Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 6 DE VEREENIGING MET BELGI .

Welk een ommekeer! Welk een ommekeer voor den Vorst, die, uit zijn vaderland verjaagd, had rondgezworven in den vreemde, en die thans, door de wisseling der fortuin, als 't ware met éen slag zich verheven zag tot eene positie, hooger dan ooit door zijne vaderen was ingenomen; hij, die door zijne vroegere landgenooten, thans zijne onderdanen, als een redder werd begroet, op de handen werd gedragen!

Welk een ommekeer voor den Vorst, die zich tevens hersteld zag in het bezit zijner Nassausche erflanden, hem door Napoleon ontnomen bij de oprichting van het Rijnverbond in 1806. De Vorst had voorzeker alle redenen om dankbaar te zijn. Maar de begeerlijkheid wordt niet licht verzadigd-en zoo begeerlijkheid een echt menschelijke karaktertrek is, de Vorst was in dit opzicht voorzeker een mensch. Zijne verbeelding spiegelde hem een nog uitgestrekter rijk voor, een nog grooter getal onderdanen. Een rijk zoo groot, dat voor zijn tweeden zoon de Nassausche erflanden zonder bezwaar als secundo-genituur zouden kunnen worden weggelegd. En wat hij in zijne verbeelding zag, vond steun in de werkelijkheid. De Vorst konde weten, dat reeds in vroegere jaren, bij elke flikkering van hoop op de fnuiking van de heerschzucht des Keizers, op het terugdringen van Frankrijk binnen zijne oude grenzen, de aandacht der mogendheden op Belgi? was gevestigd, de vraag was gedaan, wat het lot zoude worden van dat land, te zwak om, met Frankrijk naast zich, op zich zelf te blijven staan. De natuurlijkste oplossing zoude zijn, dat het terugkeerde tot het Oostenrijksche keizershuis, maar zoude dit niet liever vasten voet willen hebben in het aangrenzende Itali?, liever dan weder te heerschen over het verwijderde Belgi?? Zoo kwam het, dat reeds vroeger, in 1798, in 1805 de vereeniging van Holland en Belgi? een onderwerp van bespreking was geweest357). Toen nu door den slag van Leipzig de macht van Napoleon gebroken was, moesten uit den aard der zaak dezelfde denkbeelden op den voorgrond treden. Vooral bij Engeland, dat, zoolang Antwerpen eene oorlogshaven was, en die haven in 't bezit was van Frankrijk, zich in zijne veiligheid bedreigd achtte. Mocht geene der groote Duitsche mogendheden in 't bezit van Belgi? komen, dan moest het voor een groot deel met Holland worden vereenigd, althans zoover dat Antwerpen tot ons land zoude behooren. Zoo lezen wij in het Memorandum358), kort na den slag bij Leipzig, nog vóór de bevrijding van ons vaderland, door Engeland voor zijne bondgenooten opgesteld. En zoo is het ook niet vreemd, dat het hoofd van het huis van Oranje, met den inhoud van deze memorie bekend, dien geest bij de Engelsche regeering trachtte te versterken. Terwijl hij zich nog op Engelschen bodem bevond, was hij er op uit, bij Engelands regeering de zienswijze ingang te doen vinden, dat geheel Belgi? bij Holland moest worden gevoegd, dat het naar de zijde van den Rijn moest worden vergroot, en zich moest uitstrekken tot aan de Moezel en de oude grens tusschen Frankrijk en de Oostenrijksche Nederlanden359). Met de hoop op verwezenlijking dezer denkbeelden, keerde de Vorst naar zijn vaderland terug.

Wat zoude men in Nederland van die plannen denken? Zouden zij ook moeten worden opgegeven, om Amsterdam te believen? De vereeniging, meende men, was te Amsterdam zeer impopulair, om de vrees voor de mededinging met Antwerpen360). Bijaldien de Vorst bezorgd is geweest dat zijn lievelingsdenkbeeld op den tegenzin zijner landgenooten zoude afstuiten, zal hij spoedig zijn gerustgesteld. Immers was niet de man, op wiens gevoelen het in die dagen vooral aankwam, het geheel eens met den Vorst? Had niet Hogendorp reeds in 1812 zich bezig gehouden met de reconstructie van Europa en alstoen in een opstel de redenen ontvouwd, waarom Holland en Belgi? met eenige geseculariseerde landen op den linker Rijnoever tot een rijk als voormuur tegen Frankrijk moesten worden vereenigd361)? Die memorie drukte geheel en al het gevoelen uit van den Souvereinen Vorst. Zij werd den 14den December 1813 naar Londen gezonden, om als richtsnoer te dienen voor Hendrik Fagel, 's Vorsten vertrouwde, nu onzen gezant aldaar; hij moest ze als leiddraad gebruiken bij zijne besprekingen met de Engelsche regeering. Het gold hier, meende Hogendorp, niet alleen ons, maar ook Engelands belang362), Engeland was daarvan niet moeilijk te overtuigen. De Engelsche regeering, schreef onze gezant kort daarop aan den Souvereinen Vorst363), wenschte de vereeniging der 17 gewesten: maar de zaak was nog niet rijp genoeg, om zich er positief over te verklaren. Ja reeds vroeger had dezelfde gezant den Souvereinen Vorst berichten van dezelfde strekking over den geest der Oostenrijksche diplomatie kunnen mededeelen364). Alles scheen dus samen te loopen, om de vervulling zijner wenschen te verzekeren.

Toen de Engelsche Minister van Buitenlandsche Zaken, Lord Castlereagh, in de eerste dagen van 1814, op zijne reis naar het hoofdkwartier der geallieerden, den Haag aandeed, was de vereeniging met Belgi? dan ook een onderwerp van bespreking tusschen hem, den Souvereinen Vorst, en den Engelschen gezant bij ons hof, Lord Clancarty. Er was intusschen een plan tot rijpheid gekomen, dat de ingenomenheid der Engelsche regeering met die vereeniging nog meer had versterkt. De vermoedelijke erfgename der Britsche kroon, het eenige kind van den Prins-Regent, Prinses Charlotte, zoude in het huwelijk treden met den oudsten zoon van den Souvereinen Vorst, en door deze echtverbintenis zouden de banden tusschen Engeland en Nederland nog nauwer worden toegehaald. Engeland mocht zich vleien, dat Nederland-om eene latere uitdrukking van den Souvereinen Vorst365) te gebruiken-de schildwacht van die mogendheid op het vasteland zoude worden. Lord Castlereagh ging dan ook uit de residentie met het vaste voornemen, om, bijaldien het mocht gelukken, Frankrijk tot zijne oude grenzen te beperken, in het hoofdkwartier al zijnen invloed te doen gelden, om al de Nederlanden tot één rijk te vereenigen; een rijk, krachtig genoeg, om als voormuur tegen Frankrijk eene belangrijke plaats in het Europeesche Statenstelsel in te nemen. Want in het hoofdkwartier der geallieerden en niet in den Haag moest die kwestie worden beslist.

Toen Lord Castlereagh, na eene reis van 8 dagen, den 18den Januari 1814 Bazel bereikte, stonden de kansen voor het welslagen van deze plannen gunstiger dan ooit te voren. Napoleon had in zijnen overmoed het gunstige oogenblik laten voorbijgaan, om door aanneming der voorwaarden, hem in de maand November uit Frankfort aangeboden, aan Frankrijk zijne zoogenaamde natuurlijke grenzen te verzekeren. De tijding van de bevrijding van Holland, uit een militair oogpunt van zoo groot gewicht voor de geallieerden, had het hare gedaan, om dezen berouw te doen gevoelen over de aanbieding dezer voor Napoleon zoo gunstige vredesvoorwaarden. De angst om het oude Frankrijk binnen te trekken, was geweken. Zooals bekend is, was dan ook in de laatste dagen van December 1813 het hoofdleger, het zoogenaamde leger van Bohemen, onder den opperbevelhebber Schwartzenberg, den Boven-Rijn overgetrokken, en was ditzelfde in de eerste dagen van Januari 1814 onder Blücher, door het zoogenaamde leger van Silezi? aan den Midden-Rijn geschied. Beide legers zouden, het eerste uit het oosten, het tweede uit het noorden, in de richting van Parijs optrekken.

Het ligt buiten mijn bestek, den veldtocht te schetsen, die in de eerste maanden van 1814 in Frankrijks velden, aan Seine en Marne, met afwisselend geluk gevoerd werd, of mij te verdiepen in den vruchteloozen afloop van het congres van Chatillon (3 Febr.–15 Maart 1814), waardoor Napoleon, had hij zich met Frankrijks oude grenzen tevreden willen stellen, nog den troon had kunnen behouden. Genoeg zij het, ons hier te herinneren, hoe, niettegenstaande het veldheersgenie van Napoleon, in dien veldtocht zoo schitterend geopenbaard, niettegenstaande de weinige eensgezindheid, die er heerschte in het kamp der geallieerden, hij ten slotte voor de overmacht moest bukken, hoe eindelijk den 30sten Maart 1814 Parijs werd ingenomen, en die inneming gevolgd werd door den val des Keizers en door het wederoptreden der Bourbons.

In die dagen van strijd en onderhandelingen werd de vraag beslist, die ons hier bezig houdt. Toen Lord Castlereagh Bazel bereikte, waren de Keizer van Oostenrijk en de Koning van Pruisen met hunne ministers Metternich en Hardenberg nog aldaar, terwijl Keizer Alexander, op dat oogenblik de invloedrijkste der souvereinen, zich reeds met Nesselrode op Frankrijks grondgebied bevond, waar hij eenige dagen later door Lord Castlereagh te Langres werd aangetroffen. De Engelsche minister maakte geen geheim van de bestaande plannen. Men schijnt in Engeland gevreesd te hebben, dat het voorgenomen huwelijk aanstoot zou verwekken; doch die vrees bleek ijdel te zijn, wellicht ook ten gevolge van de verzekering, dat er maatregelen zouden worden genomen, om de vereeniging der beide kronen op één hoofd te beletten366). Wat de uitbreiding van Holland betreft, bij nota van 27 Januari 1814367), aan de Ministers der drie geallieerde mogendheden door Lord Castlereagh ter hand gesteld, werd de wenschelijkheid daarvan aangewezen en tegelijk er op aangedrongen, dat de Souvereine Vorst zoude worden belast met het bestuur over Belgi?, althans over een gedeelte daarvan, en dat de heer van Spaen, die als gemachtigde van den Souvereinen Vorst in het hoofdkwartier aanwezig was, zoude worden opgenomen in de centrale commissie voor de administratie der op den vijand heroverde landen368).

Lord Castlereagh wenschte die zaak dadelijk in beginsel beslist te zien. Hij, die de bondgenooten, hangende het congres van Chatillon, wist te bewegen, door het tractaat den 1sten Maart 1814 te Chaumont gesloten, de handen nauwer ineen te slaan, en zich, voor het geval Frankrijk de vredesvoorwaarden weigerde, gedurende een tijdvak van twintig jaren ter handhaving van het Europeesch evenwicht te verbinden; hij maakte van diezelfde gelegenheid gebruik, om van de bondgenooten eene verklaring uit te lokken over de vereeniging van Holland met Belgi?. Oostenrijk had van den aanvang af geen bezwaar gezien in dit plan. Het bleef aan uitbreiding naar het zuiden boven het verwijderde Belgi? de voorkeur geven; het zag bovendien zelf in, dat het belang van Europa het bestaan van Belgi? als zelfstandige Staat onder een Oostenrijksch prins onmogelijk maakte. Ook Pruisen had tegen het beginsel der vereeniging geene bezwaren. Zijne bedenkingen betroffen alleen de vraag, of het nieuwe rijk zich nog verder zoude uitstrekken dan de Maas, daar Pruisen zelf waarschijnlijk het grondgebied tusschen Maas en Moezel zoude erlangen, en voor dat geval tevens aanspraak maakte op de landen tusschen den rechteroever van de Maas en den Rijn369). De grootste moeilijkheden kwamen echter van de zijde van Rusland. Dit rijk had indertijd door tusschenkomst van het huis Hope in Holland eene leening gesloten van ruim 88 millioen gulden, waarop nog slechts zeer weinig was afgelost. Ruslands financi?n waren in een berooiden toestand370). Reeds in 1812, nadat de vriendschapsbetrekkingen tusschen Engeland en Rusland weder hersteld waren, had Rusland een vruchtelooze poging bij Engeland gedaan, om door dit rijk die schuld te doen overnemen371). De Engelsche regeering was waarlijk nooit karig geweest in het verleenen van subsidi?n om zijne bondgenooten in staat te stellen oorlog te voeren: ook in het tractaat van Chaumont zoude Engeland daarvan weder de bewijzen geven; maar voor de overneming van eene bestaande schuld bestonden geene antecedenten. Toch kwam Ruslands minister Nesselrode bij deze gelegenheid er op terug en wilde aan zijne toestemming de voorwaarde verbinden, dat Engeland en Holland de schuld voor hunne rekening zouden nemen. Wat nu te doen? Het zou zijn eene vergoeding voor de opofferingen, door Rusland gedaan. Maar hadden Oostenrijk en Pruisen dan ook niet dezelfde aanspraak op dergelijke vergoeding? En wanneer ook al deze beide mogendheden er geen bezwaar in mochten zien, dat alleen Rusland geldelijke tegemoetkoming ontving, hoe dit voor het Parlement te verdedigen? Van de andere zijde wenschte Lord Castlereagh met den machtigen Keizer aller Russen op een goeden voet te blijven; vooral ook Ruslands geldelijk belang te verbinden aan de vereeniging van Belgi? met Holland. Hij voor zich zag er geen groot bezwaar in, dat althans van 2/3 der schuld Engeland en Holland de interest en jaarlijks eene zekere som voor amortisatie zouden betalen. Holland, voor hetwelk men die rijke gewesten zoude hebben veroverd, mocht ? der schuld wel overnemen. Toch deinsde Lord Castlereagh voor eene uitdrukkelijke verbintenis terug; Rusland moest vertrouwen stellen in de mildheid van de Engelsche regeering372). En zoo werd eindelijk ook door Rusland het stuk geteekend. Want bij gelegenheid van het verdrag van Chaumont is er ook eene schriftuur opgemaakt over die vereeniging. Lord Castlereagh zelf noemt het eene conventie373). Wat er in stond, is niet bekend. Uit hetgeen later is voorgevallen op het Congres van Weenen, blijkt echter, dat men aan Belgi? eene grootere uitbreiding wilde geven, dan later heeft plaats gevonden, ja dat Aken en Keulen er bij zouden worden gevoegd374). Zoo zoude dan de wensch van den Souvereinen Vorst worden vervuld. Kon Lord Clancarty reeds in Februari 1814 op grond van berichten van Castlereagh ontvangen, den Vorst mededeelen dat hij vrij zeker op Belgi? tot aan de Maas konde rekenen375), zoolang er echter geene uitdrukkelijke verbintenis was aangegaan, had de hoop nog kunnen worden verijdeld. Doch nu was de zaak zoo goed als zeker. En niet alleen Belgi? tot aan de Maas, maar zelfs een deel van het grondgebied aan den rechteroever der Maas zoude hem worden toegekend. Ook werd zijne vreugde niet vergald door het gevaar, dat hem wegens de Russische schuld boven het hoofd hing. De Engelsche minister begreep, dat de Souvereine Vorst daarvan vooreerst onkundig moest worden gelaten376). Op een ander punt echter werd de Souvereine Vorst teleurgesteld. Zijn gemachtigde werd wel toegelaten in de centrale commissie, maar het bestuur over Belgi? of een gedeelte er van werd hem nog niet toevertrouwd. De zaak was deze. Men had de tot het leger van Bernadotte, het zoogenaamde noorderleger, behoorende korpsen van Bülow en Wintzingerode, die over Holland en Belgi? de Fransche grenzen waren genaderd, in 't laatst van Februari 1814 onder het opperbevel van Blücher geplaatst, ten einde Napoleon, wiens kansen op dat oogenblik gunstig stonden, met te meer kracht te doen aantasten. Om Bernadotte hierdoor niet te ontstemmen, werd deze uitgenoodigd het oppercommando op zich te nemen van een groot leger in de Nederlanden. Het zou bestaan, behalve uit het overgebleven deel van het noorderleger, uit legercorpsen, door Engeland gevormd of gesubsidieerd, benevens uit Hollandsche corpsen377). Met dat aan den Kroonprins van Zweden in Belgi? toe te kennen militair gezag was, naar ik gis, bezwaarlijk te rijmen de opdracht van het bestuur aan den Souvereinen Vorst. Er moest dus op eene andere wijze voor het bestuur over Belgi? gezorgd worden. Dit noopt ons een blik te slaan op Belgi? zelf.

Wat was er met Belgi? gebeurd, sedert de geallieerden over den Rijn waren getrokken? Belgi? was niet opgestaan. Wanneer het dit ook al gewild had, zoude Belgi? er dan de kracht toe hebben bezeten? Terwijl ons vaderland op den aantocht der geallieerden langzamerhand van Fransche legerbenden ontbloot werd, bleef Belgi? geheel in de macht des Keizers. Belgi? werd dan ook in letterlijken zin door de geallieerden veroverd. Het waren de corpsen van het leger van het noorden, onder Wintzingerode, Bülow en den regeerenden Hertog van Saxen-Weimar, die deze taak vervulden. Den 8sten Februari 1814 werd Brussel bezet. Spoedig daarop was het grootste gedeelte van Belgi? niet meer in de handen van Frankrijk. Het bestuur werd geplaatst in handen van twee Commissarissen-Generaal der geallieerden, Graaf van Lottum en Delius, terwijl onder hen een Belg, de Hertog de Beaufort, tot Gouverneur-Generaal werd aangesteld378). De geallieerden traden echter oorspronkelijk als bevrijders en niet als overwinnaars op. En zoo laat het zich verklaren, dat de Belgen werden uitgenoodigd, hunne wenschen betrekkelijk de toekomst van hun land bekend te maken in het hoofdkwartier. Vijf en twintig aanzienlijke Belgen waren den 12den Februari 1814 opgeroepen eene deputatie te dien einde te verkiezen. De keuze viel op den Hertog van Beaufort, den Markies d'Assche en den Markies de Chasteler; zij zouden worden bijgestaan door den Pensionaris der Staten van Brabant vóór de Revolutie, de Jonghe379). Zij muntten, om de taal van de Engelsche diplomatie dier dagen te gebruiken, allen uit door de zuiverheid hunner staatkundige beginselen; dat is, zij waren voorstanders van het oude regime. De heeren trokken op naar het hoofdkwartier, om de vervulling van Belgi?'s wenschen te verkrijgen. Wat waren echter die wenschen? Zoodra-wat uit den aard der zaak het geval was-de vereeniging met Frankrijk wegviel, lag het voor de hand, dat, evenals ten onzent het huis van Oranje was teruggekeerd, de aandacht allereerst op het Oostenrijksche Keizershuis gevestigd werd. Niet het minst voorzeker was de terugkeer van dit huis het verlangen van de op dat oogenblik bovendrijvende richting, waartoe de deputatie behoorde380). Toen zij in het hoofdkwartier aankwam, was echter de zaak, waarvoor zij op reis was gegaan, reeds beslist; men kon haar mededeelen, dat Oostenrijk zelf Belgi? niet terug verlangde; men bracht haar onder het oog, dat het niet aanging, Belgi? als afzonderlijk rijk onder een Oostenrijksch prins op zich zelf te laten staan; men kon de deputatie zelve het besluit laten trekken, dat er dus niets anders overbleef dan de oplossing in een grooter geheel, en dat dit zoowel voor de zekerheid van Belgi? als voor het belang van Europa ge?ischt werd381). Ik durf niet beslissen, of men der deputatie uitdrukkelijk gezegd heeft, dat tot de vereeniging van al de Nederlandsche gewesten besloten was; toch was die heeren er op gewezen, dat het ten slotte daarop moest uitloopen. Om echter den overgang voor de Belgen te veraangenamen, begreep men, nu het oogenblik voor de optreding van den Souvereinen Vorst nog niet was aangebroken, het bestuur van Belgi? te moeten plaatsen in handen van een Gouverneur-Generaal, door den Keizer van Oostenrijk benoemd. Het bestuur over Belgi?, eerst in handen van de twee Commissarissen, van Lottum en Delius, was den 23sten Maart 1814 overgegaan op den Baron van Horst, tot Gouverneur-Generaal door de centrale commissie aangesteld382). Deze trad echter af den 5den Mei 1814, om plaats te maken voor den Baron de Vincent, Luitenant-Generaal in Oostenrijkschen dienst, door Keizer Frans reeds den 29sten Maart 1814 daarvoor aangewezen383). Mocht ook al Hogendorp bevreesd zijn, dat uit die benoeming in Belgi? de verkeerde gevolgtrekking kon worden gemaakt, dat Oostenrijk zich toch ten slotte weder met Belgi? zouden willen belasten, bij nader inzien moet men er eerder het tegenovergestelde uit afleiden. De Baron de Vincent gaf duidelijk te kennen, dat het niet het oude voor-revolutionair bestuur was, 't welk zijne plaats weder innam, maar dat de Keizer van Oostenrijk slechts uitvoering gaf aan een besluit, door de bondgenooten genomen, zoodat ook Belgi? zoude bestuurd blijven in den naam van de geallieerden. Er lag tevens eene vingerwijzing naar de vereeniging met Holland in de omstandigheid, dat niet alleen de bondgenooten elk een Commissaris benoemden bij den Gouverneur-Generaal, maar dat ditzelfde ook toegestaan werd aan den Souvereinen Vorst384). Eindelijk nog verdient het opmerking, dat de Baron de Vincent niet alleen het bestuur aanvaardde over Belgi?, maar ook over het daarmede in éénen adem genoemde land van Luik.

Dit was de toestand, toen twee maanden na de inneming van Parijs, den 30sten Mei 1814, het tractaat tusschen Frankrijk en de geallieerden gesloten werd. In art. 6 van het tractaat werd bevestigd, wat tusschen Engeland en zijne bondgenooten vroeger was overeengekomen. Holland, geplaatst onder de souvereiniteit van het huis van Oranje, zoude eene aanwinst van grondgebied erlangen. Met het oog op het voorgenomen huwelijk van den Erfprins met prinses Charlotte, werd tevens bepaald, dat de Souverein van Nederland geene vreemde kroon zoude mogen dragen. Antwerpen zou, volgens art. 15, voortaan alleen port de commerce zijn. Was dit alles? Was alles verder overgelaten aan de nadere regeling, te maken op het Congres, dat, volgens art. 32 van het tractaat, te Weenen zoude bijeenkomen? Geenszins. Men begreep zooveel mogelijk reeds dadelijk den omvang van het nieuwe rijk te moeten bepalen. De landen, gelegen tusschen de zee, de bij het tractaat bepaalde grenzen van Frankrijk en de Maas, zouden ten eeuwige dage met Holland vereenigd worden; alleen over hetgeen tusschen de Maas en den Rijn lag, zoude op het Congres nader worden beslist. Echter werd uitdrukkelijk gezegd, dat de grenzen op den rechter Maasoever geregeld zouden worden naar de militaire behoeften van Holland en zijne naburen, en dat de op Frankrijk heroverde landen op den linker Rijnoever zouden dienen tot vergrooting van Holland en tot compensatie voor Pruisen en andere Duitsche Staten. Men maakte echter bezwaar, dit alles op te nemen in het openbaar te maken tractaat. Daarvoor dienden de geheime artikelen (artt. 3 en 4). Ook de bepaling, dat de Schelde vrij zoude zijn, dat is: dat zij beheerscht zoude worden door het nieuwe recht der Revolutie betrekkelijk de gemeenschappelijke rivieren; ook deze bepaling vond in die geheime artikelen hare plaats. Zoo was dan de vereeniging van Belgi? en Holland opgenomen in het Europeesche recht.

De omvang van het nieuwe rijk bleef dus naar de oostzijde onbepaald. Hoever het rijk naar dien kant zoude reiken, werd eerst geregeld in het tractaat, den 31sten Mei 1815 te Weenen tusschen Nederland en de bondgenooten gesloten. Doch de nadere omschrijving van het grondgebied was niet het eenige, wat nog regeling vereischte. Onder welke voorwaarden zoude de vereeniging plaats vinden? De noordelijke en zuidelijke Nederlanden, in de 16e eeuw voor een kort tijdsbestek onder één scepter vereenigd, waren sedert ieder huns weegs gegaan. Zij mochten nog één naam dragen; was er echter anders tusschen beiden veel overeenkomst? Hier Noord-Nederland met zijn eigen taal en letterkunde, met zijn Protestantsch karakter, bovenal op den handel en scheepvaart als de hoofdbronnen zijner welvaart gericht. Ginds Belgi?, door taal en zeden aan Frankrijk verwant, Roomsch-Katholiek in zijn godsdienst, in landbouw en fabriekwezen zijn bestaan zoekende. En terwijl Noord-Nederland, onder den invloed van zijn rijk verleden, met eene zekere voornaamheid nederzag op Belgi?, dat nog geene rol op het tooneel der wereld had gespeeld, waren de herinneringen, die de handelspolitiek van het noorden, in 't bijzonder de sluiting der Schelde in Belgi? hadden achtergelaten, niet geschikt om die vereeniging met Holland, en dat nog wel onder een protestantsch Vorst, met ingenomenheid te beschouwen. En hoewel de tijd er niet naar was, om veel gewicht te hechten aan de wenschen der volken, zoo konden toch de machthebbenden de oogen niet sluiten voor de moeielijkheden, die deze vereeniging in den weg stonden, eene vereeniging, waarbij een grooter volk als aanhangsel aan een kleiner werd toegevoegd. De diplomatie brak zich er het hoofd mede. ?Laat", zoo schreef Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, den 16den Mei 1814385), ?laat de Souvereine Vorst eene commissie benoemen, b.v. van drie Hollanders en drie Belgen, om een project voor de vereeniging op te maken, hetwelk aan de goedkeuring van de Souvereinen kan worden onderworpen." Dit denkbeeld lachte echter onze staatslieden niet toe. Men duide hun dit niet ten kwade. Het was vooruit te zien, niet alleen dat langs dezen weg de zaak op de lange baan zoude worden geschoven, maar bovendien, dat wat de Belgen, vooral die van de bovendrijvende richting, wenschten, onmogelijk kon worden ingewilligd. Voor zoover hierover nog twijfel mocht hebben bestaan, de Nederlandsche regeering was door haren commissaris bij den baron de Vincent voldoende op de hoogte gebracht van de stemming in Belgi?. Die commissaris was G. A. G. P. baron van der Capellen. In 1778 uit een patriotsch geslacht geboren, zoon van een slachtoffer der gebeurtenissen van 1787, had hij posten bekleed onder de Bataafsche Republiek; als Landdrost van Oost-Friesland en vervolgens als Minister van Binnenlandsche Zaken in dienst van Koning Lodewijk gestaan, ja had hij dezen Vorst na zijnen val te Gratz bezocht, om eerst na de bevrijding in ons vaderland terug te keeren. Wij zien hem dadelijk optreden als Commissaris in het departement der Zuiderzee; kort daarop, na de invoering der Grondwet van 1814, als Secretaris van Staat voor Koophandel en Koloni?n. En dit alles niettegenstaande zijne antecedenten en die van zijn geslacht; niettegenstaande de Souvereine Vorst hem nooit gezien had; alleen door den invloed van Falck, die van der Capellen hoogschatte en vereerde386). Op dezen man, die bij de organisatie van Oost-Friesland de genegenheid der bevolking aldaar had weten te winnen, was voor deze moeilijke en kiesche zending de keus gevallen387). Wanneer men nu de briefwisseling door van der Capellen in Mei 1814 met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell tot Ampsen gevoerd, naleest388), dan springt het in 't oog, welke bezwaren het zoude inhebben, Belgi? te verzoenen met de vereeniging. Weg te nemen was de slechte indruk, verwekt doordat de Souverein gepoogd had, het Belgische gepeupel te zijnen gunste te stemmen, en eene beweging voor de vereeniging te doen ontstaan. Had dit hem in der tijd eene berisping van de Engelsche diplomatie berokkend, ook in Belgi? had dit eene zeer onaangename stemming teweeggebracht389). Maar dit was niet het voorname struikelblok, dat uit den weg geruimd moest worden. Men zoude de Belgen zeer gunstig stemmen, zeide Vincent, wanneer het niet werd de vereeniging van Belgi? met Holland, maar van Holland met Belgi?. Een verschil in woorden, naar van der Capellen meende; dat echter van gewicht was, omdat van de te kiezen uitdrukking afhing, welk van beide deelen de hoofdzaak, welke het toevoegsel zoude uitmaken. Het tractaat van Parijs besliste, door in art. 6 te spreken van aanwinst van grondgebied voor Holland, dit punt tegen den wensch der Belgen. Eveneens zoude de vraag van de opening der Schelde hare oplossing vinden in dit tractaat. Maar twee punten waren er bovenal, die de gemoederen in Belgi? verontrustten; de twee punten, die overal het meeste gewicht in de schaal leggen: het geld en de godsdienst. Terwijl Holland in de vereeniging zoude treden, beladen met een zwaren schuldenlast, was Belgi? zoo goed als daarvan bevrijd. Eene samensmelting der schulden, en dus gelijkheid van belastingen in noord en zuid, was een punt van groot bezwaar. Van nog grooter gewicht echter was het stuk van den godsdienst. Vooral op een oogenblik toen uit den aard der zaak de oude denkbeelden den boventoon voerden, denkbeelden die zelfs de goedkeuring hadden verworven van hen, die in naam der geallieerden Belgi? bestuurden. In den brief, den 7den Maart 1814 onder uitdrukkelijke goedkeuring van de commissarissen van Lottum en Delius aan de Belgische geestelijkheid gezonden, was met zooveel woorden verklaard, dat de verhouding tusschen den Staat en de Roomsch-Katholieke kerk zoude geregeld worden naar het kanonieke recht en de oude constitutioneele wetten van den lande390). De handhaving dezer beginselen was de wensch van allen, die onder den invloed der geestelijkheid stonden. Zoude men hierop kunnen rekenen onder een protestantsch Vorst, wien de Grondwet bovendien in art. 139 het recht had toegekend, toezicht op alle gezindten uit te oefenen? Men maakte zich hierover ongerust, en voorzeker niet ten onrechte. Indien er eenige waarheid is in het vroeger door mij gezegde, was het niet minder onmogelijk, in Belgi? de Roomsch-Katholieke kerk als Staatskerk te herstellen, dan in het noorden de Hervormde kerk. Althans zoo er van eene vereeniging tusschen beide landen sprake zoude zijn. Wat zoude bij dergelijke aanspraken het resultaat zijn van eene gemengde uit Belgen en Hollanders te benoemen commissie? Neen, laat ons gaan naar Parijs, zullen de Souvereine Vorst, zijne rechterhand Falck, en zijn beschermer Lord Clancarty tot elkander gezegd hebben; laat ons zien de geallieerden te bewegen, de voorwaarden der vereeniging zelfstandig vast te stellen buiten de Belgen om. En zoo werd even vóór de onderteekening van het tractaat van Parijs tot de reis naar die stad besloten391); daar werd men het voorloopig eens over de bekende acht artikelen, waaronder de vereeniging tot stand zou komen. De vereeniging zoude zijn ?entière et complète"; het zoude één Staat zijn, onderworpen aan de Hollandsche grondwet, die met onderling overleg zou worden gewijzigd (art. 1). Op het punt van den godsdienst echter werden de liberale beginselen onzer grondwet als onvatbaar voor wijziging verklaard (art. 2). Op het stuk der schuld werd eveneens de knoop doorgehakt; de eenheid zoude ook op dit punt gehuldigd worden (art. 6); eene oplossing, die onzerzijds ook verdedigd kon worden met te verwijzen naar de voordeelen, die Belgi? uit den handel en de scheepvaart op onze koloni?n zoude kunnen trekken (art. 5), met te wijzen op de kosten die het stichten van nieuwe en het onderhouden der oude vestingen op de grenzen van Belgi? zouden veroorzaken (art. 7). Er was echter één voornaam punt, dat men niet durfde te beslissen: ik bedoel het aandeel van beide deelen in de vertegenwoordiging. Uitgaande van het beginsel ?eener geheele en volledige vereeniging der beide landen" (art. 1) en van ?de constitutioneele gelijkstelling hunner bewoners" (art. 4), had men geen onderscheid moeten maken tusschen Belgen en Hollanders, waar het gold hun recht om vertegenwoordigers te kiezen. Toch deinsden onze staatslieden er voor terug, om aan Belgi?, in bevolking talrijker392), dus een grooter aandeel in de vertegenwoordiging toe te kennen. Men behielp zich met de uitdrukking, dat de Belgische provinci?n ?convenablement" zouden worden vertegenwoordigd in de Staten-Generaal (art. 3). Dit een en ander zoude de wet zijn, die aan de vereeniging door de Bondgenooten-zooals het heette-zoude worden opgelegd. Want mag men Falck gelooven, dan waren die acht artikelen het voortbrengsel zijner pen; was hij het, die ze de geallieerden deed aannemen393). Na dit werk volbracht te hebben, keerde de Souvereine Vorst, in hooge mate voldaan, uit Parijs terug; hij was echter, zeide Lord Clancarty394), als een jonge bruidegom, die vurig verlangt in het bezit te komen van zijne bruid. Zoude wellicht in Londen hiertoe de toestemming worden gegeven?

Immers niet alleen de souvereinen van Rusland en Pruisen, maar ook de eerste ministers der drie Oostersche mogendheden, Nesselrode, Metternich en Hardenberg, hadden, evenals Castlereagh, in 't begin van Juni Parijs verlaten, en waren naar Engeland overgestoken. Daar was de zaak der vereeniging het onderwerp van het bekende protocol van 21 Juni 1814395). Het bezwaar, dat in Maart 1814 waarschijnlijk in den weg had gestaan, om den Souvereinen Vorst het bestuur over Belgi? te geven, was weggenomen. Reeds vóór den vrede van Parijs, in 't laatst van April 1814, had het oppercommando van Bernadotte opgehouden en was hij met zijne Zweedsche troepen afgetrokken. Doch ook nu was Belgi? nog niet van zijne bevrijders bevrijd. De Pruisische troepen onder Bülow waren na Napoleon's val weder in Belgi? teruggekomen, en behandelden het, zonder zich om het gezag van Vincent te bekommeren, geheel en al als een veroverd land396). Nu echter ook dezen in de maand Juni waren weggetrokken, stond niets meer in den weg om het bestuur van den Oostenrijkschen Gouverneur-Generaal te doen overgaan op den Souvereinen Vorst. Hiertoe strekte het protocol van 21 Juni 1814. Bij dit protocol verklaarden de geallieerden, met het oog op de vestiging van het Europeesch evenwicht en krachtens hun recht van verovering, tot de vereeniging van Belgi? met Holland te besluiten. Zij hoopten tevens door eene volkomene samensmelting van Noord en Zuid het welzijn van beiden te bevorderen, en meenden het middel daartoe te vinden, door als grondslag te nemen de acht bovenvermelde voorwaarden. Dat zij van onze zijde waren in de pen gegeven, werd niet gezegd. Het protocol hield integendeel in dat zij waren ontworpen door Lord Clancarty en goedgekeurd door den Souvereinen Vorst. Zoodra nu deze zoude hebben voldaan aan de uitnoodiging om deze acht voorwaarden ook formeel te bekrachtigen, zoude hij een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen, die het bestuur over Belgi? uit handen van Vincent zouden kunnen overnemen. Lord Castlereagh, op wiens aandrang ook dit protocol tot stand kwam397), meende, met dit te doen, zich gedragen te hebben ?en bon Hollandais"398). Het was er echter ver van af, dat de Souvereine Vorst dit met hem eens was. Hij zoude wel in het bezit van Belgi? komen; hij zoude wel een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen; maar het bestuur zoude nog altijd uit naam der geallieerden worden gevoerd. Het optreden als Souverein, de vereeniging met Holland, moesten wachten op de ?arrangements", te maken op het Congres te Weenen. Ik gis, dat de reden van dit uitstel voor een deel gelegen was in de onmogelijkheid om nu reeds het grondgebied van het nieuwe rijk te omschrijven. Het stond vast, dat de Souvereine Vorst zoude heerschen tot den linkeroever der Maas; hoever het gebied zich aan de overzijde zoude uitstrekken, dit hing nog in de lucht. Terwijl Pruisen zelfs er bezwaren in vond, het gezag van den Souvereinen Vorst te erkennen over die landen op den rechteroever, welke vóór de Revolutie aan de Vereenigde Nederlanden hadden behoord, moest toch ook Lord Castlereagh, hoewel hij die bedenking niet deelde, inzien, dat de beschikking over al het andere in verband stond met de regeling der Europeesche aangelegenheden op het Congres van Weenen, en dat men tot zoolang zich tevreden moest stellen met het feitelijk bestuur. Behalve dit punt was er nog één, dat de definitieve afsluiting der zaak in den weg stond. Op het Congres van Weenen zoude volgens het protocol, onder bemiddeling van Engeland, onderhandeld worden over de vorderingen der geallieerden ten laste van Holland en Belgi?. Wat bedoelt men hiermede? vroeg de Souvereine Vorst. En zoo werd hij eindelijk tot zijne groote teleurstelling gewaar, dat Rusland van deze gelegenheid wenschte gebruik te maken, om althans voor een deel van zijne Hollandsche schuld bevrijd te worden399). Een en ander deden den Souverein aarzelen, tot dit protocol toe te treden. Doch uit den aard der zaak moest toch berusting het einde zijn; van 's Vorsten aanneming zeker, kon Lord Clancarty, bij nota van 20 Juli 1814400), het protocol officieel aan 's Vorsten Minister van Buitenlandsche Zaken aanbieden, waarop dan den volgenden dag de Acte volgde, waarbij die Minister, onder vermelding der acht voorwaarden, de Souvereiniteit over de Belgische provinci?n uit naam van zijnen meester aannam401). Tot die berusting heeft voorzeker nog eene andere omstandigheid het hare bijgedragen: terwijl de vereeniging met Belgi? te Londen een punt van bespreking uitmaakte, werd tevens tusschen Engeland en ons aldaar onderhandeld over de teruggaaf der koloni?n. Ook deze onderhandeling stuitte-zooals wij later hopen uiteen te zetten-bij den Souvereinen Vorst op bezwaren. Dit alles zette kwaad bloed bij de Engelsche regeering, zoodat wij gevaar liepen, dat ook de koloniale kwestie, in plaats van tusschen Engeland en ons beslist te worden, verwezen zou worden naar het Congres van Weenen. De Souvereine Vorst begreep ten slotte het bij zijnen machtigen beschermer niet te moeten verkerven.

Er verliepen slechts weinige dagen tusschen 21 Juli 1814 en de inbezitneming van Belgi? door den Souvereinen Vorst. Bij proclamatie, gedagteekend 31 Juli, nam de baron Vincent afscheid van de Belgen: de Souvereine Vorst trad op met eene in 't Hollandsch en Fransch gestelde publicatie, de dagteekening dragende van den volgenden dag. Beide stukken werden geplaatst in het Belgische Journal officiel402). In overleg met zijne raadslieden en volgens den wensch der Engelsche regeering, was de Vorst zelf naar Brussel getogen, om het bestuur te organiseeren. Deze organisatie volgde bij besluit van 14 Augustus 1814403). Wij missen bij die organisatie, zonder dat de reden daarvan bekend is, de benoeming van een Gouverneur-Generaal, zooals volgens het protocol van 21 Juni 1814 had moeten geschieden. De Souvereine Vorst behield het bestuur in zijne eigene handen, en liet het uitoefenen door ministerieele departementen, een Geheimen Raad en een Secretaris van Staat. Het zoude ons te ver leiden, zoo wij ons in dit alles wilden verdiepen: alleen zij opgemerkt, dat de betrekking van Secretaris van Staat werd opgedragen aan Capellen, die, zoo men een Hollander wilde, hiervoor op dat oogenblik de aangewezen persoon was, en die in den eersten tijd404) voor Belgi? bij den Souvereinen Vorst eene wellicht nog invloedrijker positie innam dan zijn vriend Falck ten opzichte van het Noorden.

Het was niet alles gekomen, zooals de Souvereine Vorst gewenscht en verwacht had. Hij moest zich nog geruimen tijd, tot in het voorjaar van 1815, dien voorloopigen toestand laten welgevallen, en zich er van spenen, om als Souverein over Belgi? op te treden en dit land met Holland te vereenigen. Ook op een ander punt werd hij teleurgesteld. In de maand Juni 1814 was het huwelijk tusschen Prinses Charlotte met onzen Erfprins afgesprongen405). Die teleurstelling was echter te boven te komen, mits het voor Engeland slechts geene reden werd, zich minder voor ons in de bres te stellen dan het dit tot dusver gedaan had. Hiervoor nu scheen vooreerst geen gevaar te bestaan. De Souvereine Vorst kon zich blijven vleien met de hoop, dat op het Congres van Weenen al zijne wenschen zouden worden vervuld; dat hij zijnen oudsten zoon niet alleen de regeering zoude kunnen nalaten over een aanzienlijk rijk, maar dat ook voor den tweeden zoon als regent over de Nassausche erflanden een positie zoude zijn geschapen406). En ééne zaak was op dat oogenblik reeds zoo goed als zeker. Wat schreef de gezant Hendrik Fagel den 29sten Juli 1814 aan zijnen meester? Dat de Prins-Regent nu voor het eerst hem gezegd had, hoe de vereeniging met Belgi? de aanneming van den koningstitel noodzakelijk maakte, en dat de titel van Koning der Nederlanden daarvoor de meest eigenaardige was, terwijl de erfgenaam der kroon Prins van Oranje zoude kunnen genoemd worden407). De luister van het koningschap zoude dus afstralen op den Souvereinen Vorst en zijn geslacht. Er was dus veel, dat den Souvereinen Vorst tot tevredenheid en dankbaarheid moest stemmen, hem met vertrouwen de toekomst moest doen tegemoet zien. En de vraag die ons, met de uitkomsten der latere jaren bekend, op de lippen komt, zal hem niet hebben verontrust; de vraag: zoude die koningskroon ook eene doornenkroon blijken te zijn?

* * *

Nassausche erflanden (hiervóór, bl. 195). Zij werden in December 1813 door H. von Gagern voor den Vorst in bezit genomen; zie Schliephake-Menzel, Geschichte von Nassau VII, 762. De Prins had reeds in 1813 aan Hardenberg en Metternich verzocht, dat hij bij het herstel der zaken in Duitschland wederom als hoofd van het gansche huis Nassau zou worden erkend.408) Hoezeer hij ook op die waardigheid gesteld was, hij is niet vreemd geweest aan het denkbeeld, de Nassausche erflanden tegen ander gebied te ruilen. Wij hebben gezien409), dat hij het geheele gebied tusschen Maas, Moezel en Rijn hoopte te verkrijgen. In dat geval gaf de verwerving van een gebied op den rechter Rijnoever, doch meer stroomafwaarts gelegen, veel beter afronding dan het bezit der Nassausche erflanden. Kon hij dus het hertogdom Berg verkrijgen, hij zou van Nassau afstand hebben willen doen.410) Daar echter bleek dat Pruisen dit gebied voor zich verlangde, hield hij later weer te krampachtiger aan Nassau vast, ook om een brug te hebben voor het verkeer met de landen waaruit hij Duitsche huurtroepen voor Nederland hoopte te trekken, en was zeer ontsticht toen zijn erflanden hem toch nog ontgingen. Pruisen, dat er te Weenen de beschikking over kreeg, behield Siegen, maar stond Dillenburg, Dietz en Hadamar aan Nassau-Weilburg af, in ruil voor de door dat huis bezeten landen tusschen Lahn en Sieg.

* * *

De vereeniging te Amsterdam impopulair (hiervóór, bl. 197). Zie het stuk van den Amsterdammer R?ell in Ontstaan II, 5, doch tevens zijne aanteekening aldaar, bl. LXXXV, waar hij erkennen moet, ?dat dezelve in de toenmalige Vereenigde Nederlanden over het algemeen geene afkeuring vond. Het innemend denkbeeld eener vergrooting van grondgebied en eener gelijke draging der publieke schuld konde niet missen de gemoederen der menigte weg te sleepen."-?De Hollanders", schrijft Falck, ?konden den Souverein hunner keuze niet anders dan gaarne zien klimmen in aanzien en waardigheid. Hoe meer invloed en magt hem verschaft werd naar buiten, hoe grooter bescherming zij verwachten mogten voor hunne veelzijdige belangen."411)

* * *

Memorie van van Hogendorp (hiervóór, bl. 197). Deze was meer een algemeen stuk dat gezonden werd omdat het sedert 1812 gereed lag en de steller er zooals begrijpelijk was groote waarde aan hechtte. Bijzonder actueel was zij niet, immers het overleg met de Engelsche regeering over de zaken, daarin behandeld, was door den Prins vóór zijn vertrek uit Londen reeds met Castlereagh geopend. Het werkelijke ?richtsnoer" voor de voortzetting van dat overleg was niet het stuk van van Hogendorp, maar een memorandum van 26 Dec. geheel door den Vorst gesteld en aan Fagel ter overlegging aan Castlereagh toegezonden: ?La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire."412)

Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door zijn zendelingen Belgi? mocht doen bewerken413). De Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden gehoord. Den 26sten December had de ministerraad plaats, waar Castlereagh's instructie voor zijne reis naar het vasteland werd vastgesteld. Men bepaalde, dat hij voor Holland zou vragen een barrière voor het minst omvattende Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een ?behoorlijke" uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden, maar ?daarvoor" Holland 2 millioen sterling zou bieden om die barrière te versterken; dat men onderzoeken zou of Oostenrijk oogmerken had op de rest van Belgi?; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van Belgi? af moest houden414). Castlereagh nam zijn weg over den Haag, waar de Vorst hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte. Er kwamen uit Belgi?, meende de Vorst, reeds gunstige stemmen; zelfs waren twee Gentenaars, de ?propriétaire" Huyttens en de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en het midden houden tusschen de uiterste clericale factie en de verklaarde Franschgezinden415). Castlereagh liet den Vorst beloven dat hij zijn administratie vooralsnog tot het grondgebied der oude Republiek zou beperken, en lichtte hem in van het voornemen omtrent de Kaap, zonder nog eenige som te noemen.416)

Toen de Britsche minister bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek onmiddellijk dat Oostenrijk aan Veneti? boven Belgi? de voorkeur gaf, en ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel. In deze omstandigheden had Castlereagh geen bezwaar geheel Belgi? tot de Maas aan Holland te hechten, maar nu Oostenrijk zich terugtrok wenschte hij voor het minst de andere groote militaire Duitsche mogendheid, Pruisen, nevens het vergroote Holland in eerste linie tegen Frankrijk te stellen. Derhalve wenschte hij Pruisen zoo ver mogelijk zuidwaarts uit te breiden op den linker Rijnoever, en aan deze macht de beide vestingen Luxemburg en Mainz toe te vertrouwen, waartegen het dan lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland kon laten, welks nieuwe grens dan zou samenvallen met de grens van Belgi? tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen, om vervolgens den Rijn te volgen tot de oude grenzen der Republiek417). ?I should not wish to say that this projet was actually countenanced, but it did not seem to alarm.... I was induced to throw out the idea of thus bringing forward Prussia, as I recollect it was a favorite scheme of Mr. Pitt. By this arrangement Holland would not be enclavé in Prussia, but stand in joint frontier with her against France. I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories (tot aan de Moezel)".418)

Den 27sten Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst van dit hem door Engeland toegedachte gebied, voor zoover het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht, en of zijn gezant van Spaen in de centrale commissie tot het bestuur der op Frankrijk heroverde landen kon worden toegelaten; hij stelde deze vraag ?referring to the earnest desire expressed on the part of his court that Holland may receive on the side of the Low Countries at a general peace a suitable accession to its military frontier and territorial resources."419) Oostenrijk maakte geen bezwaar;420) Pruisen bewilligde, na eenig dralen, alleen in de toelating van van Spaen;421) Rusland antwoordde niet. Desniettemin had Castlereagh, onmiddellijk na het ontvangen van Oostenrijks toestemmend antwoord en in de verwachting, door gesprekken met Hardenberg en Nesselrode opgewekt, dat Pruisen en Rusland spoedig volgen zouden, reeds verlof gegeven dat de Souvereine Vorst aanving, Belgi? tot de Maas ?op een bedaarde manier" in zijn voordeel te bewerken.422)

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, Hugo van Zuylen van Nyevelt, was in het gevolg der troepen van Bülow de grens overgegaan, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde blaadjes, op twee kolommen in het Hollandsch en Fransch gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangezet om zich vervolgens met het Noorden te vereenigen.423) Een sedert eenige jaren te Brussel wonend Hollander, A. graaf van Bylandt-Palstercamp, schreef een brochure van dezelfde strekking.424) Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den 8sten Februari Brussel binnentrokken, waren de hertog van Clarence en prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hunne zijde. De stad onthaalde de bevrijders in den schouwburg; een der loges was versierd voor de generaals. Toen na een oogenblik Bülow en de hertog van Weimar vertrokken waren, verschenen de hertog van Clarence en prins Frederik; het orkest speelde ?God save the King". De hertog van Clarence dook in de loge terug, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het zoo niet bedoeld, en had er vrij wat op te zeggen.425) Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in Belgi? nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen die den Vorst haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden.426)

Intusschen vervloog het geheele voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst in rook. Onmiddellijk toen Bülow en de hertog van Weimar te Brussel kwamen richtten zij er een voorloopig bestuur in427) waarbij eerlang namens de centrale commissie twee Pruisen als commissarissen optraden: von Lottum en Delius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was.428) De Belgen konden hieronder kwalijk anders verstaan, dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren. Hoe zouden Bülow en de hertog van Weimar ook van de vereeniging met Holland hebben kunnen spreken? Zij hadden nog niet de minste orders daaromtrent uit het hoofdkwartier.

Castlereagh begreep, dat nu de Pruisen te Brussel waren, het zaak werd door te tasten. In het begin van Februari had hij de uitgebreidste verzekeringen gegeven van Engelands bereidwilligheid tot teruggave van koloni?n, indien Engelands oogmerken op het vasteland konden worden bereikt. De Deensche koloni?n zou Denemarken terugbekomen om het te doen berusten in het verlies van Noorwegen; tot verdere belooning van Zweden voor zijn hulp in Duitschland werd het Fransche eiland Guadeloupe bestemd. De Hollandsche koloni?n behalve de Kaap kwamen aan Holland terug, ?provided Holland could be rendered so effectually independent of France as to make it clear that we were strengthening an ally, and not an enemy". Tot beter verzekering van dit doel zal Engeland twee millioen pond sterling geven voor den opbouw van een nieuw frontier tegen Frankrijk. De grens van Holland wordt thans voorgesteld geheel zooals Castlereagh zich die 22 Jan. reeds had gedacht: Noordzee–Givet–loop der Maas tot Maastricht–Keulen–loop van den Rijn; de toewijzing van wat er tusschen Maas, Rijn en Moezel overblijft bezuiden de lijn Maastricht–Keulen zal nader zijn te bepalen. Aan Frankrijk, indien het bewilligt in den door de bondgenooten te stellen eisch van terugkeer binnen zijn oude grenzen, alle veroverde eilanden terug behalve Guadeloupe, dat aan Zweden is toegezegd, en Mauritius en Bourbon, die Engeland behouden wil om dezelfde reden waarom het de Kaap behoudt: de verzekering van zijn bezit in Indi?429).

Als 15 Februari de bondgenooten zich nog niet op dit alles verklaard hebben, en onderwijl met Napoleon onderhandeld wordt te Chatillon, zoodat het gevaar ontstaat van een vrede met Frankrijk eer Engeland zelf een vast accoord heeft met de vastelandsmogendheden, wordt Castlereagh dringend: ?it is not reasonable that His Britannic Majesty should be called upon to make extensive sacrifices of his conquests to France for the general security of Europe, without being at least assured as to those arrangements on the continent which most concern the interests of Great Britain". Hij legt dus de bondgenooten vier artikelen voor, waarvan er twee voor ons van belang zijn:

?1st. That the Belgian Provinces as far as the Meuse, as comprehended between the ancient frontier of France and that river, together with the country in advance of that river, bounded by a line to be drawn from the said river at Maestricht by Aix-la-Chapelle and Duren to Cologne on the Rhine, shall be ceded to the Prince of Orange as Sovereign of the United Netherlands, to be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.

2d. That the other territories on the left bank of the Rhine, if not annexed in whole or in part to Holland, shall be disposed of with a due regard to the military security and protection of that State and the North of Germany; and no arrangement of this sort can be made without the full consent of His Britannic Majesty".430)

Oostenrijk verklaarde zich onmiddellijk bereid deze artikelen aan te nemen431); Pruisen ook, doch met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn Keulen–Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn432). Rusland wilde, vóór het zich tot teekening verbond, door Castlereagh den eisch zien ingewilligd omtrent de Russische schuld; het stelde dien eisch thans in dezen vorm, dat Engeland en Holland gezamenlijk die schuld voor hun rekening zouden nemen433). De Britsche minister wilde er eerst weinig van hooren: ?why pay Russia, rather than Austria or Prussia? It comes, as a condition, with the worse grace, after our gratuitous cessions to Denmark to fulfil a Russian engagement".434) Doch Rusland teekende niets, eer het in het bezit was van een mondelinge toezegging van Castlereagh aan den Tsaar, dat de zaak zou worden aanbevolen in de welwillende overweging van het Britsche gouvernement, en men had Ruslands onderteekening noodig, niet slechts voor de conventie, maar voor de groote alliantie van Chaumont (1 Maart 1814) waarbij Rusland, Oostenrijk en Pruisen, voor het geval Napoleon de hem te Chatillon gestelde voorwaarden verwierp, zich verbonden aan den tegen Frankrijk voort te zetten oorlog ieder met 150,000 man deel te nemen, tegen het genot van Engelsche subsidi?n. De vier mogendheden beloofden elkander, ook na den vrede verbonden te blijven en een genoegzame krijgsmacht op de been te houden tot bevestiging der nieuwe Europeesche orde. Die orde zelf wordt nog slechts in hoofdtrekken geschetst: ?l'Allemagne composée de princes souverains unis par un lien fédéral.........; la fédération suisse placée sous la garantie des grandes puissances......; l'Italie partagée en Etats indépendans......; l'Espagne dans ses anciennes limites......; la Hollande, état libre et indépendant, sous la souveraineté du Prince d'Orange, avec un accroissement de territoire et l'établissement d'une frontière convenable"435). Tegelijk nu met dit tractaat zijn de artikelen van Troyes ook door Rusland aangenomen, en hierop wisselden, ingevolge de mondelinge afspraak met Alexander, Nesselrode en Castlereagh 6 Maart stukken van den volgenden inhoud: Rusland verstaat zijne onderteekening alzoo, ?que lorsque les arrangemens projetés a l'égard des limites de la Hollande auront re?us leur exécution et auront été cimentés par la paix, le Prince d'Orange, Souverain de la Hollande, se chargera de la dette de la Russie dans ce pays"; Engeland is vrij, ?en considération des avantages essentiels que l'agrandissement de la Hollande lui procure", Holland van een voeglijk deel van dat bezwaar te ontlasten, door het zelf op zich te nemen. ?Parmi tant de puissances rendues à la vie politique", heet het ter motiveering, ?non seulement la Hollande est celle dont l'indépendance avait été le plus complètement abolie, et qui pouvait le moins se flatter de la recouvrer un jour, mais elle va voir encore par les arrangemens que la s?reté de l'Europe a fait juger nécessaires, son territoire et sa population s'agrandir presque de moitié. S. M. Impériale ne regrette point les sacrifices prodigieux qui ont amené d'aussi heureux résultats, mais elle doit à ses peuples de leur en alléger le fardeau par tous les moyens auxquels Elle peut recourir avec justice".436) In antwoord verzekert Castlereagh, dat hij voor het ontvangen stuk bij privaat schrijven de welwillende aandacht verzoekt van zijn regeering.437) ?You will observe", schrijft hij aan Lord Liverpool, ?that the request is wholly founded upon the previous successful execution of our views for uniting Brabant with Holland. I certainly consider the advantage by no means unimportant of giving Russia a direct interest in the execution of our views.... The demand in itself appears to me much more one of policy than of justice". Verder heeft hij van den Tsaar meenen te verstaan dat Rusland desnoods genoegen zou nemen met een schikking waarbij Rusland, Engeland en Holland ieder één derde van den last zouden dragen438).

De Engelsche regeering wist nu tot welken prijs de eindelijke bewilliging van Rusland in de vereeniging van Holland en Belgi? alleen was te verkrijgen. Zij moest zich wel executeeren, maar stelde Rusland natuurlijk niet tevreden vóór die vereeniging, met Ruslands medewerking, inderdaad tot stand was gebracht. Als de mogendheden, waaronder Rusland, bij protocol van 21 Juni 1814, de vereeniging eindelijk uitspreken, wordt van de zaak nog geen verder gewag gemaakt dan in de vage slotwoorden: ?Les demandes des puissances à la charge de la Hollande et de la Belgique seront l'objet d'une transaction particulière avec le Prince d'Orange, à laquelle l'Angleterre prêtera sa médiation. La négociation pour cet objet aura lieu à Vienne".439) Den 11den Juli geeft daarop Castlereagh aan Nesselrode te kennen, dat te Weenen enkel onderhandeld kan worden op de basis eener verdeeling van de schuld in drie gelijke deelen, waarvan één voor Rusland blijft; en hier moet tegenover staan ?that the commercial system of Russia towards Great Britain should be previously placed upon a different and more friendly footing than has latterly prevailed".440) Eerst 19 Mei 1815 is eindelijk het verdrag geteekend, waarbij Engeland en Nederland elk de betaling der rente van 25 millioen gulden Russische schuld op zich nemen; dus minder dan één derde deel ieder; de vergrooting van Holland had ook niet zulk een omvang gekregen, als Engeland zich te Troyes had voorgesteld. De betalingen zullen ophouden wanneer de Koning der Nederlanden de Belgische provinci?n zou mogen verliezen.441)

Moest dus Rusland met geld worden tevreden gesteld, ook Pruisen had een voorbehoud gemaakt. Wat het daarmede bedoelde, zette Hardenberg 29 April 1814 in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst alle oude Pruisische bezittingen, ook die op den linker Rijnoever, terug; voorts het geheele koninkrijk Saksen; en eindelijk wilde hij den ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken; beide oevers moesten tot den Pruisischen staat behooren. Hiertoe was noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Dillenburg er één was) hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden worden schadeloos gesteld op den rechter Maasoever tusschen Aken en Spa; Nassau-Dillenburg vond zijn schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts halvemanen komen om de vestingen Venlo en Roermond heen, en tegenover Maastricht en Luik; voorts (afgezonderd) Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om deze laatste vesting te kunnen insluiten moest het Hollandsche gebied in een langen, smallen tong worden uitgerekt langs den geheelen loop der Fransche grens tusschen Maas en Moezel442). Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het de beide Rijnoevers tot de oude grens van Nederland toe.

Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd onder een anderen commissaris gesteld, maar niet onder den zijnen. In het hoofdkwartier te Chaumont waren de Belgische aanzienlijken verschenen, om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn.443) Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze Belgi? onder zijn hoede nemen zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een Oostenrijksch prins. De Keizer nam alle hoop weg, zoowel op het een als op het ander, en men gaf aan de deputatie te verstaan, dat de toekomstige vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was.444) Om de Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd beloofd dat de Pruisische commissarissen door een Oostenrijkschen zouden worden vervangen; tevens gaf men hun schriftelijk de verzekering dat door de bondgenooten op hunne belangen zou worden gelet, wat betreft godsdienst, handel, schuldenlast en vertegenwoordiging.445) Den nieuwen commissaris Vincent, Belg van geboorte, werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden.446)

Een gevoel van onbehagen maakte zich van de Belgen meester. Wat hun het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een overwegend burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het minst tegen de vereeniging opzagen waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten, ?acquéreurs de biens nationaux", zooals de heeren Huyttens en Bauwens. Maar hun vrijheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. Over de hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Hadden wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de algemeene raad van het departement van de Dijle, om ons armen te beschermen!447) En onderwijl drongen geruchten door omtrent een aanstaande verdeeling van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij de Maas tot grens te nemen, dan werden oud-Luik en oud-Namen in twee?n gereten, waardoor tal van belangen werden geschaad.

Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen; zij konden den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan het te Weenen te vergaderen Europeesch congres. De geheime artikelen van het vredestractaat (30 Mei) bepalen ten aanzien der Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met Belgi? tot de Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld ?naar vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen"; dat de Schelde geopend zal zijn; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert 1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan Pruisen en aan andere Duitsche staten448). De kwestie tusschen Holland en Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinci?n Luxemburg, Namen en Luik ongedeeld zou laten. Ook van voorwaarden ter verzekering van de Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont beloofd, was in het tractaat niets te vinden.

De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop 20 Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelf afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn commissaris bij het voorloopig bestuur te Brussel, van der Capellen, waren opgegeven449). Men had daar, behalve van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche grondwet, die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheid van alle ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de Vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de Hollandsche koloni?n; amalgama van schulden. De beide helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk getal.450) De Vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel doorbrengen, en de Staten-Generaal zouden afwisselend bijeenkomen in een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden.451) De vereeniging zal dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zal voor het geheele rijk gelden, ?modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles circonstances".

Het oorspronkelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was 16 Mei door Castlereagh naar den Haag afgezonden452). De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel bezwaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was getrokken om het te verhinderen453). De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben het resultaat van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit ?ja" zou kunnen trekken kwam niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk ?neen" zou toebrengen aan eene zaak waartoe de bondgenooten toch reeds waren besloten. ?Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et d'apprendre que le soin d'assurer leur sort et de hater la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au nouveau Souverain dont ils savent bien que les intentions et le caractère454) seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs compatriotes"455).

Noch de Noordnederlandsche souverein, noch het Noordnederlandsche volk, dat tot dit alles, in de personen van Falck, van Nagell, van Hogendorp, zijne medewerking verleende, hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren hunne bezwaren, ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat beteekende het, hun te verzekeren, dat de Katholieken tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?456) Een dergelijke verzekering, gegeven aan een natie voor 99% uit Katholieken bestaande, was alleen al een beleediging aan het gezond verstand. Met het opperen van hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet bedoeld te vragen, of Katholieken in Belgi? wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou die verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de toewijzing van het gebied tusschen Maas, Rijn en Moezel bleek een der moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van Belgi? af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen Vorst457). Deze aanvaardde het den 1sten Augustus met een niet ongeschikte proclamatie, door Falck gesteld, waarin getracht was elk wat wils te geven. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck niet doorzien. Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden: ?La Hollande recevra un accroissement de territoire", wordt in deze proclamatie, zooals indertijd Vincent aangeraden had458), ?l'agrandissement de la Belgique" genoemd. Werd Holland uitgebreid, of Belgi?? In den gedachtengang van hen die de zaak uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Een fraaie ?vergrooting van Belgi?" inderdaad waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis, ?te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen"!459) De vergrooting was door Belgi? bedacht noch goedgekeurd; zij werd ondergaan.

De grenzen van het nieuwe koninkrijk zijn pas bij tractaat van 31 Mei 1815 bepaald. Willem I verkreeg daarbij verreweg het grootste gedeelte der over de Maas gelegen oud-Namensche, oud-Luiksche en oud-Limburgsche landen460); voorts van Sittard tot Mook de smalle strook, die Pruisen verhindert tot aan de Maas te reiken. Onder bijzondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De verknipping van Belgi? was dus voorkomen, maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt gezien aan Pruisen de grootste helft van Saksen te onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens begeerte naar de Rijnlanden in grooter mate toegegeven dan de conventie van Troyes had kunnen doen verwachten. In het oorspronkelijk plan om aan den Souvereinen Vorst den linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener ?uitbreiding van Holland" duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling, die geheel op eene vereeniging van Holland en Belgi? nederkwam.

* * *

Met het vaste voornemen (hiervóór, bl. 198).-Dit leerden wij hierboven, bl. 221, anders.

* * *

Wat er in stond, is niet bekend (hiervóór, bl. 203).-Zie thans hierboven, bl. 226.

* * *

De wensch van den Souvereinen Vorst (hiervóór bl. 203).-Die ging nog aanmerkelijk verder dan de conventie van Troyes; zie hierboven, bl. 220.

* * *

De zaak was deze (hiervóór, bl. 204).-Wat dan volgt is onjuist. De uitnoodiging aan Bernadotte is van 27 Februari; toen was reeds door de feiten beslist dat Castlereagh's verzoek van 27 Januari, den Souvereinen Vorst met het voorloopig bestuur over Belgi? te belasten, geen gevolg zou hebben. Dat verzoek was gedaan eer men Belgi? bezat; vóór er op beschikt kon worden was Belgi? door de Pruisen veroverd en het door hun generaals ingestelde voorloopig bestuur was reeds door de centrale commissie onder Pruisische commissarissen gesteld (zie hierboven, bl. 224). De centrale commissie was evenzeer door de gebeurtenissen verrast als de verschillende mogendheden zelve. Stein's oorspronkelijk plan (in Januari) was geweest, dat de Souvereine Vorst het bestuur zou voeren over de beide Vlaanderens en Antwerpen, Pruisen over Zuid-Brabant en de rest461). Toen in Maart bleek dat het bestuur van Lottum en Delius in Belgi? weinig populair was, verklaarde Stein zich bereid den Souvereinen Vorst het bestuur over geheel Belgi? tot de Maas te laten, op voorwaarde dat een gedeelte der landsinkomsten aan Pruisen werd uitgekeerd462); dit is juist tijdens Bernadotte's militair commando, dat geheel tijdelijk is en met de bestuurszaak niets te maken heeft. Sedert 27 Jan. echter was gebleken welke voorwaarden Rusland en Pruisen aan de goedkeuring der ?uitbreiding van Holland" verbonden. Dat de aanspraken van den Souvereinen Vorst voor een zoo groot deel met die van Pruisen bleken te concurreeren maakte het onraadzaam 't zij Pruisen 't zij den Vorst in Belgi? te veel de vrije hand te laten, of door 's Vorsten bestuur over het nog vol Pruisische troepen gebleven land de mogelijkheid te openen van dagelijksche conflicten. Bovendien wilde men, zooals in Juni gebleken is, den Souvereinen Vorst zelfs niet voorloopig in Belgi? plaatsen voor hij zich geschikt zou hebben in de overname der Russische schuld; eene zaak die Castlereagh hem thans niet voorleggen kon daar zij nog in onderzoek was bij de regeering te Londen. In deze omstandigheden was het gouvernement van een Oostenrijker een tijdelijk noodbehelp waarmede ieder zich vereenigen kon, en waarmede men tevens de Belgen in een betere stemming kon terugbrengen dan het bewind der Pruisische commissarissen bij hen had opgewekt. Ziehier de werkelijke redenen waarom de Vorst eerst zoo laat in Belgi? is toegelaten.

* * *

Ik durf niet beslissen (hiervóór, bl. 206).-Mondeling heeft men het wèl gezegd. ?The Emperor", schrijft Castlereagh den 13den aan Clancarty, ?has told them plainly that he cannot take them back, and that an Archduke would be no motive with him to risk a war for their sakes; he therefore advised them to look to an incorporation with Holland upon a fair understanding to be guaranteed to them as to religion, commerce, debt, etc".463) In het schriftelijk stuk daarentegen van den 14den staat over Holland geen woord, en de Belgen bleven hopen tegen hope.464)

* * *

Lang tijdsverloop (hiervóór, bl. 206).-De volte van zaken was aan het hoofdkwartier zóó enorm dat, gelijk herhaaldelijk blijkt, aan velerlei beslissingen eerst uitvoering gegeven werd wanneer de omstandigheden onderwijl al weder veranderd waren. Het besluit om een Oostenrijkschen commissaris te zenden is van den 14den Maart; de opdracht van Metternich aan Vincent is pas van 29 Maart465); intusschen was Horst, een tweede en slechter uitgaaf van Lottum en Delius, al in functie. Vincent bevond zich te Luik en schrijft 7 April nog van die plaats466); toen hij zich kort daarna te Brussel vertoonde maakte Horst gebruik van een of andere onregelmatigheid in de papieren om de overgave van het bestuur te weigeren. Dientengevolge moest de zaak voor de tweede maal voor de mogendheden komen, en eerst 1 Mei kan Metternich aan Vincent schrijven dat er stellig bevel aan Horst is gezonden tot onmiddellijke bestuursoverdracht467).

* * *

Te Gratz bezocht (hiervóór, bl. 210).-Capellen bleef, als alle Hollandsche ministers, tot 31 Dec. 1810 in functie; daarna weigerde hij een plaats in het Wetgevend Lichaam te Parijs468) en ging te Maarsen ?vegeteeren", zooals Lebrun het uitdrukt469). In den zomer van 1811 gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van den graaf van Saint-Leu om dezen te Gratz te bezoeken, bleef er nagenoeg een jaar, en corrigeerde er, tot zijn verdriet, de proeven van Lodewijks zouteloozen roman Marie ou les Peines de l'Amour. Toen hij naar huis begon te verlangen verdacht de ex-koning hem dat hij toch zijn hof zou gaan maken bij de Franschen, zoodat de vrienden in onmin scheidden. Het tweede halfjaar van 1812 en het grootste gedeelte van 1813 verbleef Capellen weer te Maarsen, maar toen hij bemerkte door de politie op last van de Celles te worden gesurveilleerd, nam hij het besluit het land voorgoed vaarwel te zeggen en ging met zijne vrouw te Mannheim wonen (Sept. 1813)470). Op het bericht der omwenteling keerde hij naar Holland terug, waar hij midden December aankwam.

* * *

Alleen door den invloed van Falck (hiervóór, bl. 210).-Neen, ook van Capellens zwager van der Duyn471).

* * *

Eene gemengde commissie (hiervóór, bl. 212).-Daarvan spreekt inderdaad Castlereagh in zijn brief van 16 Mei: ?a commission to prepare for the approbation of the Sovereigns a project472) for the reunion of the Belgic Provinces with Holland; this commission may be assembled according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly three of each might be sufficient".-Clancarty daarentegen in zijn stuk van den 25sten zegt: ?Si ces principes [de door hem uit van Nagell's stuk getrokken, bekende principes van den Vorst] paraissent fondés, on pense qu'il serait convenable de transmettre au gouverneur général de la Belgique [Vincent] les articles qui en résultent, et dont la rédaction ne peut pas avoir de grandes difficultés. Le gouverneur devra les communiquer à ceux des notables de ce pays473) qu'il trouvera bon de choisir, et dans la vue d'obtenir leur adhésion qui, dans l'opinion du gouverneur général lui-même, n'est pas douteuse". Het is tegen dezen voorslag dat de Vorst bij zijn hiervóór, bl. 233 aangehaalde woorden van 30 Mei opkomt.

De dépêche van Vincent aan Metternich, waarop Clancarty zijne verzekering grondt dat de aanneming in Belgi? volgens Vincent zelven niet twijfelachtig is, indien hij maar de notabelen mag kiezen, geeft inderdaad tot die verzekering geen recht; eer het tegendeel. Vincent toch schrijft letterlijk het volgende (21 Mei): ?J'avouerai à V. A. qu'il m'e?t paru préférable qui la réunion f?t prononcée et définie par les plénipotentiaires des alliés plut?t que préparée par le concours des deux nations. Vingt-cinq années d'exagération et de fausse direction dans les esprits ont remué trop de passions pour qu'il ne soit pas plus facile de commander d'en haut l'accord des volontés que de le faire sortir de tout concours de représentans. En partant de cette persuasion je regarderais du moins comme un devoir de hater cette mesure transitoire, en désignant (s'il en est question) tout de suite et directement les personnes, pour ne pas s'exposer à des inconvéniens trop graves en faisant un appel dangereux à des délibérations tumultueuses."474)-7 Juni schrijft hij: ?En considérant la disposition générale de esprits, qui n'est que trop contraire à la Hollande, soite par un suite de l'esprit de parti constitutionnaire475) réveillé par la réaction contre la France, soit par une exubérance des prétentions nationales de la Belgique, il me devient de plus en plus évident que les clauses de la réunion des deux pays doivent être décidées d'autorité et de la part des hautes puissances. Il importe que les clauses portant garantie en faveur des Belges de leur s?reté, de leur religion et de leur commerce, soient toutes définies dans la transaction qui transmettra la souveraineté au Prince d'Orange, car si l'on permet de s'établir une délibération, on peut être assuré que le nouvel état n'aura ni l'unité476) ni la force nécessaire pour exclure les machinations fran?aises, et qu'ainsi le but que les hautes puissances alliées ont en vue sera contrarié par les prétentions d'isolement et de provincialisme des Belges477)."

* * *

Het bezwaar (Bernadotte) (hiervóór, bl. 214).-Niet juist; het bezwaar was de Russische schuld, tegen de overname waarvan Lord Liverpool tot in Juni bezwaar maakte.

* * *

Ik gis (hiervóór, bl. 215).-Juist, maar het is maar één der redenen. Pruisen zou niets geteekend hebben vóór de grens vaststond; Rusland niets, eer het zijn tractaat van schuldoverdracht in den zak had. Trouwens ?les arrangemens qui doivent compléter les dispositions du présent traité", waaronder de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden stellig behoorde, waren uitdrukkelijk bij art. 32 van het tractaat van Parijs aan het congres van Weenen voorbehouden. De vaststelling der acht artikelen te Londen beantwoordde aan het eerste geheim artikel van het Parijsche tractaat: ?Les dispositions à faire des territoires auxquels Sa Majesté très chrétienne renonce seront réglées au congrès, sur les bases arrêtées par les puissances alliées entre elles."

* * *

Terwijl Pruisen (hiervóór, bl. 216).-Bij conventie tusschen de geallieerden (Bazel, 12 Jan. 1814) was nl. het voorloopig bestuur der landen tot de Maas aan Pruisen toevertrouwd, dat daartoe een gouvernement-generaal vormde te Aken. In plaatsen als Maastricht en Venlo kwam dit gouvernement-generaal in botsing met de commissarissen van den Souvereinen Vorst, die in last hadden onmiddellijk weder bezit te nemen van alles wat eenmaal tot de Vereenigde Nederlanden behoord had478).

* * *

357) Hiervóór, bl. 13 en 27.

358) Hiervóór, bl. 28.

359) Hiervóór, bl. 30.

360) Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Ged. VII, 9).

361) Br. en Ged. V, 448.

362) Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (G. K. van Hogendorp in 1813, bl. 31).

363) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.-Dit en het in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-mémoires van Grovestins ontleend, zullen door mij in Ged. VII worden medegedeeld, maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de bladzijde kan aanhalen.

364) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij Grovestins).

365) S.V. aan Lord Clancarty, 11 Nov. 1814 (Ged. VII, 211).

366) Lord Castlereagh aan den Minister van Oorlog en Koloni?n Lord Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (Castlereagh's Corr. IX, 181). Dit punt was in den Haag door Hogendorp met Lord Castlereagh besproken: ?My attention", schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten minister Lord Liverpool, ?was called to this [the succession] by an observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making provision for the separation of the two Crowns in the Act, which would shortly be proposed for regulating the succession to the crown of Holland under the new Constitution." (Ged. VII, 24). Dit is de aanleiding geweest tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van 1814, waardoor verandering in de troonsopvolging mogelijk werd gemaakt (Ontstaan I, 433; II, 418, 423).

367) Ged. VII, 39.

368) Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct. 1813.

369) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, Chatillon 20 Febr. 1814 (Ged. VII, 61).

370) Brief van den gezant Lord Walpole aan Lord Castlereagh, St. Petersburg, 9 Aug. 1814: ?The Finances and Interior are in a dreadful state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d. the rouble" (Castlereagh's Corr. X, 83).

371) Hiervóór, bl. 27.

372) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, Chaumont 8 Maart 1814 (Ged. VII 85).

373) Ged. VII, 86.

374) Gagern's Antheil II, bijlage X.

375) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 1 Febr. 1814 (Ged. VII, 38);-Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (Ged. VII, 61).

376) ?I have not said a syllable here of the Russian debt" (Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814, Ged. VII, 96).

377) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 27 Febr, 1814 (Ged. VII, 67).-Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 7 Maart 1814 (Ged. VII, 80).-Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 90).-Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814 (Ged. VII, 95).

378) Journal officiel du Gouvernement de la Belgique, 1814, I, no. 9 (15 Febr. 1814).

379) Journal officiel, 1814, I, no. 45.

380) Engelands agent in Belgi?, Johnson, aan Lord Aberdeen, 20 Febr. 1814 (Ged. VII, 88); Lord Aberdeen aan Lord Castlereagh, 12 Maart 1814 (ibidem); Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814 (Ged. VII, 90).

381) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 90).

382) Journal officiel, 1814, I. no. 82.

383) Journal officiel, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van 29 Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisiti?n uit Belgi? te halen wat er uit te halen was. Zie Johnson aan Clancarty, 20 April 1814 (Ged. VII, 111); Clancarty aan Castlereagh, 25 April 1814 (Ged. VII, 109).

384) Journal officiel, 1814, I, no. 171, 174; Castlereagh aan Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 92); Clancarty aan Castlereagh, 22 Maart 1814 (Ged. VII, 96).

385) Ontstaan II, 16.

386) Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 96, 97).

387) Gagern (Antheil II, 99), beschrijft hem als ?verst?ndig, angenehm, kalt, ruhig".

388) Ontstaan II, 10, 12.

389) Capellen aan van Nagel, 10 Mei 1814: ?L'opinion pour la réunion aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les commencemens on ne s'était pas servi de petits moyens et d'intrigues pour la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de la dignité d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon Souverain". Dit slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt naar Belgi? in het begin van 1814. Zie hierover Clancarty aan Castlereagh 8, 11, 12 Februari en 1 Maart 1814 (Ged. VII, 52, 56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijft Johnson, Engelands commissaris in Belgi?, aan Lord Clancarty: ?I presume the Dutch Government is thinking of sending some commissioner here, but I trust it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought it for the interest of his Sovereign to form in this country".

390) Journal officiel, 1814, I, no. 45: ?Lettre adressée par le gouvernement provisoire à monsieur l'évêque de Namur et à messieurs les vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique."-Ook gedrukt bij Terlinden, Guillaume Ier et l'Eglise catholique, I, 10.

391) De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den Haag en keerde den 5den Juni aldaar terug.

392) Hogendorp (Bijdragen I, 10) stelde de bevolking van Belgi? op 3.200.000 zielen.

393) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no. 105).

394) Clancarty aan Castlereagh, 7 Juni 1814 (Ged. VII, 136).

395) Ontstaan II, 32.

396) Ged. VII, 136, 147, 153.-Reeds 10 Mei 1814 schrijft Capellen aan van Nagell: ?Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont ceux qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits".

397) Castlereagh aan Clancarty, 26 Juni 1814 (Ged. VII, 153): ?I have prevailed upon the Ministers of the Powers to give him forthwith the provisional administration of Belgium".

398) Hendrik Fagel aan van Nagell, 23 Juni 1814.

399) Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine Vorst een deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.

400) Ontstaan II, 44.

401) Ontstaan II, 46.

402) 1814, I, no. 244. no. 245.

403) Journal officiel, 1814, I, no. 250.

404) Capellen, ?dien", zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9 Sept. 1814, Brieven no. 106) ?de Brabanders kennen en eerbiedigen", werd in Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indi?. Hij trad echter na de terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder tijdelijk als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit totdat in Augustus 1815 Falck ook voor Belgi? zijne plaats innam.

405) Ged. VII, 149.

406) Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken te Chaumont, had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van zijnen broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de Nassausche erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan Pruisen bij de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van den Souvereinen Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling zijner hoop schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816 (Staatsblad no. 25) toegekende domeingoederen.

407) Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart 1815 (Staatsblad no. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.

408) Ged. VI, 1870–'71.

409) Hiervóór, bl. 30.

410) Heinrich von Gagern, Leben des Generals Friedrich von Gagern I, 137.

411) Falck's Gedenkschriften, 142.

412) Ged. VII, 19.

413) Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813: ?whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange" (Ged. VII, 11).

414) ?Should Austria propose the settlement of the Archduke Charles in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By connecting a considerable part of the German territory on the left bank of the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable importance might be created, and one which supported by Austria would form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies" (Ged. VII, 17). Er is dus thans nog een geweldig verschil tusschen Castlereagh en den Souvereinen Vorst: de eerste denkt zich een ?intermediary Power" tusschen Holland en Frankrijk en bestemt ook den linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn Belgi? èn den linker Rijnoever voor zich.

415) Br. en Ged. V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar, 480. Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande (Paris 1905), 122 vv. Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.

416) ?I had the satisfaction of finding that, without specifying any sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape is likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier without funds to render it effectual to its purpose, has long been an object of anxiety" (Castlereagh aan Liverpool 8 Jan 1814; Ged. VII, 25).

417) Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden verkregen, dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen Berg.

418) Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814 (Ged. VII, 33).

419) Castlereagh aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg, 27 Jan. 1814 (Ged. VII, 39).

420) Metternich aan Castlereagh, 1 Febr. 1814 (Ged. VII, 39).

421) Hardenberg aan Castlereagh, 12 Febr. 1814 (Ged. VII, 60). Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in Belgi? afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te Brussel stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.

422) ?With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a Peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe" (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; Ged. VII, 38).

423) ?Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort" (een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr. 1814, Ged. VII, 43).

424) Br. en Ged. V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans, Hist. de la Belgique I, 53, 71.

425) ?Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a fait une facheuse sensation" (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814, door dezen overgelegd aan Castlereagh 17 Febr. Ged. VII, 65). Vgl. Feltz aan Metternich 11 Febr. 1814 (Ged. VII, 327).

426) Br. en Ged. V, 54; Falck's Gedenkschriften 137; Fauchille 130; Ged. VII, 52, 55 (Clancarty aan Hamilton, onder-staatssecretaris, van buitenlandsche zaken te Londen, 9 Febr. 1814: ?The Prince of Orange has been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the Low Countries to tender the sovereignty to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all").

427) Coremans, Ephémérides Belges (in: Compte-rendu Comm. Royale 1847), bl. 135. De te Brussel wonende oud-Oostenrijksche diplomaat, geboren Luxemburger, baron Feltz, schrijft aan Metternich 11 Febr. 1814, dat de Pruisische generaal Borstell bij het binnentrekken van Brussel links en rechts verklaarde ?que les Pays-Bas retourneraient sous la domination autrichienne, si pas immédiatement au moins à titre de suzeraineté, ces provinces passant selon toute probabilité à l'archiduc Charles." Feltz vraagt hier den hertog van Weimar naar, die antwoordt: ?qu'il croyait que chacune des puissances reprendrait ce qu'elle avait perdu, que tel était le principe général de l'alliance; que les événemens s'étant précipités contre toute attente, on ne connaissait pas de disposition particulière sur les Pays-Bas; qu'il serait urgent que des députés de la Belgique allassent en solliciter une au quartier général des puissances alliées; qu'en attendant il fallait composer un gouvernement provisoire" (Ged. VII, 326).

428) ?Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse" (proclamatie van 4 Febr.; Coremans 133).

429) Castlereagh aan Liverpool, 6 Febr. 1814 (Ged. VII, 44): ?The explanation throughout was received with general satisfaction. The possibility of something being found to give France in exchange for Guadeloupe and the Mauritius was thrown out, and prince Metternich suggested the idea of such a sacrifice on the part of Spain and Holland. I observed that this was a proposition which could not originate with the British government; that it was not their practice to call upon their allies to pay the price of acquisitions made by Great Britain; that I saw no reason why France after such a war should be relieved from all direct sacrifice".

430) Ged. VII, 63. Naar de plaats waar zij voorgesteld en door Oostenrijk en Pruisen aangenomen zijn, hebben deze artikelen den naam behouden van conventie van Troyes; door Rusland zijn zij eerst 1 Maart te Chaumont geteekend.-Eigenlijk heeft men niet met eene conventie in forma te doen, maar met een wisseling van nota's waarbij men zich verbindt de artikelen als deel van een eventueel tractaat te zullen accepteeren.

431) Metternich aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 63).

432) Hardenberg aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 65; vgl. aldaar, 61).

433) Nesselrode aan Castlereagh, 17 Febr. 1814 (Ged. VII 65; vgl. aldaar, 62).

434) Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (Ged. VII, 62).

435) F. de Martens, Recueil III, 194.

436) Ged. VII, 80.

437) Ged. VII, 87.

438) Castlereagh aan Liverpool, 8 Maart 1814 (Ged. VII, 86).

439) Ontstaan II, 33.

440) Ged. VII, 160.

441) Lagemans I, 72.

442) Ged. VII, 113.

443) Hiervóór, bl. 205.

444) Castlereagh aan Clancarty, 13 Maart 1814, (Ged. VII, 90).

445) ?Les souverains alliés auront à c?ur de maintenir la religion du peuple belgique, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour lui procurer une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un systême de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir" (Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814; Ged. VII, 92).

446) Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (Ged. VII, 334).

447) ?Qu'il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le conjurant de sauver son peuple prêt à périr"! (Le conseil général du département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1814; Ged. VII, 123).

448) Lagemans I, 15.

449) Er bestaan van de bekende ?acht artikelen" vier staten. Zij zijn, na het inkomen der brieven van Capellen van 10 en 11 Mei (Ontstaan II, 10 vv.) in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf, in een brief aan van Nagell van 16 Mei (Ontstaan II, 14); vervolgens door van Nagell in den vorm van een diplomatiek stuk gebracht 20 Mei (Ontstaan II, 18). De Souvereine Vorst neemt dit stuk mede naar Parijs, waar Clancarty den inhoud overgiet en tevens beredeneert in een uitvoerige, voor de bondgenooten bestemde memorie, die hij 25 Mei aan de goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderwerpt (Ontstaan II, 19), welke hem, in antwoord, 30 Mei de acht artikelen toezendt in hun definitieven vorm, als artikelen die hij gereed is ten uitvoer te leggen wanneer zij bij tractaat zullen zijn bekrachtigd (Ontstaan II, 26). Zij waren, naar 's Vorsten aanwijzingen, door Falck geredigeerd (Falck's Brieven no. 105; Falck's Gedenkschriften, 138 vv.) en zijn, zonder verandering, 21 Juni te Londen door de bondgenooten gearresteerd (Ontstaan II, 32), en vervolgens 21 Juli door hun werkelijken auteur, den Souvereinen Vorst, officieel aangenomen (Ontstaan II, 46).

450) Zoo in het stuk van 20 Mei.-In de acht artikelen: ?les provinces belges seront convenablement représentées".

451) Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat het Zuiden een afzonderlijken Raad van State zal hebben.-Niet in de acht artikelen overgenomen.

452) Ontstaan II, 16.

453) Ontstaan II, 17.

454) ?Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn oponthoud te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is" (S. V. aan van Nagell, 16 Mei 1814; Ontstaan II, 15). Maar Fulda was Vlaanderen niet!

455) Uit het stuk van den Vorst aan Clancarty van 30 Mei (Ontstaan II, 27).

456) ?Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là même éligibles à tous les postes". (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).

457) Protocol van 21 Juni.

458) Hiervóór, bl. 211.

459) Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, no. 105.)

460) Van Namen waren reeds bij den vrede van Parijs enkele kantons aan Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden terugverworven bij den tweeden vrede van Parijs.-Stavelot kwam aan de Nederlanden maar Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-Hertogenrade.

461) Stein aan Castlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (Ged. VII, 38, 60).

462) Stein aan Castlereagh, 6 Maart 1814 (Ged. VII, 78).

463) Ged. VII, 90.

464) Capellen 10 Mei (Ontstaan II, 10).

465) Ged. VII, 329.

466) Ged. VII, 331.

467) Ged. VII, 333.

468) Grovestins, Notice 418.

469) Ged. VI, 110.

470) Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn Falck's Gedenkschriften, 67 en 335.

471) Falck's Gedenkschriften, 126.-?M. van der Duyn me présenta au Prince" (Notice, 428).

472) In Ontstaan II, 16 is voor ?project" verkeerdelijk gedrukt ?subject".

473) Ik cursiveer.

474) Ged. VII, 335.

475) Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie, die hij opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook de talrijke Franschen en Franschgezinden in Belgi? waren tegen de vereeniging.

476) Ik cursiveer.-Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan R?ell, toen deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd aanbeval: ?het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, kan niet bereikt worden dan door éénheid" (Ontstaan II, 8).

477) Ged. VII, 337.

478) Vgl. von Geusau in Publications de Limbourg XXXVI, 233 vv.

* * *

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022