/0/14765/coverbig.jpg?v=b388bdeaf8016b69d932a3f9a6b0766a)
LEVEN VAN C. W. H. VAN DER POST.
Christiaan Willem Hendrik van der Post werd op 26 Maart 1856 te Leiden, Holland, geboren. In 1859 kwamen zijn vader en moeder met hun drie-jarige zoon naar Zuid-Afrika, en nadat zij een tijdlang aan de Kaap hadden vertoefd, ging zijn vader naar Montagu als bank-bestierder. Door krankheid werd hij later genoodzaakt zijn betrekking neer te leggen en toen ging hij met zijn familie te Ladismith wonen.
Daar ging het niet beter, de krankheid nam toe en spoedig was het gezin in armoede gedompeld. Nu sprong de vijftienjarige Christiaan in de bres.
Naar school was hij alleen maar voor drie maanden gegaan; maar zijn vader en moeder die allebei 'n zeer goede opvoeding hadden genoten, hadden alles in hun vermogen gedaan om zijn verstand te ontwikkelen, en hun zoon had van hun lessen goed gebruik gemaakt. Veel had hij ook te danken aan Ds. D. van Velden, die hem boeken gaf om te lezen en die ze dan met hem besprak.
Op 26 Maart 1871, begon de knaap zijn werk. Een vriend van de familie nam hem in huis als onderwijzer voor zijn kinderen. Hier kreeg hij £ 1 per maand. Treffend is het hoe hij, toen hij zijn eerste pond ontving, aan Meneer de Wet vroeg hem dat toch in zilver te geven, hij wou voelen dat hij iets verdiend had; en hoe trots legde hij die 20 shillings in zijn moeder's schoot. Op de plaats kreeg hij ook iedere morgen en iedere middag bij de koffie een beschuitje. Hij zelf at die beschuitjes nooit, maar hij gaarde ze op en nam ze aan het eind van iedere maand naar huis voor de kleinere broertjes en zusjes.
Bij grote vastberadenheid van karakter was hij tevens uiterst grootmoedig-onzelfzuchtig-onbaatzuchtig en weekhartig. Nooit klopte een behoeftige of verdrukte tevergeefs bij hem aan.
Intussen studeerde hij vlijtig totdat hij het onderwijzers-certifikaat van de Kaap Kolonie verkreeg. Nu ging hij naar de Vrijstaat als onderwijzer op de plaats Abrahamsfontein, Philippolis.
Later werd hij aangesteld als onderwijzer aan het Grey College, waar hij bleef tot 1881, toen hij zich op de rechten begon toe te leggen.
Hij vestigde zich te Fauresmith en genoot een van de grootste praktijken in de O. V. S.-één hoofdkantoor en 7 takken.
In 1885 huwde hij met Johanna J. Lubbe van Philippolis en na haar dood in 1888 met Maria N. Lubbe. Uit het eerste huwelik had hij één zoon, H. P. van der Post, en uit het tweede zes zoons en acht dochters, waarvan twee overleden zijn.
In 1887 werd hij gekozen tot lid van de Volksraad en hij bleef zulks totdat de oorlog uitbrak. Voor 'n tijd was hij ook voorzitter van de Volksraad van de O. V. S.
Hij was ook Consul der Nederlanden en consulaire agent voor Frankrijk. Maar toen de oorlog uitbrak bedankte hij voor het Consulschap en werd hij Kommandant voor de delen van de Vrijstaat zuid en oost van Bloemfontein.
Toen de vijand Fauresmith innam, weigerde hij zich over te geven en vluchtte hij, vergezeld van één man, Hendrik Lubbe, de bergen in. Hij trachtte weer een kommando bij elkaar te krijgen, en kwam eindelik met 17 man in de Transvaal aan, waar hij tot Kommandant van Barberton benoemd werd. Hier werd hij op 13 September door Generaal French gevangen genomen.
Het werd hem toegestaan op "parool" naar de K. K. te gaan. Een tijdlang bleef hij te Ladismith en Laingsburg, vanwaar hij met zijn familie naar Stellenbosch ging.
Daar woonde hij 5 jaar lang voordat het hem in 1906 toegelaten werd naar de Vrijstaat terug te keren, zonder de Eed van Getrouwheid af te leggen. Hij ging echter niet naar Fauresmith terug, maar vestigde zich te Philippolis.
Van af 1907 tot 1910 vertegenwoordigde hij Philippolis in het Parlement van de O. R. K. Maar na de Unie trok hij zich terug uit de politiek en weidde hij zijn aandacht groteliks aan zijn tuin op het dorp en aan zijn plaats, Wolvenkop.
Na een kort ziekbed overleed hij op 20 Augustus 1914 te Philippolis.
Hij schreef "Piet Uys" en "Ingnas Prinsloo" alsmede vele korte stukken en gedichten; ook vertaalde hij veel uit het engels, vooral van Tennyson en Longfellow.
ANNA VAN DER POST.
Philippolis,
30 Sept. 1915.
VOORWOORD.
(Voor de eerste druk).
Het boekje, dat ik hiermede het Hollands lezend Publiek aanbied, handelt over een tijdvak in de Geschiedenis van Zuid-Afrika, dat ten volle onderzoek en beschrijving waard is. Immers, in die dagen werd door de wakkere Voortrekkers het zaad gezaaid, waaruit, eenmaal ontkiemd, de Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaansche Republiek zijn ontsproten; en het is te betreuren, dat veel dat in die dagen is gebeurd, voor het nageslacht verloren zal gaan, en nimmer zal worden geboekstaafd, tenzij er meer werk wordt gemaakt om hun bevindingen te vernemen en op te tekenen, uit de mond van die weinigen, die nog leven van degenen, die aan de gebeurtenissen van die dagen deel hebben genomen.
Ik wens de indruk niet te laten, dat mijn boekje in alle opzichten histories korrekt is; de aard van het werk bracht het mede, dat ik mij zekere vrijheden moest veroorloven; maar toch, in hoofdzaak is mijn verhaal histories, en op de geschiedenis van Zuid-Afrika gegrond. Veel is er door mij neergeschreven, zoals door mij vernomen van de lippen van personen, die in die bloedige dagen van de Grote Trek in Natal geleden en gestreden hebben. Zelfs heb ik niet nagelaten inlichtingen in te winnen bij sommige Zulu's, die maar al te goede reden hebben om de dagen van Dingaan nimmer te vergeten. Ook heb ik de vrijheid genomen hier en daar te putten uit "De Worstelstrijd der Transvalers" van Ds. F. Lion Cachet, "Geschiedenis van Zuid-Afrika" van de Heer John Noble, en "The History of the Battles and Adventures in Southern Africa" van de Heer D. C. F. Moodie.
Op politiek gebied wens ik mij niet te begeven, maar toch kan ik de verzoeking niet weerstaan, de Jongelingschap van Zuid-Afrika toe te roepen: Ge hebt recht, trots te zijn op uw voorgeslacht. Ge behoeft u voor uw geschiedenis niet te schamen. In u ligt de kern van een groot en edel volk. Ge bezit al de bestanddelen, waaruit een natie kan worden geboren. Bouw voort op de fondamenten door een waardig voorgeslacht gelegd, en maak u dat voorgeslacht waardig. Moge het voorbeeld van Piet Uijs, de nederige, eerlike en moedige Christen en krijgsman; van Dirk Uijs, de vaderlievende knaap, die het sterven aan de zijde zijns vaders boven het leven verkoos, en wiens heldemoed verdient voor eeuwig in de herinnering van Zuid-Afrika's zonen te blijven voortleven; van zo menig edel hart in mijn werkje genoemd, u zovele spoorslagen zijn, om te streven naar alles dat goed, schoon en edel is. En vooral: Laat u niet her- en derwaarts leiden, maar streef naar zelfstandig denken, overwegen en handelen. Streef om de woorden van de Amerikaanse dichter Longfellow voor u zelf in toepassing te brengen, en wandel op de levensweg. "Het hart van binnen en God omhoog." Doe, en doe eerlik naar het best van uw vermogen, wat uw hand te doen vindt; wellicht dat dan het heilig, rein en zuiverend licht, dat aan het Eeuwig Licht ontstraalt, op u zal afdalen, en gij zonder het te zoeken, het u zelf onbewust, zult worden een levend, wandelend protest tegen al wat laag, gemeen, onedel en onmannelik is.
Indien ik, in welke geringe mate ook, daartoe heb kunnen bijdragen door het schrijven van dit boekje, zal het mij genoegen doen, te kunnen denken, dat ik een plicht vervuld heb, tegenover Zuid-Afrika, het Vaderland mijner kinderen, mijn aangenomen Vaderland, dat mij dierbaar is.