uitvoerende Macht, den plicht oplegde de bevelen na te komen, die de Souvereine Vorst ten opzichte van de uitvoering der wetten hun mocht geven. Hij zoude dan ook niet meer in elke provincie, naar ouder gewoonte, een Stadhouder aanstellen (Schets art. 39), maar een Commissaris onder zulk eene benaming, als hij zoude goedvinden en met zoodanige instructie, als hij ter uitvoering van het gezag, hem bij de Grondwet toegekend, zoude vermeenen te behooren (art. 76 der Grw.).

Wilde men het beginsel van Staatseenheid waarborgen, er diende een dergelijk ambtenaar te zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat die Commissarissen het middel konden worden en-bestempeld met den weidschen titel van Gouverneur-het middel geworden zijn, om langs eene achterdeur weder het stelsel van centralisatie te doen binnensluipen, zooals de traditie van de Napoleons dit medebracht. Het kwam hier op de verhouding tusschen drie machten aan: de Gouverneur, de Staten en de Gedeputeerde Staten. De eerste twee waren imperatief door de Grondwet voorgeschreven. Wat echter de derde betreft, evenals Hogendorp, zoo had ook de Grondwet in art. 93 het aan de Staten zelve overgelaten, of zij een collegie van eenige leden uit hun midden tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd hunner vergadering als van hunne afwezigheid, wilden kiezen. Toch was het-in aanmerking genomen, dat de Staten slechts zelden bijeen zouden komen-boven allen twijfel verheven, dat dergelijk collegie in alle provinci?n zoude moeten worden ingesteld. Vooral met het oog op de uitvoering der wetten was dit noodzakelijk. Repelaer320) ging zelfs zoover van te zeggen, dat het zijne bedoeling altijd geweest was, om de Staten meer honorifieke qualiteiten te geven, maar de uitvoering der wetten in den Representant van den Vorst en de gecommitteerde Raden of gedeputeerde Staten te verzekeren, in een collegie, dat klein moest zijn en nooit tegenstand zoude kunnen bieden. Maar Staten of gedeputeerde Staten: van nog meer belang was de vraag: op welke wijze de taak van 's Vorsten Commissaris zoude worden uitgewerkt. Er waren zooals van Imhoff, die in hem zagen, wat de prefect onder Napoleon, of de Landdrost onder Lodewijk geweest was; dit beteekende dus de voortzetting der Napoleontische centralisatie. Het was dan ook in die richting, dat de aan de Gouverneurs bij besluit van 23 Juni 1814 gegevene instructie hun niet alleen eene beslissende stem gaf bij staking der stemmen in Staten en Gedeputeerde Staten (art. 8), maar hun zelfs de bevoegdheid verleende, in spoedeischende zaken buiten de Staten of Gedeputeerde Staten om te beslissen-behoudens de later van deze collegies te vragen goedkeuring (art. 7). Eene bepaling, die uit den aard der zaak de kiem van misbruik in zich sloot. Eene kiem, die, zooals de geschiedenis heeft geleerd, welig is opgeschoten, zoodat de Gouverneurs der provinci?n de voetstappen der prefecten of Landdrosten begonnen te drukken en in hen ten slotte eene soort van onderkoning met een hof in miniatuur gezien werd. Als ik dit alles overweeg, dan vraag ik mij zelven af, of het wel juist was, toen ik zeide, dat voor een groot deel datgene werd bereikt, wat door Hogendorp bedoeld was, en of niet, al zij het dan in strijd met de Grondwet, van het beginsel van zelfregeering der provinci?n weinig terecht kwam. In het algemeen kan men dus zeggen dat de Vereenigde Nederlanden een naam waren zonder zin, dat het beginsel van eenheid het geheele Staatswezen doortrok, en dat in zoover de herboren Staat een kind was van de Revolutie van 1795, met dit onderscheid, dat de monarchale vorm dien der Republiek had vervangen. Zoo werd in vele opzichten verijdeld, wat Hogendorp zich had voorgesteld. Toch meenen wij hem dankbaar te mogen zijn daarvoor, dat hij er in geslaagd is, in de Grondwet neêr te leggen de kiemen van zelfbeheer der deelen, kiemen, die in latere dagen, toen de natie weder tot publiek leven was ontwaakt, tot wasdom hebben kunnen komen zonder aan de eenheid van den Staat te kort te doen321).

Minder dankbaar moet men hem zijn voor hetgeen hij op een ander gebied dan dat der wetgevende en besturende Macht beoogde en voorstond. Ik bedoel de Rechterlijke Macht. Eerbiediging van het beginsel van eenheid werd ook in zooverre door hem gewild, dat alle de provinci?n een en hetzelfde Wetboek en dezelfde manier van procedeeren zouden hebben. Op dit punt dus geene reactie. Maar, terwijl hij geen onderscheid wenschte in de burgerlijke en strafwetgeving naar de lokaliteiten, zoude dit ten opzichte van de inrichting der rechtbanken wel het geval zijn. ?Bij deze inrichting"-zegt hij-?de oude eerwaardige instellingen te herstellen, en ook hierin den geest der nieuwigheden, die ons land bedorven heeft, zooveel mogelijk uit te roeien"322). En al mocht hij ook al hebben ingezien, dat de oprichting van een hoogste rechterlijk collegie, de Hooge Raad, voor het geheele land noodig was, daaronder zoude bijna al het oude in 't leven zijn teruggeroepen, en zelfs, zooals wij vroeger gezien hebben, de ambachtsheerlijkheden met haar privaatrechterlijk karakter. Tegen die denkbeelden stak een storm op in den boezem der Commissie. Elout, R?ell, van Imhoff verhieven daartegen hunne stem. Niet het minst van Maanen, de president van het Hoog Gerechtshof. Hij noemde de oude rechtspleging monstrueus en onbestaanbaar met eene algemeene manier van procedeeren. ?Wij hebben"-zeide hij-?bij ondervinding gezien, dat de zaken met een hof en weinig rechters goed gaan en dat de justitie nimmer beter is geadministreerd geworden dan thans"323). En hoewel men zoover niet ging als van Maanen wenschte, en aan het provincialisme te gemoet kwam, door in elke provincie een Hof en daarboven den Hoogen Raad te plaatsen, toch werd er beslist met het oude gebroken en de rechterlijke macht geheel gezuiverd van alle privaatrechterlijke denkbeelden. Er dient echter te worden bijgevoegd, dat ook zij, die in andere opzichten niet wars waren van de Napoleontische beginselen van Staatsbestuur, die ook in de rechterlijke organisatie het eenvoudige van het Fransche systeem voorstonden, van de andere zijde toch van afschrik vervuld waren over de wijze, waarop door 's Keizers willekeur, door zijne hooge politie met de burgerlijke vrijheid der ingezetenen was gespeeld. Terwijl de Grondwet zich in 't algemeen zorgvuldig onthield van het toekennen van rechten aan de ingezetenen, van iets, wat naar eene déclaration des droits van de Revolutie zweemde, werd in het hoofdstuk der Grondwet over de Justitie door de commissie toch menige bepaling ingelascht, met het doel om aan de ingezetenen de burgerlijke vrijheid te verzekeren. Waarborgen tegen willekeurige inhechtenisneming, waarborgen tegen exeptioneele rechtspraak en andere van dezelfde strekking werden op voorstel van Elout in de Grondwet opgenomen324). Voor de onafhankelijkheid der rechterlijke macht werd door de aanstelling van de leden van den Hoogen Raad niet alleen, maar ook van de leden der provinciale Hoven voor het leven, wat trouwens door Hogendorp ook was voorgesteld, beter gezorgd, dan volgens de fransche organisatie het geval was geweest.

Wanneer men het IVe hoofdstuk der Grondwet van 1814 over de Justitie overweegt, dan zal men moeten erkennen, dat de belofte, door Kemper gedaan, niet ijdel was gebleven, ?Uwe burgerlijke vrijheid", zoo sprak hij tot ?zijne landgenooten" in de door hem en Fannius Scholten gedane proclamatie van 1 December 1813, ?Uwe burgerlijke vrijheid zal door wetten, door eene die vrijheid waarborgende constitutie, zekerder dan ooit gegrondvest zijn." Maar wat werd er van de politieke vrijheid onder de handen der commissie? Waren er in de Grondwet van 1814 waarborgen voor een goed en doeltreffend Staatsbestuur? Wie was verantwoordelijk voor dit bestuur? De erfelijke monarchie brengt mede de onschendbaarheid, de onverantwoordelijkheid van den persoon des Konings. Toch zoeken wij te vergeefs in de Grondwet naar de bekrachtiging dezer stelling. De bepaling van de Grondwet van 1806 (art. 20) die dit wel deed, werd niet overgenomen. Zij ontbrak trouwens ook in de Schets. Moet men daarom met Thorbecke325) aannemen, dat de Souvereine Vorst bij Hogendorp, hoewel erfelijk, het karakter van eersten ambtenaar bleef behouden, daar het karakter der verheffing hierboven den Vorst niet werd ge?igend? Ik zoude het niet durven beamen. Ik mag niet aannemen, dat Hogendorp, die in zijne herziening der Unie van Utrecht, in 1799 opgesteld326), aan den Erfstadhouder het karakter van onschendbaarheid had willen toekennen, dit den Souvereinen Vorst zoude hebben willen onthouden. Wanneer èn in de Schets èn evenzoo in de Grondwet over de onschendbaarheid des Vorsten werd gezwegen, zoude dan de reden niet hierin gelegen zijn, dat de uitdrukkelijke vermelding van iets, dat van zelf sprak, overbodig geacht werd? Wordt die gissing niet hierdoor bevestigd, dat in de Grondwet evenmin als in de Schets eene bepaling voorkwam, waaruit 's Vorsten verantwoordelijkheid kon worden afgeleid? Want al mocht men ook al niet zoover gaan als in het Engelsche Staatsrecht, al mocht het: de Koning kan geen kwaad doen, daar ook op civiele zaken worden toegepast, wat volgens art. 9 der Schets en art. 106 der Grondwet met den Vorst hier niet het geval was; van eene verantwoordelijkheid daarentegen voor daden van bestuur is geen schijn of schaduw te vinden. Maar wie was dan verantwoordelijk, zoo de Vorst het niet was? Was, zooals wij het vinden opgemerkt327), in de Schets het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid opgenomen? Het is ons uit het derde deel van Hogendorp's Gedenkschriften gebleken, dat deze in 1795 de omtrekken had geteekend eener Hooge Vierschaar, en dat hij daarop in 1799 nader terugkwam328). Er zou, wij hebben het hierboven opgemerkt, een Hooge Raad zijn, waaraan de handhaving der Unie was toevertrouwd. Een Hooge Raad, waarvoor zoowel de leden der Staten-Generaal, als die van andere collegi?n, eveneens als hunne ambtenaren zouden worden terechtgesteld, en dit op aanklacht der Staten-Generaal. Wij vinden dit denkbeeld nawerken in de Schets. Ook zij geeft aan de Staten-Generaal het recht, om èn de leden van hun collegie met den Raadpensionaris, èn de leden van den Raad van State, èn de Ministers wegens hunne ambtsverrichtingen aan te klagen bij den Hoogen Raad (art, 5, 6, 27, 37). Evenzoo staan de leden der provinciale Staten, op aanklacht van dit collegie, terecht voor het provinciale Hof (art. 42). Kan men dit nu de huldiging van het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid noemen? Het middel, dat bestemd is, om de onschendbaarheid van den vorst in overeenstemming te brengen met de eischen van een goed bestuur, door de verantwoordelijkheid voor de handelingen van Regeering over te brengen op zijne Ministers? Eenerzijds reikten die bepalingen verder, daar niet alleen de Ministers, maar ook andere dienaren van den Staat onder hare toepassing vielen; van de andere zijde zal men juist hieruit moeten afleiden dat Hogendorp met deze bepalingen iets anders bedoelde dan de invoering van het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid, zooals zich dit in Engeland had ontwikkeld: een beginsel volgens hetwelk de Ministers niet alleen aansprakelijk werden gesteld voor de inachtneming der wet, maar bovendien voor een doeltreffend bestuur, een bestuur, waardoor het algemeen belang werd behartigd. Toch valt het niet te ontkennen, dat dit recht der Staten-Generaal, om de Ministers aan te klagen, op hunne zelfstandigheid een gewichtigen invloed had kunnen uitoefenen, er toe had kunnen leiden, dat zij zich niet zouden beschouwen louter als dienaren van den Vorst, als gedekt door zijne bevelen, maar gedachtig zouden blijven aan het zwaard van Damocles, dat hun van wege de Staten-Generaal boven het hoofd hing. Maar die bepalingen vonden-zonder dat mij het waarom daarvan is gebleken-geene genade in de oogen der commissie. Het initiatief door de Schets aan de Staten-Generaal toegekend, verdween uit de Grondwet. Wat er voor in de plaats kwam, was iets geheel anders, t. w. dat de in de Schets genoemde personen, benevens nog eenige andere, niet in rechten mochten vervolgd worden, tenzij met verlof der Staten-Generaal. Het was niet alleen iets anders; het was juist het tegenovergestelde. Wat een wapen voor de Staten-Generaal had moeten zijn tegen die personen en tegen hun wanbestuur, werd nu een privilegie voor dezen. Het waren nu niet meer de Staten-Generaal, die de dienaren van den Vorst ter verantwoording konden roepen; maar het was de Souvereine Vorst, die, mits onder goedkeuring der Staten-Generaal, dit kon laten doen. Nu behoefden die dienaren niet meer bevreesd te zijn voor de Staten-Generaal; nu behoefden zij zich alleen te richten naar de wenken van den Vorst. Nu kon van Maanen in zijne Aanspraak naar waarheid zeggen, dat de Vorst de groote maatregelen, die hij ten dienste van het behoud der gemeene zaak noodzakelijk oordeelde, met spoed, kracht en nadruk kon doen uitvoeren door zijne Raden en dienaars, die van hem alleen hun gezag ontleenden329).

Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht mogelijk, dat de Staten-Generaal invloed op de richting van het staatsbestuur zouden kunnen uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in zich zelven voelden, om voor het algemeen belang op te treden. De overweging der jaarlijksche buitengewone begrooting kon daarvoor een handvatsel zijn. Maar was die overtuiging, was die kracht van dit collegie te wachten? Wij herinneren ons hoe de Grondwet over de eerste vervulling der grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de notabelen dit punt met stilzwijgen voorbijgingen, en hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt werd, dat de Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest doen, dus ook van de Staten-Generaal. Deze door hem aangewezen leden zouden zitting hebben tot 1 November 1817; eerst van dit tijdstip af begon de keuze door de provinciale Staten te werken, die telken jare een derde van het getal zouden kiezen. De definitieve voor eens vast te stellen begrooting zoude dus tot stand komen door de toestemming van Staten-Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren benoemd.

En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens het geval met de Staten-provinciaal. De eerste aftreding, voor een derde, van de door den Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond volgens de door hem den 26sten Augustus 1814 vastgestelde reglementen330) eerst plaats den 1sten Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der Staten-Generaal zoude geschieden door leden voor het grootste deel nog door den Vorst benoemd. En later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden verstreken was, ook dan zoude de invloed van den Souvereinen Vorst nog nawerken in de stedelijke raden en in den adel, de bron in de meeste gewesten van twee derde der provinciale Staten. Immers de stedelijke besturen werden ook den eersten keer door den Souvereinen Vorst aangesteld voor het leven; de Ridderschap bestond uit personen, door den Vorst in den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en dus door banden van dankbaarheid aan hem verknocht. Alleen bij den landelijken stand kon met 1 Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der Staten sprake zijn; trouwens was het geen rechtstreeksche keuze, maar verkiezing met een trap. Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden der Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste jaren van eene krachtige vertegenwoordiging geen sprake kon zijn. En zoude ook later de Regeering, gesteund door de Gouverneurs in de provinci?n, niet middelen in de hand hebben, om de keuze van onwelgevallige personen tegen te gaan? Men bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in de Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die klasse der maatschappij zouden behooren, die bij voorkeur tot vervulling der ambten geroepen was. Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet mede te werken tot de keuze van zelfstandige mannen; men liep toch gevaar, daardoor in ongenade te vallen en de bron van eer en van voordeel voor zich en de zijnen verstopt te zien.

De bedervende invloed van dit alles zoude te sterker moeten werken bij het volslagen gemis aan openbaarheid in het bestuur. Staten-Generaal, Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden achter gesloten deuren. Iets waarin geen bezwaar werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten slotte een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle mogelijkheid om een oordeel over de verkozenen te vellen, daardoor werd afgesneden. Het beginsel van openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art. 30), dat door den druk zoude worden publiek gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen, werd geschrapt. De ingezetenen zouden dus van hetgeen er omging in het bestuur niets anders behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of vorstelijk besluit, bij provinciale of gemeentelijke verordening, te hunner kennis moest worden gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de publieke zaak, aan contr?le van het publiek op het bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te denken. Klinkt het ons dan bijna niet als ironie in de ooren, wanneer Hogendorp aan het slot zijner Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor het vaderland, een public spirit door al de klassen van ingezetenen verspreid en in alle gemoederen opgewekt zal worden331)?

Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der Vereenigde Nederlanden onder de Grondwet van 1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te houden met eene Grondwet, die niet meer dan een jaar heeft geleefd, om in 1815 door de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden te worden vervangen? Ik meende van ja, omdat het de Grondwet van 1814 is, waarbij de grondwettige monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het eerst in ons vaderland is gevestigd, omdat de hoofdtrekken en hoofdbeginselen dezer Grondwet zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze haar op enkele punten-zooals door de openbaarheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal-ten goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het overige het bestuur in een geheimzinnig duister, ook zij kende aan de natie geen meerderen invloed toe; zij kenschetste zich vooral-evenals die van 1814-door het gemis van hetgeen het merg der constitutioneele monarchie uitmaakt, door het gemis der ministerieele verantwoordelijkheid en de handhaving mitsdien van het persoonlijk gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van 1814 tot 1840, gedurende de geheele regeering van Willem I, hare werking doen gevoelen. Zoo er ooit harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen, dan is het voorzeker hier het geval geweest. In het verslag van den toestand des lands, den 7den November 1814 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, R?ell, aan de Staten-Generaal gedaan332), wees deze reeds op ?de rustelooze zorgen, waarmede de Souvereine Vorst van het eerste oogenblik zijner regeering de belangen zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van nabij volgden, wel eens het gevoel van eerbied en bewondering over eene zoo zeldzame opoffering door vrees voor de gevolgen van onafgebroken inspanning werden opgewogen". Deze woorden waren geene vleierij, maar de zuivere waarheid. Zoo iemand het métier de roi ernstig opvatte, zoo iemand zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak, dan is het voorzeker Willem I geweest. De geschiedenis echter heeft met onuitwischbare trekken opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles geweest zijn, in welken ontredderden toestand ons vaderland bij het einde der regeering van dezen Vorst was gebracht. En hoewel het nu onbillijk zou zijn, bij de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te brengen de moeilijkheden, waarmede Willem I te kampen had, in 't bijzonder de bezwaren, voortvloeiende uit de vereeniging met Belgi?, uit de gedwongen samenleving van Noord en Zuid; zoo zoude het niet minder eenzijdig zijn te willen ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de beste bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van een regeeringstelsel als dat van de Grondwet van 1815, waaronder een volk zijn lot plaatst in handen van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn inzicht, buiten het weten des volks om, het land regeert. Het kan dan ook alleen uit onbekendheid met de politieke geschiedenis van ons vaderland verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de opwelling ontstaat om met terzijdestelling van den overwegenden invloed der volksvertegenwoordiging eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals die onder de regeering van onzen eersten Koning heeft gewerkt. Wanneer men dit overweegt, zal men het mij eerder vergeven, dat ik bij de beschouwing van den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29 Maart 1814 zoolang heb stilgestaan.

* * *

Hogendorp knoopte het erfrecht vast (hiervóór, bl. 153). Zie over deze geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van der Hoop, De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland (Amsterdam 1911). bl. 1–84.

* * *

Zonder eenige beperking (hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelver mannelijke nakomelingen. Het wegvallen van het woord mannelijke uit art. 6, waarover Tellegen zich in zijne noot op bl. 156 zoo verbaast, heeft denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woord mannelijke staan wegens de resolutie van 1747 waarin het voorkwam. De woorden ?op gelijke wijze als voren", die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815 heeft deze zaak in het reine gebracht.

* * *

Vreemd is het in elk geval (hiervóór, bl. 158). Men kan het geval in 1814 moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden voorzien.

* * *

's Vorsten inkomen (hiervóór, bl. 159). Zie hiervóór, bl. 96. ?De Prins", schrijft G. K. in 1817, ?was te vrede geweest met een millioen vast inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit domeinen zoude voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden gebruikt".333). Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt: ?Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet; maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen toe te voegen boven het millioen". Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch334) stelt het inkomen uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn: immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der teruggave van als hypotheek vastliggende goederen ?opzien baren". Zoo is men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken, ter gedeeltelijke voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen335).

* * *

Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht (hiervóór bl. 162). Door den S. V. aanvankelijk wèl: hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart zich in de commissie voor het tweekamerstelsel336), maar komt er niet op terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het ?hier te lande eene volstrekte nieuwigheid" zijn zoude.

* * *

Gekozen door de Staten der Provinci?n (hiervóór bl. 164). 3 Jan. stelt Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden337). Hogendorp antwoordt, ?dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden". Aylva komt niet terug, doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie338). De commissie van redactie antwoordt kortweg: ?Men oordeelt, dat de keuze aan de Staten-Provinciaal dient te blijven"339), waarop de Vorst met een uitvoeriger aanteekening terugkomt. ?Het is de vraag", schrijft hij, ?of eene nominatie van drie?n aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal, en alle deze instanti?n blijven buiten den invloed of inzage van den S. V."340) Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr. worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd praatte. ?Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat gevonden hadden bij den invloed op de aanstelling der Stedelijke Regenten, omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zij zig vele vijanden daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins berustte in de zaak"341).

* * *

Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers, enz. (hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals Tellegen opgeeft, ?dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden", maar juist omgekeerd, dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als hoofden van missi?n naar het buitenland; ook dat zij een militair commando kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar de Staten-Generaal af te vaardigen ?de bloem der natie", lieden ?uit allerlei standen, uit allerlei collegi?n, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de vloot en het leger", zoodat ?alle mogelijke kunde en talenten" in die vergadering vereenigd zijn342). In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt hij zich nog, dat dit denkbeeld er ?met eenige moeite in de commissie doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de uitzonderingen alleen te noemen343)"; ook dat de Vorst bij de eerste benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal zullen nu maar spoedig door hun keuzen ?de egte beginselen" moeten verlevendigen344). Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen; integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.

* * *

Naar men meent (hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag eener aanteekening van R?ell: ?Niet weinig werkte tot verwerping der voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functi?n een man benoemd te zien, wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking scheen te hebben345). Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo lang mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk niet dan zijn ondanks varen liet."

Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit de notulen van R?ell, gelijk de Bosch Kemper Letterk. Aantt. 470 verzekert. Zij is een der notities die R?ell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.

* * *

Eene vergoeding? (hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het ambt van Raadspensionaris uit de Schets geschrapt heeft, komt 26 Jan. van der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. ?het eerste ambt in den Staat" hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst, ?zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren346)".

* * *

Raad van State (hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen. Het artikel der Schets luidt: ?De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van Staten". Tot toelichting verwijst G. K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen: ?in Engeland wordt het advies van den Raad door den President aan den Koning gebracht347) en het besluit des Konings luidt the King in Council. Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad".348) Duidelijker kan hij niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid uit te drukken) naar den duivel doet wenschen349). Hij maakt zichzelven nu wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar dit is met de waarheid in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door R?ell en van Maanen ge?nterpelleerd, woordelijk ten antwoord, ?dat wat de vrage aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten decideeren, het ongetwijfeld de intentie geweest is350) dat zulks zoude plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen, zulks dadelijk na de gehoudene deliberati?n te doen"351).

Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den Raad brengt352), terwijl hij 30 Dec. 1813, ?tot opheldering der remarques van R?ell en van Maanen", te kennen geeft, ?dat onder de bewoordingen daden van Souvereine waardigheid alleenlijk bedoeld worden daden van wetgeving, en niet hetgeen tot de executive magt behoort."

Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des Raads vice-president.353)

Het vijfde artikel der Schets, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst voorgelegde redactie geworden354), ontmoette bij dezen een bezwaar waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid der Commissie, Mollerus. De uitdrukking: ?de S. V. pleegt alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van State," schrijft deze355) ?schijnt mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?" Hij wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken die de Vorst er brengen wil, waartoe moeten behooren voordrachten van wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van redactie op 25 Febr. dit artikel voor: ?De S. V. pleegt alle daden van Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den Raad"356). Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in ieder geval is de Raad nu niet langer de plaats waar de daden van souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig anders dan 's Vorsten artikel luidt dat der Grondwet (32): ?de S. V. pleegt alle daden van souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad".

Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in 1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.

* * *

Op het voorbeeld der Schets (hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van de Schets in derde redactie (zie hiervóór, bl. 97).

* * *

Vereenigde Nederlanden (hiervóór bl. 171).-Art. 53 geeft niet den naam, maar noemt hem als den bestaanden en algemeen bekenden (zie hiervóór, bl. 71).

* * *

Elout over de Rechterlijke Macht (hiervóór bl. 179).-Het is vooral Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake: Ontstaan 1, 512.

* * *

291) Ontstaan I, 74.

292) Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de Grondwet het woord mannelijke voor de nakomelingen van de douairière van Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukking mannelijk oir voor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.

293) Bijdragen VIII, blz. 228.

294) Aanteekening op de Grondwet, I, blz. 61.

295) Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk over de Troonopvolging (Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251 en vlg.) de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de huwelijken van de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van de leden van vreemde huizen, door vrouwen afstammende van Willem I. De hoofdkracht van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat de gewone opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter recht niet uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen voorschrift te onttrekken?

296) Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle acti?n, waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als gedaagden worden aangesproken.

297) Bl. 132.

298) Ontstaan I, 74.

299) Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.

300) Art. 47.

301) Bl. 45.

302) Br. en Ged. III, 175.

303) Schets (art. 29, 2e zinsnede:) ?Zij (de Staten-Generaal) wijzen vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden worden."

Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: ?De Staten-Generaal delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen genomen worden."

Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): ?Zij raadplegen vervolgens over de voorgeslagen middelen tot vinding van dezelve" (de uitgaven).

304) Ontstaan I, 63.

305) Ontstaan I, 484.

306) De Bosch Kemper, Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot 1830, bl. 414.

307) Voor een ministerieel ambtenaar stemden: Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.

Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, R?ell, van Maanen.-Ontstaan I, 154.

308) Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der Grondwet benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een ambt in de Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine Vorst bij art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen van dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (Ontstaan I, 371). Was dit eene vergoeding voor het ambt van Raadpensionaris?

309) III, 96.

310) Ontstaan I, 95.

311) Aanteekening, I, 282.

312) Aanspraak bij Metelerkamp, 114.

313) Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal den 29 Mei 1845.

314) Bl. 47.

315) Ontstaan I, 170 (zeven tegen vijf).

316) Schets art. 39, 1e en 2e lid: ?De Staten der provinci?n en landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constituti?n en Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te maken behoudens alleen deze Grondwet."

Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814: ?De Staten der provinci?n of landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den Souvereinen Vorst en behoudens deze Grondwet."

Redactie der Commissie van 11 Januari 1814: ?Er zullen Staten van de provinci?n of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd behoudens deze Grondwet.

De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden; dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen."

Redactie der Commissie van 7 Februari 1814: ?Er zullen Staten van de provinci?n of landschappen zijn.

De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.

De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.

De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.

De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen".

Grondwet, art. 73: ?Er zullen zijn Staten van de provinci?n of landschappen.

Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van advies.

Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen."

317) Verhandelingen, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan den Souvereinen Vorst).

318) Ontstaan I, 123, 129.

319) Art. 86 der Grondwet. ?Dezelve Staten worden belast met de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden toegezonden."

320) Ontstaan I, 243.

321) Falck schrijft den 24sten September 1814 aan R?ell: ?De waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking, het resultaat mijner overwegingen geweest."

322) Ontstaan I, 75.

323) Ontstaan I, 253.

324) Ontstaan I, 248.

325) Aanteekening, I, 107.

326) Br. en Ged. III, 180.

327) De Bosch Kemper, Geschiedenis, 419.

328) Br. en Ged. III, 108, 178 vlg.

329) Metelerkamp, 211.

330) Reglementen op de wijze van samenstelling der Staten (Bijv. tot het Staatsblad, I, 566).

331) Ontstaan I, 64.

332) Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden, 1814, bl. 250.

333) Br. en Ged. V, 87.

334) Ontstaan I, 46.

335) Ontstaan I, 518 vv.; vgl. Overzicht 19 vv.

336) Ontstaan I, 124.

337) Ontstaan I, 123.-Staten-Generaal aldaar is klaarblijkelijk een schrijffout voor Staten-Provinciaal.

338) Ontstaan I, 440.

339) Ontstaan I, 443.

340) Ontstaan II, bl. CXX.

341) Br. en Ged. V, 98.

342) Ontstaan I, 63.

343) Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel: Overzicht 54.

344) Br. en Ged. V, 110.

345) Vgl. Ontstaan I, 150, waar R?ell voor een tweede uitgave van Oldenbarnevelt vreest.

346) Br. en Ged. V, 68, 264, 266, 275.

347) Ik cursiveer.

348) Br. en Ged. V, 98.

349) Zie daarover de aanteekening bij hoofdstuk VIII.

350) Ik cursiveer.

351) Ontstaan I, 100.

352) Br. en Ged. V, 99.

353) Noch ik zelf bij een vorige gelegenheid (Onze Eeuw 1903 I, 767 noot 1), noch Mr. Tellegen Az. op bl. 31 Overzicht, hebben de plaats Br. en Ged. V, 98 juist begrepen.

354) Ontstaan I, 346.

355) Ontstaan II, bl. CXIII.

356) Ontstaan II, bl. CXVIII.

* * *

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022