Vertrek van het lager van Piet Uijs naar Natal.
Gaan wij tans in de loop van ons verhaal enige dagen terug en verplaatsen we ons in het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.
Een zacht rood in het Oosten kondigde het aanbreken aan van de eerste dag na het vertrek van Uijs met het paardekommando naar Natal. De morgenster steeg gestadig hoger in zijn hemelbaan, schitterend, maar met een zacht kwijnend licht, als strekte hij met schroomvalligheid de gloeiende dagvorstin tot geleide. De aarde lag nog in haar laatste onrustige sluimering, alvorens geheel te ontwaken, wanneer de koesterende aanraking van de zon de haar omhullende nachtelike deken zou opheffen. In het lager was het echter reeds alles bedrijvigheid. De tenten werden opgebroken en hun inhoud bijeen gepakt, om samen weldra een plaats op de wagens te vinden. De wagenkring, die zolang tot verblijfplaats en tevens bolwerk der Emigranten Boeren had gediend, werd vaneen getrokken, de staketsels en zoden wallen uit de weg geruimd, het trektouw aan de disselboom bevestigd, om daarna door de spanjukken, met hun stroppen en scheien gewapend, voor het inspannen der ossen gereed te zijn.
De mannen begonnen reeds de ossen, span bij span, uit de grote troep te keren. De paarden van hen, die de tocht zouden beschermen, waren reeds gezadeld; maar nog gingen de zorgvolle huismoeders rond om te zien dat er niets werd achtergelaten; dat de ketel, waarin zo?ven het water voor de koffie werd gekookt, niet in het kookscherm vergeten, maar behoorlik aan de langwagen was vastgemaakt. Dat het stampblok, waarin gisteren nog de mielies werd gestampt, zijn plaats onder de ketel in de wagentent had gevonden. Dat de broodpan, waarin gisteren avond nog enige beschuit voor de tocht was gebakken, bij de uitgeholde, als bakoven dienstdoende miershoop, niet achtergebleven was.
Galant had zijn trekgoed in orde. De andere bedienden waren de ossen reeds gaan vangen om in te spannen. Dirk, die met Galant de tocht te paard zou doen, totdat men de bergen zou bereiken, stond bij hem, de gezadelde paarden bij de toom houdende. De oude dienaar sloeg nog hier en daar aan iets de hand en moest in vrolike luim zijn, want hij zong met schorre stem een Bovenlands liedje, waarvan de opwekkende melodie in sterke tegenstelling was met de droefgeestige woorden:
"Mijn hart is zo zeer! Mijn hart is zo zeer!
Mijn hart is zo zeer!
En ik kan toch niet meer.
Nou trek ik weg! Nou trek ik weg!
Nou trek ik weg!
Waar die ou zwart berg leg."
"Wel outa," vroeg Dirk, "hoe gevoel jij je van morgen! Ben je verdrietig of blij? Uit je gezang is je gevoel moeilik op te maken."
"Wel, Baas Dirkie, je weet goed genoeg dat dit enkel van plezier is, dat ik zing. De oubaas is mos voor, en wij gaan hem achterna. Dood tegen mijn zin heb ik de Baas met Kiewiet alleen laten weggaan, en nou voelt mijn hart weer lekker, nou we koers vatten naar mijn oubaas toe."
"Galant, je moet van avond ons weer de storie vertellen van je komst in de Kaap, en hoe je de slaaf van mijn overgrootvader geworden bent. Ik ken die storie nog, maar Karel van Wijk en Doris Botha willen hem ook zo graag horen."
"Goed, kleinbaas, als we van avond lager getrokken hebben, zal ik jullie de storie vertellen. Maar hier zijn de ossen, we moeten nou inspannen."
De toebereidselen voor het vertrek waren voltooid. De ene na de andere wagen werd door een span van twaalf of veertien ossen, op de krachtige, languitgerekte roep: "Trek" van de drijver, vergezeld van een lustig geklap met zijn lange, aan een stok van bamboes bevestigde zweep, in beweging gebracht, en rolde langzaam voort, en weldra kronkelde de lange wagentrein zich als een reusachtige boa over de groene grasvlakte.
Barend Greyling was met het bevel over de trek belast, en bevond zich aan het hoofd van de trein, door enige ruiters vergezeld; terwijl andere ruiters, op geruime afstand voor de wagens verspreid, dienst als verkenners of videttes deden, en weer een afdeling ruiters als achterhoede de trein sloot.
Bij Greyling bevonden zich Dirk en zijn getrouwe Galant. Dirk, die met geweer, bandelier en toebehoren uitgerust was, zag er krijgshaftig uit, zoals hij daar op zijn moedig rijpaard naast de Kommandant voortreed. Hij had bij deze aangedrongen als verkenner dienst te mogen doen, maar had tot antwoord gekregen: "Nee, mijn kind, je moeder heeft je aan mijn zorg toevertrouwd, en aan mijn zijde moet je vandaag blijven. Vraag 't haar echter van avond, en als zij toestemt, zal ik jou en Galant morgen als videttes vooruit zenden."
Vroeg in de namiddag bereikte de trek het lager van hun vrienden aan de Elandsrivier, waar men zou overnachten, om de volgende dag, door deze eerste afdeling versterkt, de tocht naar het gebergte voort te zetten, waar men de andere afdeling dacht te vinden.
De maatregelen om te kamperen waren spoedig genomen, en toen het begon te schemeren, werden de kampvuren ontstoken en de wachten voor de nacht geregeld.
De vrouwen waren bezig met het bereiden van het avondmaal of met de verzorging der kleinere kinderen. De mannen hadden zich in groepjes verzameld en bespraken ernstig de jongste gebeurtenissen en de bezwaren van de tocht. Dirk Uijs had een klein kommando van flinke levenslustige knapen van zijn leeftijd om zich verenigd. Men beraadslaagde hoe men tot het avondmaal de tijd zou verdrijven. "Laat ons leeuw spelen," riep Dirk uit, en zijn voorstel, met gejubel door allen beantwoord zijnde, kondigde het gejoel en geschreeuw dra aan, dat het vrolike, wilde spel in volle gang was.
Een der knapen wordt uitgekozen de leeuw voor te stellen; de anderen zijn de honden en de jagers. De honden en de leeuw moeten op handen en voeten lopen, de laatste omhangen met een leeuwevel, of bij gebrek aan het werkelik artikel, met een karos of velkombaars. De jagers trachten de leeuw te omsingelen en hem met stokken, die assagaaien vertegenwoordigen, te steken; maar wijken, wanneer hij brullend op hen toespringt immer achteruit. En geen wonder: want gelukt het de leeuw er een te pakken, dan wordt deze goed geknepen en geknuffeld, en worden de rollen verwisseld: de gevangene wordt leeuw, en de leeuw die hem gevangen heeft, wordt verhoogd tot jager. Ze duurde het spel voort totdat de knapen geroepen werden voor het avondeten. Bij het scheiden riep Dirk zijn makkers toe: "Kom na het eten bij ons kampvuur; Galant heeft me beloofd stories te zullen vertellen." Weinig kon Dirk voorzien, dat vóór zij vier en twintig uren ouder zouden zijn, hij en Galant met een leeuw in levende lijve te doen zouden hebben.
Kort daarna vinden wij de oude Malabaar, plat op de grond bij het kampvuur, dicht bij de wagen van zijn ounooi zitten. Weer zong hij zijn levendig-treurig liedje van de morgen, maar ditmaal begeleidde hij zijn gezang met de tokkeling van een ramkie, een snare-instrument naar een kleine viool gelijkend, de kast waarvan uit een kalebas bestaat, die met ruw van het haar ontdaan vel is overspannen, en die òf bespeeld wordt met de vingers als een gitaar, òf waarvan de tonen, evenals die van de viool, met een korte strijkstok worden ontlokt. Galant was in een gemoedelike stemming. Hoewel hij zong: "Mijn hart is zo zeer," droeg zijn zwart gezicht, door het schijnsel van het kampvuur glimmend verlicht, geen enkel teken van de droefenis die volgens zijn lied in zijn binnenste heerste.
"Zo, outa," klonk de stem van Dirk hem tegen, "ik kom de vervulling van je belofte vorderen. Karel, Doris en een handvol anderen zullen ook aanstonds hier zijn, om de storie die je me beloofd hebt, te horen."
"Wel, kleinbaas," antwoordde de oude, "als jij en jou maters klaar zijn, dan ben ik jullie Mozes."
"Goed, outa, maar ik wil eerst mielies springen. Ik heb mijn zakken vol, en outa moet me as geven."
Het mielies springen, waarin Galant een matador was, bestaat hierin. Men krabt met een plat stokje een laag hete as ter dikte van een duim, gelijk op de grond uit, en spreidt hierop de droge mieliekorrels. Met het stokje roert men de mielies door de hete as. Door de as verhit, barst het omhulsel der meeste mieliekorrels met een knal uit elkander. Het meel dat de korrel bevat, schijnbaar vloeibaar geworden door de hitte, krult zich in prachtige, witte pluimige vormen om. Deze mielies noemt men de hamels. Sommige mielies bieden weerstand aan de hitte, weigeren te springen en worden half verkoold. Zij worden in tegenstelling van de hamels, bokken genoemd, want zij vertonen minder vet. Te zamen genomen zijn zij de krakelingen van de jeugd der wildernissen, en worden onder onschuldig vermaak bereid, en gretig en met smaak genuttigd.
Galant, door Dirk bijgestaan, had in een ommezientje een aanmerkelike hoeveelheid mielies, uit de zakken van Dirk genomen, in hamels en bokken veranderd. Intussen waren de genodigde knapen aangekomen, hadden zich om het vuur geschaard en wachtten, de handen vol gesprongen mielies, op de hun beloofde storie.
Galant had een paar malen uit zijn binnenste een onderaards geluid doen horen en herhaaldelik gekucht. 't Was niet te ontveizen, dat hij het gewicht van het ogenblik besefte. Zijn gehoor was groot, en hij moest zijn onderwerp recht doen geschieden. Sommigen der knapen schuifelden rond in ongeduldige afwachting; maar Dirk fluisterde hun toe: "Wacht maar. Outa maakt zich achter mekaar." Eindelik ving Galant aan zijn storie te vertellen.
"Kijk, kleinbaassies," zei hij, "dit is niet zo danig makkelik om mijn storie mooi aan jullie te vertellen. Was dit een storie van wolf of jakhals of schildpad, dan was dit niet zo moeilik, maar dit is mijn eigen zelvers z'n storie, die ik aan baas Dirkie beloofd heb te vertellen. Als ik terug denk aan de dagen, toen ik net mijn verstand gekregen had, en nog helemaal klein was, banja kleiner dan die baassies nou is, dan zie ik nog het land, waar ik toen in woonde. Als jullie reken dat ik nou al bijna helemaal witkop ben en halfpad zo krom als een hoepel, zullen jullie kunnen zien, dat dit banja dagen geleden is, waarover ik nou praat. Dit was een tamaai mooi land, dat land waar ik geboren ben. De vruchten groeien zomaar wild in de bossen. Het water spoelt altoos maar weg naar de zee. Want dat land waar ik van praat, is binnenkant in de zee. De witmensen noemen het een eiland. Jullie zegt voor mijn soort van mensen Malbaar, maar dit is verkeerd. Zover ik kan terugdenken, is de naam van mijn natie Malagasie. Wel, ik was klein, maar ik heb alles goed onthouden. Daar was mijn vader. Een grote, sterke kerel, mijn ou moeder, die naderhand in dit land is doodgegaan, mijn ou zuster, die nou nog leeft, maar in die dagen waar ik van praat, was zij kleiner dan ik. Allemaal bijmekaar waren we vier stuks in een rondavel. Op een avond waren we zoals gewoonlik gerust gaan slapen, toen ik in de nacht wakker werd door een geschreeuw en gedoe zoals ik nooit van te voren gehoord had. Ik wrijf nog mijn ogen, om helemaal wakker te worden, toen iemand mij aan mijn been vat, en zoals een vel bij de deur van de rondavel uitgooit. Ik val als een pompoen buitenkant, maar had niet zeer gekregen, en was nou helder wakker. Mijn ou vader, mijn moeder en zusje zie ik bij me op de grond liggen. Een hele klomp mansvolk, met lange assagaaien, kieries en messen, zo groot als ik zelf in de handen, was overal rondom ons, en partij bezig om het vuur in onze rondavel te steken. Mijn moeder huilt en snikt, en mijn ou vader ligt te steunen. Toen de vlammen uitslaan, zie ik bij het licht, dat mijn vader rood van het bloed is. Ik kon niet uitmaken, wat dit alles beduidt, maar zover begreep ik, dat daar iets verkeerd was. Toen het dag was, brachten ze ons naar een grote open plek in de bossen. Mijn ou vader had een steek in zijn borst gekregen en was amper te zwak om te lopen, maar toch hadden ze zijn handen op z'n rug vastgemaakt, en joegen hem aan zoals een beest. Op de open plek in de bossen, zie ik een hele hoop van mensen die ik ken. De vrouwen en kinderen waren allemaal los, maar de mannen vastgemaakt, net zoals mijn ou vader. Ik dacht dat 't mensvreters waren, die ons gevangen hadden, maar mijn ou moeder zei toen aan me dat ze ons niet zouden opeten, maar ons wegnemen om te verkopen, en dat ik en mijn zusje helemaal stil moesten blijven, want dat ze ons anders zouden slaan en misschien dood maken. Toen de zon mooi op was, en de bomen hun schaduw op de grond begonnen te gooien, maakten ze ons allen bij mekaar en begonnen ons aan te jagen. Mijn vader was zo zwak, dat hij bijna niet kon lopen, en mijn moeder, die mij en mijn zusje aan de hand had, liep stilletjes te huilen. Eén van de mannen, die ons gevangen hadden, en die de kapitein was, was mijn vader een paar maal komen bekijken. Met eens greep hij hem aan zijn arm, trok hem naar de kant van het pad, en voor mijn vader iets kon zeggen, stak hij hem met z'n assagaai in zijn hart, zodat hij morsdood op de grond viel. Toen we dat zagen, barstten we in gehuil uit, maar de kapitein zei ons, dat als we aanhielden met schreeuwen, hij ons ook zou doodsteken. Mijn hart was vreselik naar over mijn vader, want hij was altijd zo goed voor me geweest, en ik had hem banja lief, maar ik was bang, en probeerde toen maar om stil te blijven. Drie dagen lang zijn we door de bossen getrokken; toen kwamen we bij de zee, waar ze ons op schepen hebben geladen. Ik was net benauwd voor dat grote water, en heb geschopt en geschreeuwd totdat ze me uit de schuit, in de zee wilden gooien; toen ben ik stil gebleven. Een paar dagen daarna zijn we bij een ander land gekomen, waar ze ons in een groot huis bij mekaar gehouden hebben voor een korte tijd; en toen is partij daar gebleven, en de anderen, waarbij mijn moeder, zusje en ik waren, opgeladen op een groot schip. Die dag heb ik voor de eerste maal witmensen gezien. Toen heb ik eerst rèrig bang geworden. Ik dacht in 't begin, dat ze spoken waren, waarmee mijn ou moeder me altoos gedreigd heeft als ik stout was, en zij had haar handen net vol, om mij en zusje stil te krijgen. Maar ik heb gauw uitgevonden, dat die mensen ons niks maakten, en beter voor ons waren dan dat zwartgoed, dat ons gevangen had, en toen werd mijn hart gerust. Hoe lang we op de zee gebleven zijn, weet ik niet, maar 't was lang. Ik kon niks zien, als net lucht en water. Ook geen berg, of geen boom, of geen stukkie grond, zo groot als mijn hand. Net lucht en water. Maar eindelik kwamen we weer bij 't land, en laadden ze ons af. Dit was bij Kaapstad. Daar hebben ze ons weer in een huis gebracht, en die avond heeft mijn moeder gehuild en gehuild, alsof haar hart wou stuk breken. Ik vroeg haar toen, waarom ze zo huilde, en toen kwam ik achter de oorzaak. Mijn moeder vertelde me, dat we de volgende morgen zouden verkocht worden als slaven, en dat zij hartzeer had, omdat ze ons uitmekaar zouden verkopen, en zij ons nooit weer zou terug zien. Die nacht hebben we de ogen nooit toe gemaakt, en net altijd gehuild, en toen we de volgende morgen werden uitgebracht op de markt om verkocht te worden, toen voelde ik net naar op mijn maag. We konden in die dagen nog niet één woord Hollands praten, maar een van de mensen van het schip kon onze taal praten, en vroeg mijn moeder waarom we allemaal zo verdrietig waren. Zij vertelde hem toen de oorzaak, en het schijnt dat hij toen medelijden met ons kreeg, want hij zei aan mijn moeder, dat hij haar en mijn zusje dan maar samen zou laten verkopen. Maar ik werd toen meer naar, want ik zou nou alleen moeten verkocht worden. Daar waren die dag banja mensen die slaven wilden kopen. Mijn moeder en zusje werden samen opgeveild en een oubaas kocht ze alletwee, en wees zo maar met eens naar een ossewagen die daar nabij stond, dat ze er naar toe moesten gaan. Ik kon niet verstaan wat daar gepraat werd, maar ik kon goed uitmaken, wat er gebeurde, en toen mijn moeder wegging, begon ik te schreeuwen, dat 't zo daverde en dreunde. De oubaas bleef toen staan, en begon te praten met de witman van het schip, en telkens naar mij toe te wijzen. De andere mensen stonden te lachen over mijn geschreeuw, maar de oubaas vertrok geen gezicht. Toen kwam de man van het schip naar me toe en vertelde me, dat de oubaas me ook zou kopen. Hij wilde niet een kind van zijn moeder wegscheuren, en ik moest uitscheiden met schreeuwen. Wel baassies, 't wordt laat, en mijn storie wordt te lang; ik zal hem klaar moeten maken. De oubaas heeft zijn belofte gehouden, en me ook gekocht, en ons allemaal naar zijn plaats toe genomen. Die oubaas was Baas Piet Uijs z'n Oupa. Mijn eigen vader kon niet zo goed voor ons geweest zijn, als die oubaas was. Kleinbaas Dirkie z'n Oupa, oubaas Koos, en ik waren even oud, en we zijn samen groot geworden. Mijn ou moeder is naderhand op de plaats gestorven en begraven, en toen oubaas Koos is gaan trouwen, heeft mijn oubaas me aan hem gegeven. Toen Baas Piet Uijs in de wereld gekomen is, heb ik dadelik gezegd, dat ik hem zou groot maken, en dat heb ik ook gedaan. Ik heb hem banja dingen geleerd, saam met hem gaan zwemmen, leren paardrijden en met hem gaan jagen, en toen hij naderhand ook getrouwd is, heeft oubaas Koos mij weer aan hem gegeven. En zo heb ik bij hem mijn leven gesleten totdat hij nou ook al halfpad oud is. Toen de Engelse Goeverneur de slaven vrij gemaakt heeft, heb ik gezegd, dat is puur bocht, ik behoef niet een haar vrijer te wezen als ik ben, en ik ben bij mijn baas gebleven. Toen hij hiernatoe getrokken is, ben ik met hem saamgegaan, en ik zal bij hem blijven zolang als de Heer ons spaart."
"En wat is van jou zuster geworden, outa Galant?" riepen enige stemmen.
"Jullie kent haar geloof ik allemaal. Zij leeft nog. Zij is ou aja Katrijn, die bij oubaas Koos woont. Maar nou moet jullie gaan slapen, kleinbaassies, 't is laat, en morgen als de dag aanbreekt, moeten we inspannen."
"Hoor, outa Galant, jij kan mooi vertellen," riepen de knapen, en met een algemeen "goede nacht" zocht ieder zijn slaapplaats op.