Twee millioen menschen hadden hunne woonplaats op het Nederlandsche grondgebied233). Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde beeld onzer dagen te gebruiken, als een levend organisme te gemoet. Het is een volk; het heeft een eigen taal; het heeft een eigen karakter-door het een en het ander onderscheidt het zich van andere volken.
Zou de taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te stellen, hoe onder den invloed der woonplaats en der geschiedenis zich dat volk heeft gevormd en ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn karakter openbaart? En bovendien, hoe, niettegenstaande die overeenkomst tusschen de zonen van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen der maatschappij weder van elkander verschillen, hoe de eenheid van het geheel de verscheidenheid der deelen niet uitsluit? Rijk en arm, hoog en laag, stad en land en dan-het onderscheid van godsdienst.
Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn, mijne hand uit te strekken naar eene taak, die hoe aanlokkelijk ook, boven het bereik mijner krachten geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel ontbreken mij om een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandsche volk, zoo als het zich voordeed in het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet vóór alles het antwoord geven op de vraag: hoedanig zal het staatsgebouw zijn, door het volk te bewonen? Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering zijn? Het is eene wet, die de machten aanwijst, geroepen voor den Staat op te treden, en die hare wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij in den regel die hoogste wet zich niet tot dit hoofdpunt bepalen. De wetgever zal, zoo hij zijne taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit bestuur moet dienen; hij zal letten op de behoeften, de inzichten, de vooroordeelen dier maatschappij; hij zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op de maatschappij zelve? Niet zelden zal ook dit het geval zijn. Veelal heeft de grondwetgever, in plaats van onzijdig te blijven tegenover hetgeen het volk onderling onderscheidt en verdeelt, door aanmoediging of belemmering in de eene of andere richting willen werken, ja zelfs meestal het staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de grootste kracht waren bezield. Dit is, wat ik bovenal bedoelde, toen ik boven deze bladzijden schreef: De grondwet en de maatschappij. Was de grondwet neutraal of was zij het niet tegenover de bestanddeelen, de schakeeringen van het nederlandsche volk?
Wanneer men de maatschappij van die dagen beschouwt, dan was er-evenals vroeger-evenals thans-bovenal een punt van verschil, waardoor die maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware gezuurd was; het verschil van godsdienst. Op dezelfde plek gronds leefden onder-wellicht beter naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden. Indien in 1814 de toestand reeds dezelfde was, als hij later in 1829 bleek te zijn, dan waren zij in de verhouding van 60, 38 en 2 procent over de bevolking verdeeld234). Het grootste gedeelte der Protestanten behoorde tot de Hervormde kerk. Mocht het nu ten opzichte der Joden toen235) nog de vraag zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan eene bijzondere secte, tusschen de overige Nederlanders was het onderscheid alleen hierin gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend dachten. Welke houding zoude de grondwet aannemen tegenover de godsdienstige zijde des volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld volgen van de republiek der Vereenigde Nederlanden, die, hoewel zij in godsdienstige verdraagzaamheid boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der revolutie zijn, die met huldiging van de denkbeelden der 18de eeuw aan de Hervormde kerk dat karakter had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond der godsdienstvrijheid zocht in het individu, die geene burgerlijke voor- of nadeelen aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja die de kerkgenootschappen, een uitvloeisel der godsdienstvrijheid, wilde laten zorg dragen voor het onderhoud van den eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten en dus verklaard had: godsdienst is geen regeeringszaak.
Dit alles toch was verkondigd in de blijde boodschap van de eerste staatsregeling der Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798. (Inleiding, art. 19–20.) Wat was daarvan teruggenomen, wat was werkelijkheid geworden in de pijnlijke jaren van 1798–1813? Teruggenomen was, of wil men liever eene doode letter was gebleven het beginsel, dat de godsdienstvrijheid een individueel recht was. Men verviel spoedig weder in de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid en vrijheid der kerkgenootschappen als synoniem beschouwd worden, en waarbij men vergeet, dat de vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden uitloopt op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende staatsregelingen wordt niet meer de klemtoon op het individu, maar integendeel op de kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van 1801 (art. 12) schrijft zelfs voor, dat een ieder verplicht is, zich bij een of ander kerkgenootschap te laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet worden overgenomen, ook deze staatsregelingen huldigen de bescherming der kerkgenootschappen, niet die der individu's (1805, art. 4, 1806, art. 6). Evenmin vinden wij uitvoering gegeven aan de met het beginsel der individueele godsdienstvrijheid zoo nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet voor het onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen. Immers eerst volgens de additioneele artikelen der staatsregeling van 1798, later volgens art. 14 der grondwet van 1801, bleven de politieke kassen voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen van de leeraren der voormalige Hervormde kerk. Iets wat echter niet meer als een tijdelijke maatregel kon beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan die predikanten het behoud hunner tractementen verzekerde, maar tevens, naarmate de financi?n het toelieten, ook aan de geestelijken der andere gezindheden bezoldiging van staatswege beloofde. Moge nu al de volledige toepassing van deze regeling onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen hebben gehad236); mocht er na de inlijving weinig of niet zijn uitbetaald; het beginsel om de eerediensten van staatswege te ondersteunen, bleef ook onder het Keizerrijk gehuldigd (decreet van 18 October 1810, art. 206–207). Wanneer men dit overweegt, dan is de slotsom deze, dat althans de staatskerk vernietigd bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid tusschen de kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens sloot de heerschappij der Napoleons uit den aard der zaak eene herleving der Hervormde kerk als staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid der kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't algemeen een voorwerp van staatszorg geworden, iets, dat in harmonie was ook met het regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde de bedienaren van den godsdienst om hunne aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk te kneden en met een geest van onderwerping te doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle kerkgenootschappen onderworpen aan-gesteund door-ja organen van het staatsgezag.
Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van staat en godsdienst zoude uit de werkplaats der commissie te voorschijn komen? Hoe zoude de grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar kunnen lezen, dat de Nederlandsche natie bestond uit Hervormden en andere Protestanten, uit Roomsch-katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde koesteren voor den een dan voor den ander, en zoude de Hervormde kerk weder op den kandelaar worden gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor hunne hoop vestigen op de opdracht der souvereiniteit aan het huis van Oranje, dat huis, zoo nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij konden grond voor die verwachting putten uit de omstandigheid, dat de grondwet-commissie met éene uitzondering uit leden der hervormde kerk bestond. En wanneer zij bekend mochten zijn met de gevoelens van Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog aankleefde, konden zij weten, dat hij toen in zooverre slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd was, van voor alle christelijke gezindheden den toegang te willen openen tot in de steden op te richten kiezercollegi?n, terwijl hij voor het overige den ouden toestand hersteld wilde zien237). Ja in 1802 wenschte Hogendorp nog herstel der publieke kerk238). Scheen dit alles niet te wijzen op de waarschijnlijkheid eener restauratie, en dit te meer, nu de revolutie in minachting was geraakt en er hier te lande even als elders eene overhelling tot herstel van het oude bestond?
Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar het voorgaande zoude hebben kunnen verwachten. Het valt niet te ontkennen, dat er in de commissie weinigen waren, die de pen wenschen te halen door al hetgeen sedert de revolutie in dit opzicht was tot stand gekomen. Wellicht kon dit alleen gezegd worden van den zeventigjarigen van Lynden van Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op Mennisten, Remonstranten, Lutherschen en Joden, en vreezende voor het vervolgzieke karakter der Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij de oude constitutie op het stuk van godsdienst te blijven239). Zelfs Hogendorp was, zooals wij zien zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het zevende hoofdstuk der schets (art. 60–61) leest, dan wenschte hij alle godsdiensten in den lande te beschermen, dan werd aan den christelijk-hervormden godsdienst alleen in zooverre een privilegie toegekend, dat haar onderhoud als van ouds tot last bleef van het gemeene land. Maar ook de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden ondersteund in die provincie of provinci?n, waar die godsdienst de meerderheid had. In de commissie zelve wilde men echter nog verder gaan en ook aan de andere gezindten uitzicht op financieele ondersteuning geven. Over deze en andere vraagpunten betrekkelijk den godsdienst ontstond eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814 aangevangen, den 1sten, 2den en 3den Februari voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814 door het machtwoord van den souvereinen vorst tot eene eindbeslissing kwam. Er waren, behalve de vraag der financieele ondersteuning, twee punten die vooral aanleiding tot discussie gaven, en waarover tot tweemaal (2 en 3 Februari) de stemmen staakten. Het eene of de grondwet uitdrukkelijk aan de belijders der onderscheidene gezindheden het recht, om aan de regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp die volgens zijne Aanmerkingen op de schets240) thans voor dit beginsel was, vond echter de uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt gold, niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers zoo niemand uitgesloten werd, waren allen toegelaten241). Met hem gingen zes leden der commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem aangevoerde gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk van Lynden, om nog een deur open te laten voor de herstelling der staatskerk. De andere helft der commissie-waaronder vooral van Maanen, R?ell, Elout en Heerkens op den voorgrond traden-vond daarentegen uitdrukkelijke huldiging van dit beginsel wenschelijk en noodzakelijk242). Het andere punt van verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in de grondwet wenschte opgenomen te zien de bepaling dat de hervormde godsdienst die was van den souvereinen vorst. Ook hierover staakten tot tweemalen toe de stemmen243). Die voor het eerste punt zich verklaard hadden, verklaarden zich hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en Humalda beide keeren voor stemden, Hogendorp en met hem van Imhoff zich ook tegen dit tweede punt verklaarden. Dat de souvereine vorst den hervormden godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een gevolg van de gebeurtenissen der 2? laatste eeuwen: dit behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld-en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen bewaard? Bij dien uitslag bleef er niet veel anders over, dan het gevoelen van den souvereinen vorst over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en den 1sten Maart de eindredactie der grondwet in behandeling was genomen en van Maanen den 1sten Maart er weder op aandrong, de deelneming van allen aan de regeering grondwettig te verzekeren, deelde Hogendorp mede, dat Z. H. dit ook begeerde, mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine vorst van den hervormden godsdienst was. En daartoe werd dan ook geconcludeerd. Dus werd in het voornaamste der beide punten datgene behouden, wat sedert de revolutie was ingevoerd: de gelijkstelling van de leden der onderscheidene kerkgenootschappen. De definitieve regeling der financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in de richting der gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de commissie oorspronkelijk gewild had. Terwijl beide slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de meerderheid hadden, ondersteuning hadden toegezegd-de commissie ook nog andere gezindten eenig uitzicht daarop had geopend-werd in de grondwet zelve met behoud van het financieel privilegie der hervormde kerk, aan alle andere gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot dusver hadden genoten, en tevens het uitzicht op meerdere ondersteuning aan deze en ook aan andere gezindten geopend. Had ook hier de invloed van den souvereinen vorst gewerkt? Het is waarschijnlijk, zoowel omdat hij, nog voordat dit onderwerp bij de commissie ter tafel kwam, reeds bij besluit van 19 Januari 1814244) de beginselen in de regeling van koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd, als omdat uit de beraadslagingen der commissie van die veranderde zienswijze niets blijkt, en het dus aan te nemen is, dat eerst de commissie van redactie onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst deze wijziging in de grondwet heeft gebracht. Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in hoeverre voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden gehandhaafd of gehuldigd, dan vindt men-wat trouwens te verwachten was-wel eene erkenning der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging van de godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in den revolutietijd eene doode letter was gebleven, kon in de dagen der restauratie niet in 't leven treden. Hiermede stond in verband de bescherming van de kerkgenootschappen, die bestonden. Hogendorp had in zijne schets die beperking niet opgenomen. Maar op de aanmerking van Aylva, dat het te ver zou gaan, ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde Hogendorp, dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En zoo werd er in art. 134 der grondwet van bestaande kerkgenootschappen gesproken, niet van erkende, zooals door R?ell was voorgesteld. Dit woord vond geen genade in de oogen van den man, die van al de leden op dit punt het meest een kind van zijn tijd schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat het vrijzinnig genootschap Christo Sacrum er dan buiten zou vallen. Immers, gaf hij te kennen, het genootschap Christo Sacrum bestaat wel, moet dus beschermd worden, maar het is niet erkend245). Men huldigde dus de gelijkheid der bestaande kerkgenootschappen en als uitvloeisel daarvan de gelijkheid hunner leden. éene omstandigheid is ongetwijfeld op dezen uitslag van grooten invloed geweest. Ik bedoel het ook bij de commissie niet onbekende plan der vereeniging van noord en zuid. Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden te meer voor het herstel der heerschende kerk; anders zouden door die vereeniging de gereformeerden het onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijne Aanmerkingen246), juist ook daarom aan allen den toegang tot de regeering verleenen, omdat andere, zelfs geheel Roomsche provinci?n zich met het noorden zouden kunnen vereenigen. Daarom was zijn oorspronkelijk denkbeeld: ?Onderhoud van de gereformeerde kerk door den Staat in de zeven Nederlanden, en van den Roomschen godsdienst in de tien Nederlanden"247). Niet het minst zal ook bij den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld gewogen hebben, toen hij zijnen invloed voor de gelijkheid der kerkgenootschappen in de schaal legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op een ander punt eene wijziging van het oorspronkelijk voorgestelde hebben bewerkt, t. w. de bepaling van art. 139, waarbij aan den vorst het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichting der gesubsidieerde of te subsidieeren gezindten werd toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de commissie dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is aangenomen. Ook deze bepaling kwam voor het eerst voor in de eindredactie, den 28 Februari 1814 ter tafel gebracht248).
Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven, omdat ik mij zoo lang heb bezig gehouden met de wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander onderscheid, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid van meer algemeenen aard-men zoude bijna zeggen: van een meer algemeen menschelijk karakter, dan het verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge of lage geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de afscheiding van nationaliteit en godsdienst, de daardoor te weeg gebrachte klove tusschen de zonen van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te staan, dat de oude wereld er zoo goed als vreemd aan was. Met de geboorte en hare onderscheidingen is het niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne gevolgen in de oude zoowel als in de nieuwe wereld doen gevoelen. Hierin zal geene verandering komen, zoolang de familie de grondslag blijft der maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt op zijne leden. Zoolang zal een overge?rfde naam in deze wereld veel voor hebben, zoolang zal het voor een homo novus meer krachtsinspanning vereischen om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het zoude dwaas zijn, de oogen te sluiten voor dit verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet alleen vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te noemen, maar waarvan bijna geen klasse der maatschappij bevrijd is. Iets anders is het echter, of de Staat door zijne instellingen nog datgene moet versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van nature meer is bevoorrecht. Ook dit toch ziet men niet zelden gebeuren. Het natuurlijke privilegie wordt dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel behoorde te zijn van natuurlijke omstandigheden. Hoe stond het met dit alles in de Republiek der Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te behooren tot de patricische famili?n in de steden; onder de heeren te worden genoemd, die tegenover de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en al gesloten was die kring niet. In buitengewone omstandigheden, zooals b. v. in 1748 te Amsterdam het geval was, werd aan nieuwe geslachten de toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw meer verouderde en verviel, des te sterker werkte de kastegeest. Er bleef om in de regeering te komen bijna geen ander middel over dan het aangaan van een huwelijk met eene regentendochter249). Vreemd was die geest van uitsluiting niet. Men bedenke toch, dat het niet alleen eene eer was, tot dien bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de stedelijke en provinciale en generaliteitsbetrekkingen de buit waren, die onder de leden van dien kring werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet alleen eene eer, het was bovendien een op geld waardeerbaar voorrecht. Wat nu de patricische famili?n waren in de steden, dat waren in de meeste provinci?n de edelen te platten lande. Het is bekend, dat de afzwering van Philips en de invoering van den Republikeinschen regeeringsvorm dien stand langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen. De oude famili?n stierven uit, en er was geene macht in den Staat, om den adeldom te verleenen. Wat het gevolg hiervan was, blijkt uit niets duidelijker, dan uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen in de Ridderschap van Holland beschreven niet meer bedroeg dan tien, en hieronder waren er vier Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland en Overijsel had de adel zich weten in stand te houden en een door haar getal aanzienlijke ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de menschelijke zucht, om, zij het dan ook alleen door uiterlijke onderscheidingen, boven zijn naasten uit te blinken, zoekt allerlei middelen om dit doel te bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de meesten op verjaring250) en hadden ook de edelen van dat slag zich een aandeel in het bestuur weten te verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop per fas et nefas in 't bezit van de regeeringsrechten waren gekomen, zich Jonkers noemen en werden zij in de wandeling als adel behandeld. Bij die allen echter was de adel òf verbonden met voorrechten òf een uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de zoogenaamde Nobiles diplomatici, waarmede Bijnkershoek den draak steekt. Men trachtte van vreemde souvereinen een adellijken titel te verwerven. Er is tegenwoordig, zeide hij, zulk een overvloed van die soort van baronnen en graven, dat wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft dat koopen van vreemden adeldom wel eens trachten te beletten, maar waarom zouden wij die lieden dit genoegen niet gunnen, indien zij er op belust zijn, indien zij zoo dwaas zijn, emere fumum?251) Was het echter wel alleen rook die gekocht werd of opende het in de vorige eeuw ook den toegang tot de hoogere kringen en was het ook eene aanbeveling voor het bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet beslissen.
Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van werkelijke en nagemaakte edelen, van edelen met en zonder voorrechten een einde gemaakt? Ja, allen werden nu burgers. Alle leden der maatschappij hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der inleiding), zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger boven den ander (tot ambten en bedieningen) mocht alleenlijk gegrond zijn op meerdere deugd en bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche Republiek kende het instituut van den adel niet, evenmin als het aan de patricische famili?n nog voorrechten verzekerde.
Was daarmede het onderscheid der geboorte verdwenen? Niemand zal dit verwachten. Onder gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver boven de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier handen de regeering was, ook, voor zoover bruikbaar, deel aan het staatsbestuur hebben blijven nemen; nu kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij, die dit belette. De voorstanders van het oude regeeringstelsel werden uitgesloten door den val van dat stelsel; zij konden, wat van iederen staatsburger geeischt werd, niet verklaren hunnen onveranderlijken afkeer van het stadhouderlijk bestuur, het foederalismus en de aristocratie (art. 11 der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het ook wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het aanbod van ambten de vraag schijnt overtroffen te hebben, zoodat men genoodzaakt was de straf van verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die, bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht vorderen, een ambt zonder voldoende redenen meenden te moeten weigeren252). Een toestand, die echter niet lang duurde. Na de invoering der grondwet van 1801, na die van de grondwet van 1805 en vooral na den dood van Willem V en de troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806, hadden velen van de oude edelen, velen uit de patricische geslachten, zich verzoend met het bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de mannen van 1795 weder in de regeering gekomen. Ja, viel hun niet spoedig het leeuwendeel te beurt? Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als instelling, werd hersteld bij de wet van 22 April 1809. Zooals koning Lodewijk later zei, deed hij dit ter belooning van den ouden adel, die hem over het algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer wet was echter van korten duur. Zij moest den 18den Februari 1810 reeds worden ingetrokken, ter voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals in de hollandsche maarschalken, daarin waarschijnlijk zag een caricatuur van de keizerlijke instellingen253). Want ook in Frankrijk was de adel herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven, maar ook met een erfelijk karakter, mits verbonden met een majoraat, werden door den keizer erkend. En zoo verrezen ook hier te lande de Comtes et Barons de l'Empire. Men was dus bij ons op den smaak gekomen der uit de wet voortvloeiende onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter belooning van persoonlijke verdiensten bracht ons de heerschappij van Lodewijk en van den keizer, maar ook de wettelijke onderscheiding der geslachten kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet vergeten te worden: de voorrechten, aan het onderscheid van geboorte verbonden, herleefden niet-het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef ook onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.
Toen nu met de herwinning onzer onafhankelijkheid de monarchie in het huis van Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te spreken, dat er daarnevens of daaronder ook een bij de grondwet erkende adel zou zijn. De overhelling tot het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie voor het hof, maar ook als steun der monarchie noodzakelijk was, dit alles leidde er toe, dat daarover in den boezem der commissie geen verschil van gevoelen bestond. Evenals andere souvereinen zoude ook de souvereine vorst zijn de bron van eer, niet alleen door het verleenen van orden tot belooning van persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het recht om in den adelstand te verheffen. Zelfs een man als van Maanen, die, in tegenstelling met bijna alle leden der commissie, voor zich zelf dit voorrecht nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen bezwaar. Maar over de strekking, den omvang, de werking dezer instelling bestond wel verschil van gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van Hogendorp? ?De edelen," zeide hij254), ?willen zij in de ridderschap beschreven worden, moeten eene heerlijkheid bezitten; zij zullen er eene, die in de familie is, op hunnen naam krijgen, of er eene koopen, en zoo doende zal het platte land allengskens van zelf wederom zijne natuurlijke hoofden krijgen". In den adel zag dus Hogendorp het hoofd van het platte land; voerden die denkbeelden van de eene zijde terug tot het oude regime, zoo zoude van de andere zijde de bij de wet erkende adel ook op sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij het verleenen dezer erfelijke onderscheiding eene zekere soberheid zoude moeten worden in acht genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen van graven, burggraven of baronnen, met recht van vererving alleen op den oudsten mannelijken nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en heerlijkheid. Dergelijke herstelling van het oude regime werd noch door de meerderheid der commissie, noch door de grondwet beoogd. De souvereine vorst zoude verheffen in den adelstand. Over de titels en de erfelijkheid werd gezwegen-en dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst werden overgelaten. Aan dien adel zoude geen ander politiek voorrecht worden toegekend dan de deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude geen ander recht meer hebben dan het recht om een gedeelte van de leden der provinciale staten te kiezen, terwijl den adel bovendien eenig uitzicht werd geopend op een evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal (art. 58 der grondwet), een uitzicht, dat niet is verwezenlijkt. Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het hoofd van het platte land, was, zooals wij straks zien zullen, geen sprake. In de hoofdzaak werd dus door dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van de republiek, de friesche edelen, de groninger jonkers, de Roomsch-katholieke adellijke famili?n door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel in het bestuur beroofd, niet alleen de vertegenwoordigers der patricische famili?n van voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook vreemde adel opende den toegang tot dezen stand. Ja zelfs kinderen der revolutie, mits, zooals Schimmelpenninck, niet al te zeer gecompromitteerd, werden daarin opgenomen. De grondwet verdeelde dus de ingezetenen in wettelijk voorname en niet voorname leden der maatschappij.
Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de leden der geslachten, die reeds van oudsher in de nederlandsche maatschappij uitstaken, was het niets anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad reeds bestond. Maar die gunst daalde ook op anderen neer, die hunne voornaamheid dan uit de wettelijke onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag dus de natuur vervangen? Wanneer men de geschiedenis van ons vaderland sedert 1813 beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en zijne nakomelingen eene hoogere plaats in de samenleving te verzekeren, ook zonder dat verdiensten jegens het vaderland daarvoor een vereischte zijn.
Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op de maatschappij wensch ik nog de aandacht te vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet opricht in het veld en de landman geen graan verbouwt op de marktpleinen. Wat was de positie, die de grondwet innam tegenover het onderscheid van stad en land?
Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons uit dit oogpunt den toestand van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Wie stelt in 't licht wat Tocqueville voor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want dat, al zij het dan niet in die mate als in Frankrijk, ook bij ons de revolutie voor die bevolking veel goeds heeft gewrocht, valt mijns inziens niet te ontkennen. De stad, het stedelijk element was overheerschend in de republiek. Het landvolk zuchtte onder de heerschappij der heeren en waar, zoo als in Groningen, er geene heeren-in den zin van bezitters van heerlijkheden-bestonden, daar was toch langs een omweg door de afscheiding der bestuursrechten van den grond en de samenvoeging er van in enkele handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't leven geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te platten lande waren onder de republiek bijna overal een recht in commercio. Was de toestand er door verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren gekomen der welvarende steden en alzoo het platte land niet zelden opgeofferd werd aan hare bekrompene zelfzuchtige politiek? Ik gis van neen. De staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de pen gehaald door de heerlijke rechten-en zij waren sedert niet herleefd. Niet dat de belanghebbenden berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd, volgens hetwelk het gezag van den een over den ander alleen mag gegrond zijn in het belang van den laatste, en rechten van bestuur diensvolgens geen privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de troonsbeklimming van Lodewijk-ja, nadat deze eigenlijk te Parijs reeds de regeering had aanvaard, had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene wet uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor een groot deel werden hersteld. Doch de overgang der regeering op koning Lodewijk en daarna de inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de gunstige bepalingen dezer wet voor de heeren verloren gaan. De revolutie, en-het moge hard zijn dit te erkennen-de Fransche heerschappij hebben te weeg gebracht de emancipatie der plattelandsbevolking van den druk der heeren en der steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven bewaard of zoude Neêrlands vrijheid voor die bevolking worden het sein tot hernieuwde onderdrukking? Het kan, helaas! niet worden geloochend, dat niet alleen een man als van Lynden, maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog. Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom en was de adel de grondslag van den militairen geest, en voor die beide alleen had hij oog255). Immers zouden-zooals het ook in de grondwet (art. 79) bepaald werd-de steden haren eigene regeering erlangen, een uitvloeisel van het door de ingezetenen te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets). En naast die steden stonden de adel en de ridderschappen, (art. 40 der schets.) De ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art. 45) en zoo zoude en in het bestuur en in de rechtspraak de adel herleven als hoofd van het platte land. Na overweging en nog eens herhaalde overweging kwam men echter tot het resultaat, dat, wat Hogendorp wilde, niet in te voeren was; dat het niet aanging het platte land geheel en al als een stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die ten slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke vertegenwoordiging uit stad en adel alleen te doen samenstellen. Men wees niet alleen op de geheel veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat vóor de revolutie niet overal de plattelandsbevolking was uitgesloten. Men wees op Friesland. Ja, men herinnerde aan stad en lande, waar geen adel deel aan het bestuur had gehad. De groote meerderheid was dan ook van oordeel, dat het platte land moest worden vertegenwoordigd. En wanneer men desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor terugdeinsde de bestanddeelen der provinciale Staten uitdrukkelijk in de grondwet op te nemen, dan was het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak opzag; wellicht was een enkele er ook tegen, omdat hij in de grondwet aan den adel niet overal een aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien toegekend. De slotsom was, dat de regeling van dit punt bij art. 74 der grondwet aan den souvereinen vorst werd overgelaten. Z. K. H. werd echter met de zienswijze der commissie in kennis gesteld256). Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der commissie wenschte, kon dan ook van Maanen in zijn rede over de grondwet namens den souvereinen vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en stad ook de landeigenaren in de Staten zouden worden vertegenwoordigd257). En evenmin was de regeling van de besturen ten platten lande een terugkeer tot het oude. De rechtspraak moest blijven wat zij na en door de revolutie geworden was, in alle opzichten een publiek recht, een uitvloeisel van het hoofd van den Staat, van den souverein. En wat het eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet gaf in art. 81 wel te kennen dat op het verkregen recht der belanghebbenden zoude worde gelet, doch bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de belangen der ingezetenen; alles ten slotte afhankelijk van de latere regeling door de staten der gewesten te ontwerpen en door den souvereinen vorst te bekrachtigen.
Men keerde dus slechts ten deele terug tot den ouden toestand. Toch kan men niet ontkennen, dat van allen de plattelandsbevolking de minste redenen van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte gepaard ging met hare achteruitzetting. Het had erger kunnen zijn; het was toch reeds erg genoeg. En alsof de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat, hoe meer men tot bezinning kwam, er minder kans op herstel hunner privilegi?n zoude zijn,-zij wisten den souvereinen vorst te verleiden, bij besluit van 26 Maart 1814 de heerlijke rechten voor een deel weder te doen herleven. Een besluit, waarbij, in strijd met het beginsel van de vrijheid van den grond, het recht van jacht en visscherij hersteld werd; waarbij, in strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van collatie weder werd in 't leven geroepen: waarbij eindelijk, in strijd met het beginsel dat niemand gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang van dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de begeving van geringer betrekkingen weder aan de voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer men bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst genomen werd in de laatste ure der door den nood van het oogenblik hem opgedragen onbeperkte macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der grondwet werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te overdrijven, wanneer wij dit besluit eene zwarte bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst, en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen geen aanstoot heeft gegeven; althans schijnt daarvan niets bekend te zijn geworden. Eerst in 1848 konden de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het bestuur betrekkelijk weder worden opgeheven; voor het overige wordt het platte land nog door den inhoud van het besluit gedrukt.
Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte land. Behoudens eenige door mij aangestipte punten, was men niet teruggekeerd tot den ouden tijd. Ik kan dus ook zwijgen over de Generaliteitslanden. De beslissing over den godsdienst en over het platte land moest van zelf leiden tot de gelijkstelling van de Generaliteitslanden met de overige deelen des Rijks.
De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.
Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken, dan komt ons allereerst de opmerking voor den geest: niet alles is mogelijk wat men zoude wenschen. Ook zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde voorstanders eener restauratie waren binnengetreden, zullen die niet hebben verlaten zonder de overtuiging te hebben gekregen, dat in de vervlogen achttien jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden hersteld. Hoe zoude een adel, die door zijne bezittingen het hoofd was van het platte land, kunnen worden geschapen? Maar bovendien waren de leden der commissie, die de geschiedenis van dit tijdvak slechts als toeschouwers hadden doorleefd, niet de meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook Hogendorp. Doch deze had toch met zijnen geest de ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig gevolgd,-het zoude voor koning Lodewijk zelfs weinig moeite gekost hebben, hem deel te hebben doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien te scherpzinnig, om door de beraadslagingen der commissie niet te worden overtuigd, dat veel van het oude, veel van hetgeen ook hij oorspronkelijk nog wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast die leden stonden Humalda, van Imhoff, Repelaer, R?ell, Elout, die, hoewel niet als Heerkens en van Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen hadden gediend en de waarde van de nieuwe beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt. Vooral zij, die in 1795 op jeugdigen leeftijd waren-zooals Elout, R?ell, van Imhoff, van der Duyn, moesten reeds van den aanvang af van het onmogelijke eener volledige restauratie doordrongen zijn.
Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen vorst. Eene herstelling van het oude was, met het oog op zijn lievelingsdenkbeeld, te heerschen over noord en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus inzag, is zeker. Maar ook afgezien van de vereeniging met Belgi?, zoude eene herstelling der oude aristocratie met hare heerschappij te platten lande, even als eene restauratie der stedelijke oligarchie, voor hem zijn geweest eene bron van voortdurende tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van dezen invloed van den souvereinen vorst op het stuk van den godsdienst het bewijs kan leveren, zoo laat het zich aannemen, dat hij ook op andere punten in den geest der nieuwe beginselen op de leden der commissie heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg, om in te zien dat-nu hij eens souverein was-het voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten bestond, zoodat hij met een krachtige hand, door geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd, over hen kon regeeren.
En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing van den regeeringsvorm der weder opgestane Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten worden opgenomen in de grondwet.
* * *
De blijde boodschap (hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5 Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst langzamerhand in hare gevolgen gekend.
De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het volgende. ?Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart" (art. 19). ?Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht" (art. 20). ?Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten" (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's lands kas zouden blijven genieten, ?ten einde de gemeenten in dien tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere bezoldiging" (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren die tractementen waren betaald258), nationaal werden verklaard, om na verloop van die drie jaren te worden aangelegd ?tot een vast fonds voor de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen" (art. 4); dat alle andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de kerkgebouwen en pastorie?n der voormaals heerschende Kerk ter beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).
Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van 1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April 1800, dat ?de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den zijnen" overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit259). Ook leek het er niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. ?Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij de wet nader zal worden vastgesteld" (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft, bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1 Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing, en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801 hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de katholieken was het artikel niet noodig: zij voorzagen immers van oudsher in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede bemoeide.
De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur, die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de genootschappen die er wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie (afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden) eigenlijk weinig verandering gekomen was;-maar, vooral sedert de invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het Nederlandsche Katholicisme bedenking.
De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recogniti?n en afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt aan een superior missionis Batavae die buitenslands (tot 1794 te Brussel, thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene zaak waartoe van der Palm, als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd heeft,260) en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en 1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude zeven provinci?n, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een geloofsgenoot vervangen.
Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. ?De materie zoo gecompliceerd zijnde," schrijft van der Palm kort vóór de Staatsregeling van 1805, ?is het onmogelijk deswegens één algemeen werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten, wat het algemeen welzijn vordert." In overeenstemming met deze leer bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat ?het gouvernement zoodanige maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen," en die van 1806 nog strenger: ?door het gezag van Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle eerediensten."
In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in 1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat beoogde gebruik te maken; in 1805 en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.
Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid, die heel wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het ?meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere stad of plaats;" geestelijken kunnen niet benoemd worden tot leden der commissi?n van toezicht over het openbaar onderwijs, of van eenig wereldlijk armbestuur.
Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het luthersche kerkgenootschap261); hier en daar is een leegstaand kerkgebouw (als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd; consuleerende commissi?n uit de geestelijken der verschillende kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen, waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem I zich zou aantrekken.
Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder eenige bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken. Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene ?Brevis disquisitio circa constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning", waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk in al haar betrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.
De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij het kabinet des Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den Moerdijk. Redacteur der Koninklijke Courant werd na eenigen tijd een Jood (J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.
De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote beginsel van gelijkheid uitgesproken,262) maar was de practijk ver achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf, waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven, werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en vormden een eigen godsdienstige gemeenschap. Ook in Frankrijk was het vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Itali?, en dat ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Isra?liet in Frankrijk of het koninkrijk Itali? geboren en opgevoed, godsdienstig verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808 een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Isra?lieten van het Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden, en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende burgermaatschappij krachtig bevorderde.
* * *
De eerediensten onder het Keizerrijk (hiervóór, bl. 116). De negende titel van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand. Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: ?en 1812 tous les cultes seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire". Eene commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek263), een jansenist264), twee nederduitsch hervormden265), een waalsch hervormde266), een remonstrant267), twee lutherschen268) en een doopsgezinde269). Keizerlijk commissaris werd de intendant van binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de Fransche wetten op het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.
Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen; daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch hervormd predikant in kwam: ?parmi les ministres réformés hollandais, il n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter". Hij wist dat het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. ?Les réformés hollandais sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les m?urs; ils n'ont de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des wallons: par conséquent, de ce c?té, il n'y a que désordre à attendre, et une discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus fran?ais, se pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une fa?on de vivre et de converser plus élégante: il y a plus de tendance vers notre caractère et nos go?ts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les églises séparées, à reconna?tre aux uns et aux autres des églises consistoriales".270) De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal, dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever ontzien: ?ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils pourront absorber une grande partie du culte protestant." De lutherschen in Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur te brengen, zal niet lukken: ?l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui leur vient de la Hollande". Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: ?ces gens-là se ha?ssent cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent". Maar de hersteld-lutherschen zijn zóó weinig talrijk, dat zij in het geheel niet van een erkend bestuur behoeven te worden voorzien: ?on pourra ne pas reconna?tre leur existence". Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen en op pensioen stellen; ?tout le reste serait censé perdu dans le grand troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la majorité". Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten resideeren: ?peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-le-Duc pourrait l'être de la Hollande".271)
Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou, naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen, gewezen chef van divisie bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de afzonderlijke leden geheel over.-Cramer verlangde voor de katholieken bisdommen te Utrecht en Groningen en overdracht van verschillende kerkgebouwen272).-Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht (aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg); de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd zonder meer ter zijde gelegd.-De Remonstranten, Doopsgezinden, Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het Hervormde Kerkgenootschap.-De Nederduitsch-Hervormden deden een poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en behoud van de bestaande inrichting der diaconie?n.
D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening. Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk geldende bedragen met ? te boven gaande; de pastoralia zouden op een hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten aanwijzen.
Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten, deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de diaconie?n: ?elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il soit dans l'intention de l'Empereur de laisser à chaque culte l'entretien de ses pauvres."273) D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconie?n te zwijgen scheen hem niet wel mogelijk: ?Depuis longtems je pense comme V. A. que difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir."
Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend274) was de invoering eener katholieke hi?rarchie in Holland een onbegonnen werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-katholieken eeredienst te Parijs, Darbaud, die er vrij wat op aan te merken had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef alles voorshands op den ouden voet, maar met ééne, voor de betrokkenen uiterst gevoelige uitzondering.
Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had de minister van eerediensten, Bigot de Préameneu, daarop de volle som uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eene kwartaal na het andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en dringender: ?Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat.275) Je supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans sa justice, dans sa bonté, dans sa politique" (18 April 1811). De Keizer antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de godsdienstleeraars betalen? ?C'est ainsi que cela a été arrêté au budget" (21 April 1811). ?On ne conna?t point ici", antwoordt Lebrun, ?l'article du budget qui prescrit cette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit être publiée" (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand heeft: ?que S. M. avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé f?t à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour ordonner et régulariser cette mesure". Deze herinnering wordt door den Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29 Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden zijn ?15 van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der godsdienstleeraars zullen worden voldaan; ?il faut soulager", heet het in een 19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, ?il faut soulager le trésor de cette dépense qui est bien considérable"276) Den 30sten Dec. is het decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811 verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun tractement over 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg; trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v. heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert, wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans ? van hun traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. ?Si j'avais eu quelque pouvoir," luidt de karakteristieke bijvoeging, ?nous aurions trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M." Nog eens 31 Maart 1813: ?Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu à aucune plainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces départemens".-Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan het hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar: 600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk, herstelde!277) Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten, bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche Zaken gelast ?zorg te dragen dat door combinati?n en afschaffing van predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden."
* * *
Met ééne uitzondering (hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.
* * *
Haar onderhoud (hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, ?in zoo verre de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken".278)
* * *
De stemmen staakten (hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813279), dat omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de aanteekeningen van R?ell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr. niet hadden gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die waarover de stemmen hebben gestaakt,280) volgt er geen protest van den voorzitter; en 1 Maart noemt deze zelf het artikel een punt ?omtrent welk de stemmen gestaakt hadden".281)
* * *
Beslissing van den Souvereinen Vorst (hiervóór, bl. 120). Zie Ontstaan I, 482 en II, bl. CXXI, doch vooral Br. en Ged. V, 87: de Vorst besliste voor opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem persoonlijk niet aangenaam was282). De oude heer van Aylva maakte er echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden verwerpen. De aanstaande vereeniging met Belgi? maakte veel Protestanten voor de toekomst beducht.283)
* * *
Het is waarschijnlijk (hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer grooten invloed is geweest,284) doch er is geen het minste bewijs voor Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal de commissie van redactie tot het inzicht zijn gekomen dat het niet aanging den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.
* * *
Doode letter (hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen deze uitdrukking gebruikt.285) Uit de niet-wederopneming van den ?grondregel" van 1798: ?Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart", in de constituti?n van later tijd, kan ik geenszins het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 ?dood" was. Het wemelt in den aanhef der staatsregeling van 1798 van ?algemeene beginselen" en ?grondregels" wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere constituti?n niet weder opgenomen.
* * *
Art. 139 der Grondwet (hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich door te meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De vervanging van art. 62 der Schets door het artikel van 2 Febr. is het werk der volle commissie286); het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van R?ell zijn die dit heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde genootschappen zullen zijn onderworpen287).
* * *
Heerlijke rechten (hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798 had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven) wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden ?voor zooverre zij niet met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren", en voor het gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, te voldoen door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend, bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong namen uit ?het leenrecht", dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de particuliere belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen worden gehandhaafd.
Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van den ?Conseil pour les affaires de Hollande" herinnert in haar advies van 21 Aug. 1810288) aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke rechten die in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat, waren afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven overeenkomstig de bestaande wetgeving; ?il sera statué ultérieurement sur la faculté de racheter les dites d?mes et rentes". Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103).
Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er geene, die de heerlijke rechten betreffen.
* * *
Wellicht (hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschap denkt289), stemt vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke stand wil behalve in Friesland.
* * *
Besluit van 26 Maart 1814 (hiervóór, bl. 134). Op wat grond de Bosch Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt ?op aandrang van van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor de grondwet verdedigde"290), is mij onbekend. De mededeeling is in ieder geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen ?eerste minister", maar minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen, den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin juist. Ik denk dat hem art. 45 der Schets voor de gedachte heeft gezweefd.
* * *
Ook op andere punten (hiervóór, bl. 136).-Zie voor het vroeger overleg tusschen den Vorst en Hogendorp hiervóór, bl. 96; voor het hier door Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zie Ontstaan II, bl. CXVIII vv. en I, 438 vv.-Behalve op het punt van den godsdienst was de inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor de aanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149 en 150).-Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter sprake: de Raad van State en de verkiezing van leden der Staten-Generaal.
* * *
233) De eerste algemeene volkstelling, die van 1795, gaf eene bevolking van 1,880,443 zielen. Wanneer men er bij in aanmerking neemt, wat toen niet, thans wel tot Nederland behoort, dan wordt dit cijfer bij schatting op 2,100,000 gesteld. D'Alphonse's Aper?u geeft voor 1811 het aantal inwoners op als 1,724,896; hierin zijn opgenomen 127.959 inw. voor de Ooster-Eems, maar ontbreken natuurlijk behalve de in 1795 afgestane landen ook Noord-Brabant, en Gelderland tot de Waal. Hogendorp stelde na de verdrijving der Franschen de bevolking in een rond cijfer op twee millioen. De eerste telling na 1813, die van 1829, gaf 2,613,487 zielen (Algemeene Statistiek van Nederland, II, blz. 18, 22.)
234) Volgens de volkstelling van 1829 (Algemeene Statistiek van Nederland, II, blz. 466 vlg.) waren er:
of op de 10,000 zielen:
Protestanten 1,544,888 5,911
Katholieken 1,019,108 3,899
Isra?lieten 46,397 178
Onbekend 3,094 12
2,613,487 10,000
235) In de door R?ell voorgestelde redactie betrekkelijk dit onderwerp had deze in plaats van: godsdiensten, wat in Hogendorp's schets voorkwam, het woord kerkgenootschappen gebruikt. ?Dan", zeide hij, ?zijn er de Joden niet in en niet uit;-zij sustineeren eene natie, niet kerkgenootschap te zijn". (Ontstaan I, 277; vgl. aldaar, 273).
236) Op de begrooting van 1809 komt voor de Eerediensten voor eene som van ? 1,098,440 (Lod. Nap. Gedenkschriften, II, blz. 333). In de door Napoleon na de inlijving bijeengeroepen commissie van eenige Nederlanders wordt de som, in den laatsten tijd voor dit onderwerp jaarlijks besteed, opgegeven te hebben bedragen ? 1,127,638, aldus verdeeld: Hervormden ? 1,041,788, R.-Katholieken (met Jansenisten) ? 76,274, Lutherschen ? 9,226, Mennonieten ? 350 (Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis van R. Fruin, 2e reeks IX, blz. 109).
237) Br. en Ged. III, 175, 182.
238) In de door hem den 8sten Februari 1802 opgestelde voorwaarden der nationale vereeniging, waar men leest: ?Het is in den aard der zaak gelegen, dat de oude publieke kerk onder ons hersteld worde, maar met alle mogelijke verdraagzaamheid voor alle andere gezindheden. Ondergeschikte ambten en bedieningen, als de militaire ambten, moeten zelfs voor alle gezindheden openstaan" (Br. en Ged. III, 208).
239) Ontstaan I, 271–273.
240) Ontstaan I, 61.
241) Ontstaan I, 324, 432.
242) Vóór stemden: Elout, Heerkens, R?ell, van Maanen, van der Duyn, van Zuylen, Humalda.
Tegen ? : van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, Hogendorp, van Imhoff.
Den 2den Februari waren van Heerdt en van der Duyn niet tegenwoordig; den volgenden dag voegde de een zich bij de voorstemmers, de andere bij de tegenstemmers en staakten dus wederom de stemmen.
243) Voór: van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, van Zuylen, Humalda.
Tegen: Elout, Heerkens, R?ell, van Maanen, van der Duyn, Hogendorp, van Imhoff.
244) Ontstaan I, 302.
245) Ontstaan I, 278. Van Christo Sacrum wordt in den Staatsalmanak voor 1815 het volgende gezegd: ?Onder de kleine Christen Gemeenten is het genootschap Christo Sacrum te Delft voor weinige jaren opgerigt. Hetzelve heeft geen bezoldigde leeraars, en neemt de belijders van alle Christelijke Godsdiensten, welke de geloofbelijdenis bij het Genootschap vastgesteld willen afleggen, tot leden aan, ook dan wanneer dezelve verkiezen tevens leden van eene andere gezindheid te blijven."
246) Ontstaan I, 62.
247) Ontstaan I, 76.
248) Schets, art. 62: ?Alle kerkelijke vergaderingen zijn wettig, mits dezelve verzoeken om commissarissen-politiek door de souvereinen vorst aan te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets strijdigs met de wetten en de algemeene rust voorgenomen worde."
Redactie der commissie, vastgesteld 2 Febr. 1814: ?De regeering zal altijd zorg dragen, dat de geestelijkheid van geene eene gezindheid zich eenig deel van de wereldlijke macht aanmatige, en daartoe de noodige middelen aanwenden."
Grondwet, art. 139: ?Onverminderd het recht en de gehoudenis van den S. V., om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke volgens een der voorgaande artikelen eenige betaling of toelage uit 's Lands kas genieten."
249) Men denke aan van de Spiegel en zijn huwelijk met eene burgemeestersdochter. ?Haar betrekking", zegt Fruin (Verspr. Geschr. V, 217), ?tot de Goesche Regenten-families opende den bruidegom eene loopbaan, waarvoor zijn talenten en verworven kennis hem bestemden, maar die hem zonder deze verzwagering toch gesloten zou zijn gebleven".
250) U. Huber, Hedend. Rechtsgeleerdheid, I, c. 4, no. 27–31: no. 29: ?In vrije regeeringen wordt zij (de oorzake van den adel) afgenomen uit een langdurige benaminge van het volk, als bij wijze van prescriptie; gelijk bij ons in vele geslachten."
30. ?Wij meenen, dat sulk een slach van adel in een vrij land so goed is, als die in andere landen bij speciale vergunningen wordt verkregen, omdat het volk alhier 't selve recht heeft, dan elders de princen, ende dewijl allerhande gerechtigheden door laps van tijd verkregen worden, is er geen reden, waarom de edeldom in dier voege niet soude konnen verkregen worden."
251) Questiones Juris publici, II, c. 25.
252) Decreet van 19 Jan. 1799. Zie ook art. 14 der staatsregeling van 1798 en art. 8 van het daarbij behoorende reglement B, benevens art. 5 van het reglement C.
253) Geschiedkundige Gedenkstukken, III, 38, 178.
254) Ontstaan I, 59.
255) Ontstaan I, 241–'42.
256) Ontstaan I, 413, 419, 420.
257) Metelerkamp, 123. D'Ablaing van Giessenburg (De Ridderschappen in het Koningrijk der Nederlanden van 1814–1850, den Haag, 1875, blz. 3) vergist zich dus, als hij beweert, dat de derde stand, die der landeigenaren, tegen den oorspronkelijken zin der Grondwet binnengesmokkeld zou zijn.
258) En die sedert de Hervorming in beheer waren bij den Staat. Zie voor een kort overzicht van den rechtstoestand dier goederen Buys' Grondwet II, 523 vv.
259) Zooals G. K. met welgevallen aanhaalt in zijne Aanmerkingen (Ontstaan I, 61): ?De Hervormde Kerk heeft zoo diepe wortelen onder onze natie geschoten dat het misnoegen van andere gezindheden haar niet benadeeld heeft, toen er gelegenheid toe geboren scheen."
260) Hij ontwierp een bisdom Amsterdam dat de geheele Republiek zou omvatten. De bisschop, die resideeren zou te Delft, zou benoemd worden door het Staatsbewind, ?mits overeenkomstig de wetten en voorschriften der Roomsch Catholieke Kerk;" te Breda zou de opleidingsschool voor geestelijken worden gevestigd, te subsidieeren door den Staat (Ged. IV, bl. LXXIV.)
261) Vgl. de noot hiervóór, bl. 116.
262) Decreet der Nationale Vergadering tot inlijving der Joden bij de Bataafsche natie (2 Sept. 1796.)
263) Den Amsterdamschen aartspriester Cramer.
264) Den Amersfoortschen pastoor van Os.
265) Den oud-minister van eerediensten Mollerus, en den Leidschen hoogleeraar (gewezen predikant) te Water.
266) Den Haagschen predikant Delprat.
267) Martinus Stuart, predikant te Amsterdam.
268) Een uit Holland (Eberbach), en een uit Oost-Friesland (Kniphausen).
269) Den Amsterdamschen hoogleeraar Koopmans.
270) Eene ?église consistoriale" (met een volledige organisatie van predikant[en] en ouderlingen toegeruste kerk) was in Frankrijk slechts toegestaan op elke 6000 hervormden.
271) Lebrun aan den minister Bigot de Préameneu, 12 en 28 Nov. 1811 (Ged. VI, 788 vv.).
272) B. v. te Amsterdam de Nieuwe Kerk, Noorderkerk en Oudezijdskapel; te Utrecht den Dom of de Buurkerk; te Groningen de Akademiekerk (als voor de Hervormden van geen nut meer, sedert na de inlijving der hoogeschool bij de Fransche Universiteit het ambt van akademieprediker was vervallen).-Dit laatste gebouw is inderdaad aan de katholieken ingeruimd.
273) Ged. VI, 965.
274) De Paus had de inlijving van den Kerkelijken Staat (17 Mei 1809) met excommunicatie beantwoord.
275) Wel te verstaan die bedoeld in het decreet van 1808.
276) Ged. VI, 209.
277) Ontstaan I, 302. De herstelling betrof niet alleen de tractementen van leeraars der Hervormde Kerk, maar ook ?de toelagen welke tot 31 Dec. 1810 aan eenige leeraars van andere kerkgenootschappen zijn geaccordeerd geweest."
278) Ontstaan I, 55.
279) Ontstaan I, 359.
280) Ontstaan I, 428.
281) Ontstaan I, 482.
282) Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan den indruk in Belgi?.
283) ?Wanneer wij Brabandsche provinci?n tot territoir krijgen, zullen wij gereformeerden het onderspit delven" (van Lynden in de vergadering van 21 Jan. 1814; Ontstaan I, 278).
284) Ontstaan I, 296.
285) De eerste maal hiervóór, bl. 115.
286) Ontstaan I, 318–'19.
287) Ontstaan I, 270.
288) Ged. VI, 1442.
289) Ontstaan I, 411.
290) Letterk. Aant. 464.
* * *