Bloedige tonelen te Umkungunhlovo.
Terwijl op de aankomst van de wagens van de Uijstrek wordt gewacht, en alvorens wij de reis van die trek beschrijven, verplaatsen wij ons naar Umkungunhlovo.
Welke treurige herinneringen wekt die naam niet op. Hier zetelde een onbeperkt despotisme. Hier woonde Dingaan, die het woord genade niet kende. Van zijn enkele wenk hing het leven van duizenden en duizenden der Zulu's af. Als hij de wenkbrauwen fronste, sidderde de grootste en moedigste induna als een riet. Dingaan, die zijn heerschappij verkregen had, eerst nadat hij zijn assagaai in broederbloed had gedoopt. Die, te zamen met zijn broeder Umlangani, door de verrader Bopa geholpen, zijn niet minder wrede en bloeddronken Koning en broeder Tshaka had vermoord, en als in overmoedige spotternij met de nagedachtenis van Tshaka, die in de isibonga, of erebenaming van de Amazulu "Umhlovu", de Olifant, werd genoemd, de naam van de "Verstrikker van de Olifant" had aangenomen. Die, om zich de alleenheerschappij te verzekeren, daags na de moord op Tshaka gepleegd, zijn bondgenoot, medeplichtige en broeder Umlangani liet ombrengen. Die, in de onmiddellike nabijheid van deze zetel van zijn schrikbestuur, zijn "Hloma Amabutu" zijn beenderheuvel, zijn hoofdschedelplaats had doen ontstaan, alwaar de verbleekte doodsbeenderen van ontelbare onschuldige slachtoffers van zijn woede, uit zijn eigen volk en andere inboorling-stammen niet alleen; maar alwaar ook de laatste overblijfselen van Pieter Retief en zijn met hem verraderlike omgebrachte lotgenoten ongewroken, onbegraven, aan weer en wind lagen blootgesteld.
Toen de impi, die na de moord van Retief uitgezonden was met de last, de Emigranten Boeren in Natal uit te roeien, en niemand, man, vrouw noch kind in het leven te laten, met bebloede koppen terugkwam; toen Dingaan vernam dat honderden zijner dapperste Ama-doda, door de Malongo, de blanke man, waren gedood, kende zijn woede paal noch perk, en werd het eerst op zijn verslagen leger gekoeld.
Umkungunhlovo was in de vorm van een cirkel uitgelegd. De circa twee duizend hutten, waaruit de kraal bestond, omsloten een rond open plein, aan welks ene zijde de grote hut van Dingaan, waarvan het dak op met kralen en koperen en ivoren versierselen getooide pilaren rustte, zich bevond. Op dit plein, dat ruimte had voor minstens vijf en twintig duizend krijgslieden, werden de krijgsdansen uitgevoerd en monsterde het Zulu-opperhoofd zijn impi's, wanneer zij ten strijde uittrokken, of van een krijgstocht terugkeerden.
Op dit plein vinden wij Dingaan enige dagen na de moord te Blauwkrans, des morgens voor zijn woning gezeten. Hij was in zijn volle koninklike uitrusting gedost. Zijn hoofd was gedekt met een kap, met lange struisvogelpluimen en veelkleurige veren opgeluisterd, enigermate gelijkende op een grote gevleugelde helm. Een karos van luipaard- en apevellen gemaakt, hing hem om de schouders, terwijl hij een schort van luipaardstaarten vervaardigd om de lenden, en lange kwispels, van de kwasten van ossestaarten gemaakt, aan de knie?n en enkels hangen had. Verder waren de armen en benen van de zwaarlijvige potentaat met metalen ringen overdekt. Zijn schilddrager stond achter hem, en beschermde met het grote schild, van de huid van een witte os gemaakt, zijn meester tegen de stralen van de zon. Ook stonden de stoeldrager, de wapendrager en de schenker in zijn onmiddellike nabijheid, laatstgenoemde binnen het bereik van enige grote poten met kafferbier. Zijn raadslieden omringden de Koning, en in een kleine halve maan achter deze groep stond de lijfwacht, samengesteld uit de zonen van induna's, de adel des lands.
Vóór de Koning, sikkelvormig geschaard, stond het overschot van de impi, die uit Natal teruggekeerd was, en voor hun front Umhlela, hun Induna e'nkolu of opperbevelhebber. Aan hun hoofdringen en hun witte schilden waren zij allen als amadoda-veteranen kenbaar.
Een weinig ter linkerzijde van het gezelschap des Konings stond een enkel regiment afzonderlik in gelid. In de grijze induna aan hun hoofd herkennen wij Manondo, die zijn stem tegen het vermoorden van Retief en de zijnen had doen horen, en zich daardoor de ongenade van Dingaan op de hals had gehaald. Zijn regiment werd beschouwd als het eerste van het leger, en droeg de naam van "Omobapankoe", hetgeen betekent "De Luipaardvangers."
Die naam had het regiment gekregen, reeds in de tijd van Tshaka. Een luipaard had een veehoeder des Konings gedood, en hij gaf aan een afdeling van dit regiment bevel, het roofdier levend te vangen en voor hem te brengen. De moedige krijgslieden volgden het spoor van de luipaard, vonden en omsingelden hem, en hoewel menigeen hunner door het woedende dier verwond en verminkt werd, en sommigen het leven lieten, slaagden zij er in hem levend te binden en voor de Koning te dragen. Tshaka gaf ter herinnering aan deze moedige daad het regiment de naam, die het ten tijde van Dingaan nog onderscheidde.
Rondom, op de buitenrand van het plein, waren duizenden toeschouwers in stille afwachting van wat ging plaats vinden.
Umhlela gaf een sein. De krijgslieden namen de schilden op, begonnen er op te slaan en hieven de wapenzang van Dingaan aan:6)
"Hongerig kroost van Umpikazi!
Slachters van der mensen vee!
Vreest het bloed van Umhlagazi,
Met hen trekken dood en wee."
Plotseling staakte het gezang. Dingaan had gramstorig een teken gegeven dat men zwijgen moest. Hij wenkte Umhlela, en toen deze voor hem stond, zei hij: "Zoon van Umdodi! Ge waagt het nog, het teken tot het zingen van mijn triomflied te geven, en die geslagen honden daar durven dat lied nog aanheffen. Dat lied is bestemd om te worden gezongen door krijgslieden die als mannen uit de slag komen; maar krijgslieden, die de vijand de hielen hebben getoond, past het te huilen als de jakhalzen, maar niet als leeuwen te brullen."
Umhlela, die met gebogen hoofd in deemoedige houding voor de Koning had gestaan, richtte het hoofd fier in de hoogte, en vestigde zijn flikkerend oog op Dingaan, wiens smalende woorden en verachtelike toon het hart van de oude dappere krijgsman diep hadden getroffen. "Zoon van Sentsanghaka!" riep hij uit. "Van mijn leven kunt ge mij beroven. Ik erken u, o Kalf van de Olifant! als de eter der mensen. Maar, van mijn eer kunt ge mij niet beroven. De Amazulu kennen mij te lang en te goed."
Umhlela sprak de waarheid. Hij was de beminde aanvoerder van het leger, de held van het volk. Een siddering ging door de leden van de meesten der induna's, die Dingaan omringden. Zij wisten, dat het zo goed als zeker was, dat de stoute woorden van de oude krijgsman zijn dood zeker maakten. Ook hij was zich hiervan ten volle bewust, maar bleef desniettemin de Koning vrij in de ogen blikken.
"O, zoon van Umdodi," zei de Koning, sarkasties glimlachende, "ge zijt als een springbok de Malongo ontlopen, en spreekt nog van eer. Ge zoudt uw eer aan de overzijde van de Tugela moeten gaan zoeken; in het land der Amazulu is ze niet meer te vinden. De vrouwen en kinderen der Boeren hebben u teruggeslagen."
"De Koning heeft gesproken, en wie zal hem wederleggen?" hernam Umhlela, "maar hebt ge, Geest der Bergen, gedacht aan de verderf en dood uitspuwende roeren der Boeren? Eén dier roeren is in de hand van een kind, met dat werktuig bekend, gevaarliker en dodeliker dan de assagaaien in de handen van twintig der dapperste Zulu's. Geen schild is tegen de kogel bestand, die op meer dan honderd treden afstands, veel verder dan de sterkste onzer de assagaai kan werpen, door schild en door lichaam heendringt. Ook schieten de blanken met iets dat zich uitspreidt. Met een enkel schot heb ik gezien dat zij zes der onzen ter neder wierpen. Is er een onder ons, die dat met één slag van bijl of kierie, met één steek van de assagaai doen kan? Leeuw der Amazulu, wiens jakhals ik ben, door u bij de jakhals vergeleken, waarom trekt de Leeuw niet zelf tegen de Malongo op? Wij hebben gestreden als leeuwen; bij hopen werden wij neergeschoten, en hadden wij in de strijd volhard, dan zou uw impi geheel zijn vernietigd."
"Umhlela, ge draagt heden uw hart op uw tong. Ge hebt lang gesproken, maar weldra zal u voor altijd het zwijgen worden opgelegd. Ik geloof u, en daarom zullen uw krijgslieden gespaard blijven, maar in uw persoon zal ik de Amazulu waarschuwen, dat geen Induna e'nkolu geslagen voor zijn Koning kan verschijnen en leven."
Umhlela boog voor Dingaan, slechts zeggende: "De Koning heeft gesproken." Hij richtte zich weer fier op en stond met het schild in de hand zijn einde af te wachten.
Dingaan wendde zich tot een der induna's van zijn gevolg. "Julavusa," zei hij, "ge treedt in de plaats van Umhlela; zult zijn impi uit de kraal geleiden en doen legeren, om daarna dadelik terug te keren, want vóór de zon in het midden van de Hemel staat, zal ik u nodig hebben."
De induna boog voor de Koning en plaatste zich voor het leger.
"Manondo, kom hier," gelastte Dingaan, en toen de grijze induna hem genaderd was, ging hij voort: "ge staat aan het hoofd van de luipaardvangers; vandaag zult ge het genoegen hebben een jakhals dood te slaan." En op Umhlela wijzende vervolgde hij: "Daar staat de jakhals. Neem de linkerafdeling van uw regiment, vervoert hem buiten de kraal en slaat hem dood met kieries. Versta mij wel: geen assagaai mag worden gebruikt."
Roerloos blikte Manondo voor zich. Umhlela en hij waren sedert hun kinderjaren als David en Jonathan geweest. Dat was de Koning, die hen met een duivelse lach op het gelaat aanstaarde, goed bekend. Maar wat meer was, het werk dat hem werd opgedragen, werd steeds verricht door de beulen, of door jongere krijgslieden, en werd beneden de waardigheid van een induna geacht.
"Mijn Koning!" riep Manondo eindelik bewogen uit, "zend mij in het heetste van het gevecht, laat mij sterven, maar draag mij zulk een vernederende taak niet op."
"Wat? andermaal spreekt ge mij tegen!" riep de Koning uit. "Noemt ge het vernederend mij te gehoorzamen? Meent ge lang genoeg te hebben geleefd?"
"Kom," zei Umhlela tot Manondo, "voer mij weg, en verwek door langer dralen de Koning niet verder tot toorn."
Toen riep Manondo uit: "De grote Olifant heeft gesproken. Ik zal volbrengen wat hij mij heeft gelast."
"Dat is wijs van u Manondo," hernam Dingaan, "maar wees gewaarschuwd. Ik wil voortaan zonder tegenspraak door u gediend worden. Volvoer uw last, en kom met spoed terug, want heden zal de grote Raad vergaderen. Vertrek!"
Julavusa sprak een bevel uit, waarop de impi van front veranderde, en met gebogen hoofden het plein verliet, gevolgd door de afdeling der Omobapankoe, die Umhlela naar de beenderenheuvel voerde.
Zwijgend en treurig trok deze stoet voort. Eerst toen zij buiten de kraal waren gekomen en de gerechtsplaats zien konden, zei Umhlela tot Manondo: "Oude vriend, ge moet het wrede bevel van het monster, dat de Amazulu regeert, uitvoeren. Ge hebt gehoord hoe hij gezegd heeft, dat geen assagaai op mij gebruikt mag worden. Hij wil mij doen martelen, eer de Grote Geest mijn geest wegneemt. Maar beloof me, geef gij mij de eerste slag, met dezelfde kracht die ge toonde, toen wij Sebakwane en zijn leger versloegen."
"Umhlela, dat mijn hand u de genadeslag moet geven!" riep Manondo bewogen uit. "Maar het zij zo, het kan niet anders. Ge zult niet gemarteld worden, Umhlela."
Men had de moordheuvel bereikt, waar de lucht verpest was door de in verschillende staat van ontbinding zijnde lichamen. De krijgslieden vormden een kring om de veroordeelde en wachtten op een teken van Manondo. Maar plotseling greep deze uit de hand van een naast hem staande krijgsman een kierie met buitengewoon zware knop, zwaaide die in de lucht, en deed hem met zoveel kracht op het hoofd van Umhlela neerkomen, dat diens schedel geheel verpletterd werd en hij met een enkele zucht dood ter aarde stortte. Toen wankelde Manondo ter zijde, en bleef met afgewend hoofd, op zijn schild steunend, staan. Zijn krijgslieden hadden hem begrepen. Hij had de vriend van zijn jeugd de marteling bespaard. Geen enkele stokslag was er gevallen op zijn langzaam verstijvend lichaam.
De zon schoot zijn stralen bijna loodrecht op het grote plein van Umkungunhlovo neder, toen Dingaan andermaal zijn woning verliet, om voor de hut plaats te nemen. Zijn lijfwacht en persoonlike bedienden waren tegenwoordig, evenals in de morgen, maar het aantal induna's was groter. De oude Manondo was eveneens daar, en in gesprek getreden met een fors gebouwde, nog jonge Zulu, die van koninklike bloede moest zijn, want hij dekte zich met een schort van luipaardstaarten. Het was Panda, een jongere broeder van Dingaan.
Toen Manondo de Koning was komen melden, dat zijn vonnis voltrokken en Umhlela gedood was, had de Koning hem zonderling aangestaard, en gezegd: "Manondo! Laat uw regiment, onder toezicht van de N'genana (tweede bevelhebber) naar de legerplaats trekken. De afdeling waarmee ge teruggekeerd zijt, kan hier blijven onder zijn N'gena obzuna (officier) totdat de indaba afgelopen is." De oude induna had dienovereenkomstig zijn bevelen gegeven.
De Koning was hem zo vreemd voorgekomen, en hij gevoelde zich niet op zijn gemak. Panda, die hij in de krijgskunst en op de jacht geoefend had, was zeer aan hem gehecht en had hem juist aangeraden, om de Koning niet de minste aanleiding te geven, om rechtens of onrechtens op hem verstoord te worden, daar hij niet twijfelde of Dingaan zou zijn leven niet sparen.
Daar werd het teken gegeven dat de indaba zou beginnen. De raadslieden, op de grond neergehurkt, vormden met Dingaan, die zijn zetel innam, een cirkel. Het woord werd echter staande gevoerd. In het midden van de kring bevonden zich drie door de ouderdom vergrijsde en vermagerde Zulu's. Zij waren gedeeltelik met witte klei besmeerd, waren behangen met vellen van slangen, doppen van kleine schildpadden, droegen armbanden en halskettingen, samengesteld uit menselike vingerbeenderen, hadden ieder een massa kleine gesloten hoorns en kalebassen aan hun gordel hangen, en droegen elk een lange staf. Zij waren de drie voornaamste Zieners of profeten, regenmakers en uitvinders van verborgenheden en uitleggers daarvan in Zululand. Hun tegenwoordigheid te dezer plaatse voorspelde niets goeds.
Dingaan wendde zich tot de oudste Ziener of Inyaya, met de woorden: "Mazesi, waar zijn de boden uit Natal, die bij u zijn aangekomen? Laat hen verschijnen."
"Nee, Eter der mensen," antwoordde de aangesprokene, "dat kan niet zijn. Deze boden zijn profeten, en liggen onder een belofte. Zij moeten zwijgen, doch door mijn mond zal de geest van Majolo spreken."
"Welnu, wat bericht ge dan?" vroeg Dingaan.
Mazesi verhief zich als om op te staan, doch werd plotseling door een siddering bevangen. Zijn knie?n knikten, zijn lichaam vouwde zich krampachtig, en hij viel in stuiptrekkingen op de grond. Men kon zijn beenderen horen kraken, maar geen hand werd tot hem uitgestrekt. De Koning en zijn Raadslieden sloegen dit toneel met de grootste kalmte gade. Slechts de twee ambtgenoten van Mazesi hadden zich opgericht en zich elk aan een zijde van hem geplaatst, aandachtig op hem neerziende. Eindelik begon Mazesi te schuimbekken. De andere twee schenen op dit verschijnsel te hebben gewacht, want gelijktijdig bogen zij zich neer, veegden hem het schuim voor de mond weg, bestreken zijn lichaam met tovermiddelen uit de kalebassen aan hun gordels genomen, en verrichtten met de handen de nodige bezweringen over hem. Hij werd rustig, en scheen in slaap te zijn gevallen, toen zijn ambtgenoten hem ieder aan een arm oplichtten, hem op zijn voeten plaatsten, en hem met het gelaat naar de Koning gekeerd, bleven ondersteunen. Op hen met gesloten ogen geleund, meer hangende dan staande, was Mazesi begonnen tot zichzelf te mompelen. Plotseling riep hij met krachtige, heldere stem: "Zoon van Stentsanghaka! Hoor wat de geesten mij en de boden uit het land aan de overzijde van de Tugela hebben bericht en gelast aan u over te brengen. De Malongo's, die over het grote blauwe water zijn gekomen, en zich bij de wal daarvan hebben neergelaten, hebben een verbond gesloten met de Malongo's, die met hun hutten op wielen over de Quathlamba gekomen zijn. Te zamen zullen zij de Amazulu verslaan en uitdelgen en zijn land en beesten, zijn vrouwen en kinderen onder zich verdelen, en daarin zullen zij worden geholpen door mannen van ons eigen volk, ja, door een onzer grootste induna's. Meer dan één man zal echter nog over onze hoofden voorbijgaan, eer de Malongo de Amazulu zal aantasten: want zij moeten nog hun Kapitein kiezen, eerst dan wanneer de andere Malongo's van over de bergen zullen zijn aangekomen, waarna zij hun plannen zullen uitbroeien. De geesten zullen de profeten echter waarschuwen om u op uw hoede en gereed te doen zijn."
Mazesi zweeg, en zou, niet ondersteund zijnde, op de aarde neergezegen zijn. Dingaan vroeg hem tans met donderende stem: "Wat is de naam van de Zulu induna, die zich zelf vernedert, door te heulen met de gezworen vijanden van zijn volk?"
De Ziener scheen besluiteloos te blijven staan, en mompelde, schoon voor allen hoorbaar: "Ik zie twee die elkander op de weg kruisen. De een lijkt nog jong, ik kan zijn gelaat niet herkennen. De ander is oud. Wie is hij?" "Ha!" schreeuwde hij plotseling, "ik herken hem. Geest van Majolo. Ik herken hem duidelik. Het is Manondo, de induna e'nkolu van het Omobapankoe regiment." Hij zakte ineen en werd door zijn ambtgenoten zachtkens op de grond neergelaten.
Zwijgend staarden de induna's voor zich. Droefheid en schrik waren hun om het hart geslagen. Zij waren te veel ingewijd in de geheimen van het Zulu-despotisme, om aan de beschuldiging van de Ziener onbeperkt geloof te slaan. De morgen had reeds de moord aanschouwd van Umhlela, de wakkerste veldoverste van hun volk; zou nu de middagzon ook het zielloos lichaam van de brave, ervaren Manondo moeten bestralen?
Dingaan was opgestaan. "Manondo," zei hij, "de houding door u in de laatste tijd aangenomen, heeft reeds mijn wantrouwen tegen u opgewekt. Ge hebt gehoord wat de geesten gesproken hebben; dat heeft mijn wantrouwen grond gegeven. Wat hebt ge voor uzelf te zeggen?"
De vals beschuldigde stond met waardigheid, met Spartaanse kalmte op. Met de gemoedsrust waarmede Socrates, die nobele Griek, de giftbeker ledigde, verwachtte de Zulu-staatsman de genadeslag met kierie of assagaai. Hij begreep het ten volle, zijn tijd was voorbij. Nog heden zou hij opstijgen naar die sferen, waar adel des gemoeds, rechtvaardigheid, reinheid des geestes troonden. De gloed van overtuiging, het besef van het onrecht hem aangedaan, het bewustzijn van zijn onschuld, deden zijn mannelik gevoel van recht in volle kracht in hem ontwaken. Op deze aarde zou zijn stem nimmer meer in indaba worden gehoord. Hij besefte dit en zou in oprechtheid des harten tans voor de laatste maal zijn stem doen horen.
"Zoon van Sentsanghaka," ving hij aan: "opdat de Amazulu het weten mogen, dat ik onschuldig sterf, verklaar ik dat Mazesi laster en leugen tegen mij heeft gesproken. Ik ken hem en zijn streken van ouds. Verdraaiing en bedrog zijn de palen waarop de hut van zijn bestaan rust. En gij, Koning der Amazulu! Gij zijt heden zijn medeplichtige. Ik zal de zon achter het Umpufane gebergte niet meer zien verdwijnen. Mijn oog zal van avond de met sterren bezaaide hemel niet meer kunnen aanschouwen; maar in mijn binnenste heerst vrede en zegt mij een stem, dat ook in u het onrecht zal worden gestraft. De profetie van de stervende Tshaka staat op het punt van vervuld te worden. De Malongo is gekomen. Gij hebt hem tot vijand gemaakt. Uw einde is nabij."
Met moeite bedwong Dingaan zijn toorn, en bulderde: "Weg met de verrader! Hij worde onmiddellik ter dood gevoerd!"
Panda nam het woord, blijkbaar bedeesd en ten diepste geroerd: "Koninklike broeder!" riep hij uit, "verleen Manondo genade. Spaar zijn leven, ter wille van Mnande, uw moeder, die zijn zuster was."
"Knaap," onderbrak hem Dingaan, "ge onderneemt het van genade te spreken, waar ik het doodvonnis heb geveld. Maar luister en beef. Heeft Mazesi, door de geesten bezield, niet gesproken van twee verraders, een waarvan jong was? Wie is die tweede verrader? Denkt ge dat ik Manondo naast u de plaats zal laten innemen, die Bopa bij me heeft ingenomen, toen ik een einde maakte aan het leven van Tshaka, wiens dwaze profetie me tans door de hond die heden sterven moet, ten tweede male voor de voeten is geworpen. Als ge uw leven lief hebt, zwijg."
Ook Manondo wierp een smekende blik op zijn jonge verdediger, die door de uitval van de Koning geheel uit het veld geslagen, neerzeeg.
Op een wenk van Dingaan trad de officier van de Luipaardvangers nader. "N'gena obzuna," klonk de stem des Konings. "Uw afdeling had de eer van morgen een lafaard dood te slaan, ge zult heden ook nog een verrader van het leven beroven. Voer uw vorige bevelhebber onmiddellik weg, en sla hem de hersens in."
"Vaarwel, Induna's van mijn volk!" riep de oude Manondo. "De tijd zal mij wreken." De afdeling van zijn regiment voerde hem diep aangedaan naar de slachtplaats. Zij wensten zijn lijden te verkorten, en, zonderlinge samenloop, met een enkele slag werd hem het leven benomen met dezelfde kierie waarmede hij in de morgen Umhlela de genadeslag gegeven had. Zijn krijgslieden plaatsten zijn lijk met eerbied naast dat van zijn oude vriend en krijgsmakker.
Toen Manondo verwijderd was, had Dingaan zich in zijn hut begeven. De indaba was voorbij.