Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 10 No.10

Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal.

Zalig uur van het wederzien, te meer wanneer de scheiding is gevallen in tijden van rampspoed en gevaar; wanneer de gescheidenen, aan elkander denkende, zich de geliefde afwezige voorstellen, door lagen en listen omringd, door een sluwe en naar bloed dorstende vijand bezet, met de dood worstelende, stervende met de geliefde naam op de lippen. Als ieder uur de angst en de spanning heeft doen stijgen, de onrust het hunkerend verlangen heeft vermeerderd, en het gelovig gemoed slechts verlichting heeft gevonden in het ootmoedig: "Gij weet het, Heer!" Als het hart sneller klopt, de boezem heviger prangt, hoe meer de stonde genaakt wanneer het floers van de onzekerheid zal worden weggerukt, men zich in de armen van de geliefde zal kunnen werpen, of voor altijd van hem op aarde gescheiden, zijn droevig lot bewenen zal, en slechts lafenis zal kunnen putten uit de bron van de hope des wederziens hiernamaals. Zalig uur van het weerzien op aarde, als de benauwende vrees en twijfeling zich oplossen in het zeker zijn omtrent elkanders veiligheid en welzijn, als het zweven tussen hoop en vrees als een schim verdwijnt en plaats maakt voor het verrukkelik, dankbaar gevoel, dat de boezem doortintelt bij het bewustzijn: wij leven. Wij zijn gezond. God heeft ons voor elkander gespaard. Zalig uur van het weerzien. Voorsmaak van het ogenblik, wanneer de moede strijder de aardse wapenrusting aflegt, en op de vleugelen van de Seraph stijgende, de geliefden, van wie hij op aarde gescheiden werd, in reiner sfeer terugziet voor de troon van God.

Het was een vreugdevol weerzien tussen Uijs en de mannen van zijn paardekommando, en hun vrouwen en kinderen die met de wagentrek waren aangekomen. Wederzijds waren allen gezond, en sedert de scheiding aan de andere zijde van het gebergte, hadden zij het verlies van geen enkel leven te betreuren gehad.

De Kommandant ontving het rapport van Barend Greyling. Hij was biezonder verheugd over de terugkeer van Andries Viljoen en de andere volgelingen van Strijdom, die zich tans voor goed bij hem hadden aangesloten; en toen hij het verlies van de wagen vernam, beloofde hij nog de volgende dag dit verlies te zullen goedmaken. Dat zou niet moeilik gaan, want in het lager bevonden zich verscheiden wagens met trekgoed, tenten, huisraad en vee, waarvan de eigenaars vermoord waren, en de Krijgsraad had besloten deze goederen te verkopen, en de opbrengst te bewaren, totdat de gelegenheid zich zou voordoen die te overhandigen aan de rechtmatige erfgenamen. Verder deelde de Kommandant in korte woorden aan Greyling mede, hoe de zaken stonden, met betrekking tot het kiezen van een hoofdaanvoerder, en besloot hij met te zeggen, dat hij de volgende morgen een vergadering van de voormannen van zijn trek zou beleggen, om met hen te beraadslagen.

Die avond vinden wij Uijs, met zijn gezin verenigd, in zijn tent terug. De dagtaak was ge?indigd, de wagentrek bij het grote lager ingelijfd en behoorlik verzorgd. Enkele vriendinnen waren de vrouw van Uijs komen welkom heten, doch tans begreep men dat het de echtgenoten verkiesliker zou zijn, om in hun eigen huiselike kring alleen gelaten te worden. Op het gelaat van allen is een stille vreugde te lezen. Niemand ontbreekt er; zelfs de oude Galant heeft zijn hoekje in de tent gekregen. Immers, hij heeft ook nog verslag aan zijn oubaas te doen, en heeft zich hiervoor reeds voorbereid.

Het avondmaal is ge?indigd. Op last van zijn vader heeft Dirk de boeken uit de wagenkist gehaald, en Uijs doorbladert langzaam de Bijbel, zoekende naar een voor de gelegenheid toepasselik hoofdstuk om te lezen. Hij heeft gevonden wat hij zoekt, en begint met gevoel Psalm 103, waarin Isra?ls koninklike dichter de lof van Jehovah zo welsprekend bezingt, te lezen. Zijn vrouw luistert, de blik op het gelaat van de dierbare echtgenoot geslagen. Een traan glinstert in haar oog. 't Is een parel van dankbare aandoening. Na het lezen stort de huisvader zijn hart uit in een vurig gebed, en dit dankoffer op het eenvoudig huisaltaar wordt besloten met het zingen van het eerste vers van Psalm 146, niet naar de zangwijze die in het Psalm- en Gezangboek te vinden is, maar naar de schone melodie, hier gemeenzaam bestempeld als "op liederwijze," op de tonen van welke wijze gezongen, deze Psalm nog dikwerf des avonds uit menige Zuid-Afrikaanse woning ten hemel stijgt.

Prijs de Heer met blijde galmen:

Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.

'k Zal, zo lang ik leef, mijn psalmen

Vrolik wijden aan Zijn lof.

'k Zal zolang ik 't licht geniet,

Hem verhogen in mijn lied.

"Dirk, mijn kind," zei Uijs, "kom hier naast me zitten."

Gretig gaf de knaap aan dit verzoek gehoor, en plaatste zijn veldstoeltje naast dat van zijn vader. Uijs legde de hand op het blonde hoofd van zijn zoon en vervolgde: "Je moeder, en ook Barend Greyling hebben me verteld van de nauwe ontkoming, die je met Galant gehad hebt, bij de ontmoeting met de leeuw. Wel heb ik, en hebben wij allen ruime stof om de Heer voor Zijn grote goedheid dank toe te brengen. Zeg me, Dirk, heb je God voor die uitredding gedankt?"

"Ja vader, dezelfde avond nadat het gebeurd was, heeft moeder me naast zich doen neerknielen, en samen hadden we de Heer gedankt, omdat Hij me gered had."

"Dat was recht, mijn kind. Ken de Heer in al uw wegen. Maar nu een andere vraag, en beantwoord die openhartig. Was je niet bang, toen je de leeuw voor je zag?"

"Nee vader," antwoordde de knaap levendig, "bang was ik niet. Ik gevoelde me meer verwonderd. Het gebeurde ook alles zo plotseling, er was geen tijd om bang te worden."

"Laat ik u vertellen, Baas Piet," viel Galant in, "ik kan mos goed zien als een mens bang wordt, en ik verzeker u dat daar niet één haar op Baas Dirkie z'n kop was, dat bang was. Hij was zo koel als een komkommer. Had hij niet zo gauw gevuurd, dan had die verduikerste leeuw mij zomaar stuk gemaakt."

Een glimlach plooide de lippen van Uijs, toen hij hernam: "Ik ben blij om dat te horen, Galant, maar zeg jij me nu, was jij zelf niet bang?"

"Ah, nee, oubaas!" riep de oude, merkbaar verontwaardigd uit. "Nou vraagt u me tegen beter weten in; wanneer heeft Baas me al bang gezien? Dat is zo, ik heb een slecht schot gedaan, want in plaats van de leeuw de kogel voor de kop te geven, heb ik net zijn bek gebroken; maar dat was niet van bangheid, dat was de schuld van mijn ogen; ze zijn niet meer zo goed als vroeger, toen oubaas nog niet boe of ba kon zeggen."

"Dat is zo, Galant, ik maakte maar een grap met jou. Niemand weet beter dan ik, dat je geen lafaard bent."

"Ah ja, als Baas Piet dat zegt, dan is de hele wereld weer recht," hernam de in zijn eer getaste Galant. "Ik verzeker de Baas dat de kleinbaas en ik, geen van twee bang waren."

"Wel, Dirk, het doet me goed te weten dat je hart op de rechte plaats zit. Blijf met het oog op God altoos zo, en je zult geen schande over de naam van Afrikaner brengen. Binnen kort zullen we tegen Dingaan optrekken, en dan ga je met Galant mee, zoals ik beloofd heb. En nu, Galant, wat heb je me nog te vertellen?"

"Ja, Baas Piet, mijn ounooi zal u kunnen vertellen, of ik haar goed over de weg gebracht heb. Ik heb geprobeerd op te passen, zo goed als ik kon, maar er zijn daarom een paar plaagplekken, die ik aan Baas moet bekend maken. Witlies z'n vaarskalf heeft lamziekte gekregen en is doodgegaan. Ik heb hem gedokterd, maar dat heeft niks geholpen. En Koelman, oubaas z'n hot vooros, hij was zoals Baas weet al banja oud, hij heeft losse tanden gekregen en wou niet vreten; toen we 's avonds aan de overkant van de berg uitspanden, zag ik, dat zijn tijd voorbij was. Ik heb banja jammer gehad, maar de andere morgen moest ik hem afslachten en zijn vel hebben we saamgebracht. Dat is al wat ik aan Baas kan overbrengen. Daar is net nog één ding, dat ik meen dat Baas van mij moet vernemen. Daar is dat ongeluk met Baas Andries Viljoen z'n wagen. Geloof me, Baas Piet, ik heb gekeerd en geprobeerd zoveel als ik kon, om de wagen in 't pad te houden; maar de donder heeft gedreund, de ossen hebben gebulkt, en het volk heeft geschreeuwd en toen ik weer tot mezelf kwam, lag de wagen en de twee achterossen al in de kloof. We konden 't niet helpen. Ik weet, ik heb mijn best gedaan. Baas Piet moet nou net proberen en voor Baas Andries weer een andere wagen krijgen."

"Goed, Galant, je hebt weer zoals altoos je plicht gedaan en getoond, dat ik op jou staat kan maken. Ik blijf jou dankbaar. Maar kom, de nacht breekt aan en we zijn allen vermoeid. Laat ons gaan slapen."

De volgende dag vinden wij in de morgen de voorste afdeling van de tent van Uijs met de voormannen van zijn trek gevuld. Onder hen neemt Barend Greyling een eerste plaats in. Voorts vinden wij er onder anderen onze oude vrienden Klaas Labuschagne en Louis Nel terug. Ook Andries Viljoen ontbreekt niet; hij ziet er vergenoegd en tevreden uit, en geen wonder: het verlies dat hij geleden heeft is hem, en terecht, vergoed, en hij neemt, wat aardse goederen betreft, weer dezelfde positie in als te voren; en wat meer zegt, de aandacht van zijn tochtgenoten is in het biezonder op hem gevestigd geworden, en hij geniet een zekere mate van onderscheiding, die hem vroeger vreemd was.

Toen de vergadering op de gewone wijze geopend was, nam Uijs het woord. "Broeders," zei hij, "we zijn heden bijeengekomen, om een zaak te beslissen, die voor ons niet alleen, maar voor de gehele trek van buitengewoon gewicht is. Er moet een aanvoerder aan het hoofd van de trek worden geplaatst. Deze zaak werd reeds in een vergadering besproken, toen velen uwer nog met de wagentrek aan de andere kant der bergen waren. Toen werden drie mannen genoemd, namelik Gert Maritz, Hendrik Potgieter en ik zelf. Te oordelen naar hetgeen ik van de lippen van de achtenswaardige Gert Maritz heb horen vallen, zal hij gewillig zijn zich te onderwerpen, indien de keuze van de meerderheid ten voordele van Potgieter of van mij mocht uitvallen. Wat Potgieter aangaat, hij heeft openlik verklaard, dat hij niemand als aanvoerder zal eerbiedigen, en over de bergen terug zal keren, als hij niet gekozen wordt. Daarop heb ik gevraagd de beslissing uit te stellen totdat mijn gehele trek hier zou zijn, en ik mijn mannen zou kunnen raadplegen. Met dit doel dan heb ik u heden bijeengeroepen, en laat het tans aan u over voor mij te beslissen."

't Was Barend Greyling die het eerst 't woord nam. "Kommandant," zei hij, "toen wij u als voorman kozen, deden wij dit uit eigen vrije wil, en met het volste vertrouwen op uw vastberadenheid en doorzicht. Bij mij is dat vertrouwen niet verminderd; integendeel, het is meer en meer aangegroeid en versterkt. Derhalve meen ik dat het aan u staat om in deze te beslissen. Indien ge besluit, hetzij Maritz, hetzij Potgieter als hoofdaanvoerder te erkennen, zal ik daarin berusten. Ik zou het echter diep betreuren als er verdeeldheid in ons midden moest ontstaan over het aanvoerderschap."

"Ik wens slechts één vraag te doen," zei Louis Nel. "Heb ik de Kommandant goed verstaan, dat Hendrik Potgieter gezegd heeft te zullen weigeren hem of Gert Maritz te erkennen, als de meerderheid ten gunste van een hunner zou beslissen?"

"Ja," antwoordde Uijs, "Potgieter heeft duidelik verklaard dat hij niemand anders als aanvoerder zou eerbiedigen, en ingeval hij niet gekozen werd, met wie hem volgen wilden, Natal zou verlaten. Om niets voor u geheim te houden, kan ik er bijvoegen, dat hij nog gezegd heeft, dat ik over de bergen was getrokken met het doel om hem te onderkruipen."

"Welnu," hernam Nel, "dan zal ik, al sta ik ook geheel alleen, weigeren om hem als aanvoerder te erkennen, al kiest de meerderheid hem ook. Wij zijn allen vrije mannen. Om volkomen vrij te zijn, ben ik hierheen getrokken. Ik ben bereid mij ten volle te onderwerpen aan enige beslissing van een meerderheid der onzen, maar niet aan het gezag van iemand, die zelf niet onder de meerderheid buigen wil. Zodanig persoon zou een dwingeland zijn. De stem van ons volk, de stem van de meerderheid, moet als hoogste gezag onder ons gelden, en wie zich daaraan niet wil onderwerpen, welnu, de gehele wereld staat voor hem open."

"Kommandant," zei Andries Viljoen, "nu wil ik openhartig uitspreken. De reden waarom oom Kasper Strijdom en velen met hem, waaronder ik mijzelf tel, van de Grote Trek zijn teruggetrokken, was de onenigheid die in ons midden over het Kommandant-Generaalschap dreigde te ontstaan. Oom Kasper waarschuwde ons, dat aanvallen van buiten en getwist van binnen, een dubbel gevaar daarstelden, waartegen wij niet zouden kunnen bestaan. Wij weten dat oom Hendrik Potgieter een dapper man is. Waarom zullen we hem niet als leider kiezen? Door uw woorden was het, oom Pieter, dat ik en anderen met mij, teruggekeerd zijn. Nu reken ik er op dat ge uzelf gelijk zult blijven. Er moet een plan gevonden worden om tot eenheid te geraken."

"Maar," zei Greyling, "als Potgieter de meerderheid krijgt, dan kan ik nog niet inzien, dat wij de trek behoeven te verlaten. Ik vraag mezelf af: Wat was eigenlik het doel, waarmede we hier zijn gekomen? Zekerlik niet om te beslissen wie Kommandant-Generaal zou zijn, maar ons doel was onze broeders tegen de zwarte vijand te helpen. Wat zouden we gedaan hebben, indien we bij onze aankomst hadden bevonden dat de hoofdaanvoerder reeds gekozen was? Zouden we dan gezegd hebben: Nee, er moet een nieuwe verkiezing plaats vinden, anders trekken we terug? Ik ben zeker, wij zouden dat niet gedaan hebben, maar onze broeders hebben geholpen, totdat de slag geleverd was. En waarom zullen wij nu niet hetzelfde doen? Laat ons onder onze eigen Kommandant onze broeders helpen, en hebben wij eenmaal Dingaan gestraft, dan is het gevaar voorbij, en zal de toekomst ons leren wat ons te doen staat."

Een bejaard man, Jacobus Naudé, nam het woord en vroeg: "Moet ik neef Barend goed verstaan? Is zijn mening, dat wij onder onze eigen Kommandant zullen blijven, en slechts als hulptroepen met hem Hendrik Potgieter zullen volgen, als hij tot leider verheven wordt?"

"Ja, oom Koos, dat is mijn mening. Ik wil geen ander dan mijn eigen Kommandant als mijn hoofd erkennen. Maar mijn beschouwing is, dat wij hier zijn gekomen om te helpen, niet om de wet voor te schrijven. Laten de anderen kiezen wie zij willen, wij blijven vrij, zoals wij tot heden toe nog waren, en als wij uittrekken, staan wij onder onze Kommandant, die in overleg met de andere Kommandanten alle zaken verder kan regelen."

"Daar kan ik me niet mee verenigen," hernam Naudé. "Als we eenmaal een Kommandant-Generaal gekozen, en onder hem de oorlog tegen Dingaan tot een gelukkig einde hebben gebracht, dan spreekt het als van zelf, dat hij, in tijden van oorlog aan ons hoofd gestaan hebbende, ook in tijd van vrede, het hoogste woord zal willen voeren. Nu wat Hendrik Potgieter betreft. Ik ken hem van kindsbeen af. In de oorlog moge hij goed zijn, maar, om als wij ons gevestigd hebben, hoofd van ons bestuur te zijn, daarvoor deugt hij niet. Hij zou het vijfde wiel aan de wagen zijn."

"Ik stem samen met oom Koos," hervatte Louis Nel, "en ik wil verder gaan. 't Is waar, wij zijn hier gekomen om te helpen, maar ik kan niet inzien waarom wij, als de vijand met onze hulp overwonnen zal zijn, ook niet de vruchten van de overwinning zullen genieten. Het land is breed en ruim genoeg voor ons allen. Het is een heerlik land. Ik ben dit voortdurend rondtrekken moede en heb mij voorgenomen, in de eerste plaats te helpen om het land schoon te maken, en in de tweede plaats mij hier te vestigen. Intussen volg ik geen andere aanvoerder dan Piet Uijs."

"Mij schijnt het," zei Andries Viljoen, "alsof de voorspelling van oom Kasper Strijdom ten volle zal worden bewaarheid. Maar wat zegt Kommandant Uijs? Ik wil beslist zijn gevoelen weten, want zijn woorden hebben mij bewogen, terug te keren, toen ik reeds met alles wat ik bezat mij buiten de grenzen van Natal bevond."

Voordat Uijs antwoorden kon, werd het gordijn van de tent opgeheven, en trad de waardige Sarel Cilliers naar binnen, gevolgd door Frans van Staden.

De eerste nam het woord en zei op de indrukwekkende wijze, hem eigen: "Broeders, ik hoop en vertrouw, dat onze komst geen stoornis onder u verwerkt; mocht dat zo zijn, dan zullen we ons dadelik weer verwijderen. Belangstelling in het welzijn van de trek heeft mijn schreden hierheen gedreven. Ik weet dat ge tans beraadslaagt over de aanstaande verkiezing van een Kommandant-Generaal. Ook anderen beraadslagen daarover, en op ditzelfde ogenblik worden er in het lager andere vergaderingen gehouden. Broeders! de verdeeldheid onder ons wordt groot. Ik vraag u: zullen wij, die te zamen de vijand en de dood onder de ogen hebben gezien, tans door eerzucht en stijfhoofdigheid uit elkander worden gedreven? Denk er toch aan, hoe de vijand zich verheugen zal, hoe verontwaardigd onze stamgenoten in de Kolonie zullen zijn, indien wij op deze wijze ons maatschappelik bestaan zelf vermoorden. Ik kan het zien, dat ge nog tot geen besluit gekomen zijt, en ik wil u aanraden, vóór ge afdoende beslist, te wachten tot de Krijgsraad weer bijeen is geweest, hetgeen morgen zal geschieden."

"Ge zijt, ons, zoals altoos, welkom, oom Sarel," antwoordde Uijs, "hoewel het misschien beter ware geweest, indien ik met de mannen van mijn trek deze zaak geheel onder elkander had kunnen bespreken. Voor ge binnen kwaamt, werd me een vraag gedaan. Die vraag heb ik mezelf dikwels gesteld, en het antwoord dat ik mezelf heb gegeven, geef ik tans aan de vergadering: Ik ben bereid mij aan de meerderheid te onderwerpen, indien die iemand anders als Hoofd-aanvoerder kiest, maar als de keuze op mij valt, verlang ik ook, dat die keuze door de minderheid zal worden ge?erbiedigd. Dit beschouw ik recht, eerlik en billik tegenover allen."

Een goedkeurend gemompel ging in de vergadering op.

"Broeders," zei Frans van Staden, "met verlof wil ik ook een woordje meespreken. Zoals een ieder in het leger weet, ben ik met hart en ziel voor Piet Uijs; maar, wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen, en in dit geval is dit ons algemeen belang. Hendrik Potgieter, houd ik mij verzekerd, zal stijf en sterk op zijn punt blijven staan, en ik wil voor een ogenblik aannemen, dat Piet Uijs hetzelfde doen zal. Welnu, in dat geval heb ik een ander plan uitgedacht. Wij zijn allen voornemens om ons in dit land te vestigen. Al spreken sommigen ook om weg te gaan, toch zullen er altijd genoeg achterblijven, zodra Dingaan maar eerst tot zijn plicht gebracht is. Is het land eenmaal schoon gemaakt, dan zullen wij een behoorlik bestuur moeten hebben, met iemand aan het hoofd, die andere plichten als die van een Kommandant-Generaal zal hebben te vervullen. Ook zal er een raad moeten zijn, door het volk gekozen, om wetten te maken en de geldzaken te regelen. Mijn plan is dan eenvoudig, om als wij een Kommandant-Generaal kiezen, hem goed te doen verstaan, dat hij alleen in krijgszaken en in niets anders gezag zal kunnen uitoefenen. Kunnen wij niet eenstemmig worden omtrent de keuze, of zijn er velen die zich aan de meerderheid niet willen onderwerpen, dan blijft iedere aanvoerder aan het hoofd van zijn afdeling, en de Krijgsraad staat aan het hoofd van allen."

"Uw plan is goed, oom Sarel," zei Greyling, "maar als wij er mee tevreden zijn, zullen de partijen van Potgieter en van Maritz daarbij berusten?"

"Dat kunnen we niet verzekeren," hervatte Sarel Cilliers; "om die reden vragen we u, uw beslissing uit te stellen, totdat wij de zaak morgen in de Krijgsraad ter sprake zullen hebben gebracht. Wij willen intussen van ieder partij afzonderlik de verzekering trachten te krijgen, dat als de Krijgsraad beslist hiertoe over te gaan, allen zich dan zullen onderwerpen. Dus zouden wij gaarne uw antwoord willen hebben, Kommandant Uijs!"

"Ik ben niet bereid dat dadelik te geven. Een zaak als deze vereist overweging alvorens ik voor mezelf beslissen kan. Bovendien, mijn manschappen zijn eveneens er bij betrokken, en zonder hun goedkeuring zou mijn beslissing niets betekenen."

"Kommandant," hernam Jacobus Naudé, "ge zijt onze gekozen voorman, en naar mijn beschouwing ons volste vertrouwen waardig. Wat anderen denken, weet ik niet, maar mij is het duidelik, dat al verspraken wij ook de gehele dag, wij als de zon ondergaat nog even ver zouden zijn; of wellicht een verkeerd besluit zouden genomen hebben. Derhalve ben ik er voor, dat we tans de gehele zaak in uw handen laten, en berusten in wat gij doet."

Er heerste enige ogenblikken stilte in de vergadering, eindelik afgebroken door de eenparige uitroep: "Laat onze Kommandant beslissen!"

"Welnu, het zij zo," hernam Uijs. "Ik blijf u dankbaar voor uw vertrouwen, broeders, en zal, als de tijd komt, beslissen, doch tans nog niet. Ik verwacht echter van ieder man, dat hij zich zonder tegenspraak aan mijn beslissing zal onderwerpen."

"Dat zullen wij allen," klonk het eenparig.

"Wanneer zullen we u dan weer kunnen zien, Kommandant?" vroeg Cilliers.

"Ik wens," antwoordde Uijs, "ernstig te overwegen wat mij te doen staat, en ik zal heden avond, na het eten te uwer beschikking zijn."

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022