Eens pelgrimsdag te Solowetsk.
De dag van den pelgrim begint in den vroegen morgen en duurt tot den laten avond. Wij zijn nu ook pelgrims: volbrengen wij dus onzen plicht.
Twee uur na middernacht, als het nauwelijks donker geworden is in onze cellen, worden wij gewekt door een monnik, die den langen gang afwandelt, met zijne schel luidende en roepende: ?Staat op, en komt ten gebede!" Wij schieten haastig onze kleederen aan, en spoeden ons, uit onze warme kamers, naar buiten; mannen en vrouwen, knapen en meisjes, zeelui en houthakkers, komen haastig aangeloopen naar de heilige-poort.
Te half drie beginnen de eerste metten in de nieuwe kerk, aan de moeder gods gewijd, waarin het gebeente van Sint-Savatius en Sint-Zosimus wordt bewaard. Alle lampen branden; en de met levensgroote heiligenbeelden beschilderde, rijk vergulde wanden en beschotten stralen in dien rosachtigen gloed. Mannen en vrouwen, soldaten en boeren richten zich naar den hoek der kerk, waar de lichamen der heiligen rusten; allen maken tot zeven malen het teeken des kruises, neigen hun hoofd ter aarde, en kussen den steenen vloer voor het gewijde graf.
Wij scharen ons in rijen voor het altaar, met genoeg tusschenruimte dat ieder knielen en den grond kussen kan zonder zijn buurman te hinderen; daar staan wij, blootshoofds, terwijl de pope de liturgie voorleest, die de monniken met hun gezang begeleiden. Deze metten zijn eerst te vier uur afgeloopen.
Eene tweede dienst begint te half vijf in de oude kathedraal, en duurt een uur; de ijverigste pelgrims haasten zich, zoodra de eerste pope den zegen gesproken heeft, om de kathedraal te bereiken, waar zij op nieuw hunne gebeden uitstorten en den vloer kussen, tot ook de tweede pope hun zijn zegen geeft.
Als deze dienst is afgeloopen, blijft den pelgrims een uur over, dat zij doorbrengen, hetzij biddende bij de graven der heiligen, of wel wandelende in eene lange overdekte galerij, die verschillende kerken en andere gebouwen met elkander verbindt. Langs de wanden dezer galerij hebben russische schilders van den ouden tijd, in ruwe, ongekunstelde tafreelen, die zaligheden des hemels, de smarten van het vagevuur en de folteringen der hel voorgesteld. Deze schilderijen maken blijkbaar een diepen indruk op onze medepelgrims, hoewel zij in oorspronkelijkheid en dramatisch effect niet kunnen wedijveren met soortgelijke voorstellingen in de oude gothische kloosters langs den Rijn.
Te zeven uur luiden de klokken voor de vroegmis; wij spoeden ons naar de Lieve-Vrouwekerk, waar wij, na andermaal voor het graf te hebben geknield, op nieuw onze plaats innemen voor het altaar, en gedurende anderhalf uur aandachtig luisteren naar de heilige dienst, met groote geestdrift gezongen.
Het is nu ongeveer negen uur geworden; de zwakkere broeders mogen thans een kop thee gebruiken; maar de sterke pelgrim ontzegt zich dit genot, als eene verzoeking des satans: en zelfs de zwakke broeder heeft niet veel tijd om zijn geurigen drank te genieten. De groote klok in den kloosterhof, een geschenk van den regeerenden keizer, waarschuwt ons dat de voornaamste plechtigheid van den dag weldra zal aanvangen.
Met klokslag van negenen verzamelen zich de monniken in de kathedraal, om de hoogmis te vieren. De vergadering is voltallig; de lampen en kaarsen zijn aangestoken; de diaken begint zijne voorlezing; de geestelijke zingen hunne responsori?n; en de dienstdoende priester, in zijn schitterend koorkleed gedost, reciteert de overoude Slavische liturgie met hare mystieke gebeden en lofverheffingen, begeleid met koorgezang en statige muziek. Twee uur achtereen staan wij daar, tegenover het van goud en kleuren stralende altaarscherm, op den granieten vloer, blootshoofds, velen ook barrevoets, in stille verrukking luisterende naar deze edele, indrukwekkende tonen, mede getuigen van eene heilige, plechtige ceremonie.
De hoogmis is afgeloopen; en langzaam stroomt de schare uit de kerk naar de lange galerij, waar wij nog even ons hart kunnen ophalen aan de schilderijen van hel en vagevuur, tot een monnik het etensuur aankondigt: eene aankondiging, ook den vroomsten pelgrim welkom. De eetzaal is een overwelfd vertrek of liever ruimte beneden de kathedraal, en zou in ieder ander land eene krypt worden genoemd. Maar bij het bouwen behoort men op het klimaat te letten. In Rusland kan, bij de groote afwisseling van hitte en koude, dezelfde kerk niet voor winter en zomer dienen: daarom zijn, althans in het noorden, de meeste heiligdommen in eene boven- en eene benedenkerk verdeeld; de bovenkerk wordt des zomers de benedenkerk des winters gebruikt. Onze eetzaal te Solowetsk is de winterkerk.
Langs de wanden en rondom de zware zuil, die het gewelf schraagt, zijn lange tafels geplaatst; op die tafels staat voor iederen gast een tinnen bord, waarin een houten lepel; een mes en een vork; nevens het bord ligt een roggebrood van een pond gewicht. De pelgrims eten in groepen van vier, evenals de monniken. In het midden van elke groep staat een kleine tinnen schotel, bevattende een in vier stukken gesneden gezouten sprot, en vier schijfjes rauwe uien; voorts krijgt iedere groep een koperen terrine met zure kwas, en een schotel gekookte stokvisch, in kleine mooten gesneden.-Een bel wordt geluid: wij rijzen allen op, maken zevenmaal het teeken des kruises, neigen ons ter aarde, en zetten ons weder neder. De voorzitter van elke groep strooit zout en peper in den schotel, en roert de soep om met den lepel, waarmede hij zijn kwas gebruikt. Weer luidt de bel: wij bedienen ons van de stokvisch. Een lezer plaatst zich voor den lessenaar, en leest de geschiedenis van een of anderen heilige, terwijl een knaap rondgaat met een korf met wit brood, door den priester gezegend en in stukken gebroken. Iedere pelgrim neemt daarvan een stuk, en eet dat, telkens het teeken des kruises makende, tot hij zijn brood genuttigd heeft.
Eene woning in het noorden van Rusland.
Ten derdenmale klinkt de bel. Algemeene stilte; een zacht gemurmel van gebeden. Bedienden treden binnen; onze borden worden weggenomen, en een tweede gerecht aangedragen, bestaande uit groentensoep. Dit gerecht is spoedig gebruikt. Een nieuwe lezer gaat voor den lessenaar staan, en vervolgt de levensgeschiedenis van den heilige. Weer wordt er gebeld; op nieuw kruisen allen zich bij herhaling; de bedienden verschijnen, en ten tweeden male worden de tafels afgenomen.-Een nieuw gerecht wordt opgedragen: haringsoep; de visch, in de baai nabij het klooster gevangen, smaakt uitmuntend. Weer een lezer; weer een stuk levensgeschiedenis; en dan een vijfde gelui.
Het vierde en laatste gerecht verschijnt: eene soort van podding van gerstemeel, die met melk wordt gegeten. Weer een lezer; nogmaals een brok van eene heiligen-biographie; en dan een zesde bel. De pelgrims staan op; de lezer zwijgt en breekt midden in zijn verhaal af; onze maaltijd is gedaan. Toch nog niet geheel. Op nieuw scharen wij ons in het gelid; de vrouwen, die in eene andere kamer gegeten hebben, komen in de zaal terug, en te zamen heffen wij een psalm aan. Dan staan wij voor eenige oogenblikken, in stille overdenking, met gebogen hoofd, terwijl een pope aan iederen pelgrim een stuk gewijd brood uitreikt. Nogmaals klinkt het schelletje; de monniken heffen een danklied aan; een pope spreekt den zegen; en de aanzittenden gaan huns weegs, versterkt door het genot van brood en visch.
Het is nu ongeveer twaalf uur. De eerstvolgende kerkdienst begint eerst kwart voor vieren. Wij hebben dus al den tijd, en kunnen dien best besteden. Wij kunnen het klooster bezoeken; naar het heilige-meer wandelen; het graf van Sint-Filippus bezien; de graven der vroomste en beste monniken bezoeken; wij kunnen in de sakristie de priesterlijke gewaden en kostbaarheden gaan bewonderen. Of wel, wij kunnen in booten naar een der naburige eilanden varen: naar Zaet, waar twee oude monniken wonen, en eene talrijke kudde schapen in de weide graast; naar Muksalmi, waar ons het geloei van runderen en het gekakel en gekraai van gevogelte in de ooren klinkt. Deze eilanden voorzien het klooster van melk, en eieren: want op het heilige-eiland zelf mag, volgens den regel van Sint-Savatius, geen vrouwelijk schepsel verschijnen.
Eene woning in het zuiden van Rusland.
Precies te kwart voor vieren roept een klok ons weder naar de kerk: in de kathedraal van onze-lieve-vrouwe begint de vesper. Wederom knielen wij bij het graf en kussen den kouden steen, de draperi?n, de ijzeren tralies; dan scharen wij ons weder voor het altaar en luisteren naar het gezang, dat door monniken en knapen wordt aangeheven. De dienst duurt tot half vijf. Na den afloop begeven wij ons naar de lange galerij, en beschouwen nog eens de zaligheden des hemels en de smarten der loutering. Vijf minuten voor zessen spoeden wij ons naar de kathedraal, waar de tweede vesper begint, en blijven daar staan, blootshoofds en sommigen ook barrevoets, tot half acht.
Te acht uur luidt de bel voor het avondmaal. Allen haasten zich aan die welkome uitnoodiging te voldoen; de monniken scharen zich in processie; de pelgrims volgen, en in plechtigen optocht begeven wij ons naar de krypt, waar wij, evenals bij het middagmaal, de lange tafels zien aangericht, met het pond roggebrood, de gezouten sprot, de in vier stukjes gesneden uien, en de koperen terrine met kwas. Onze avondmaaltijd is eenvoudig eene herhaling van het middagmaal: dezelfde gebeden, dezelfde buigingen en zegeningen met het teeken des kruises; ook het luiden der bel en het voorlezen van brokstukken uit de geschiedenis der heiligen ontbreekt niet. Het eenige onderscheid is, dat wij des avond geen gerstepodding met melk krijgen.
Als ieder naar genoegen gegeten heeft en de overgeschoten brokken zijn weggenomen, staan wij op, spreken een dankgebed uit, en heffen met de monniken den avondzang aan. Een pope spreekt den zegen, en wij zijn vrij om naar onze cellen te gaan. Een pelgrim, die lezen kan en goede boeken bij zich heeft, behoort echter, eer hij zich ter ruste begeeft, een psalm van David of een hoofdstuk uit de levens der heiligen te lezen. Te negen uur worden de kloosterpoorten gesloten; in den regel moet de pelgrim dan te bed zijn, om eenige uren te slapen.
Twee uren na middernacht gaat de monnik rond met de bel, en roept de slapende wakker, om de plichten van den nieuwen dag te vervullen.