De zwarte geestelijkheid.
Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. ?Weg met de monniken en kloosters!" is het wachtwoord van verreweg de meeste jonge vrijzinnige Russen.
En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen, verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken: eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten minste het land van eenig nut zijn.
Keizer Alexander II bezoekt het klooster van Solowetsk.
Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming, hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.
Een woestijn met kloosters bezaaid;-de naam zou niet slecht passen voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en voor Siberi?, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,-een afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;-en van Pskow, nabij het meer Pe?pus, tot Wassil aan de Wolga-een afstand van ongeveer zevenhonderd mijlen-is het gansche land als overdekt met kloosters, klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.
Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei, zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom, zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid; en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent, wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.
De oude steden van Groot-Rusland-Nowgorod, Moskou, Pskow, Wladimir,-zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen-Simonoff, Donsko?, Tro?tza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken naam te Kiew.
Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk, waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in het leven des volks en der individuen is:-een tijdperk, dat aan den middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.
In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand, en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij, op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en begaf zich naar Tro?tza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka (Philarethes de Kleine).
Het kerkhof van Tro?tza ligt op eene stille eenzame plek, aan den oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis op. In het klooster van Tro?tza kocht hij, voor twee kopeks per stuk, eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk, in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een kruis, dat hij nooit aflegt-het is dat, hetwelk hem bij zijn doop om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.
Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone russische begroeting: ?Het ga u wel!" sprak hij de lieden aan met de woorden: ?Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!" In zijne cel en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme, eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.
Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van den vromen man was toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid, zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid, zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen, zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling wendde hij zich tot de bruid en sprak: ?Als de feesten voorbij zijn, zult ge uw man met honing moeten zalven." Niemand begreep wat hij zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.
Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff, schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf heuvelen van Tro?tza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868, ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters worden nu door gewone monniken bewoond.
Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de overgeleverde pi?teit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland, waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader, die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.
De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen, maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de gave der wonderen-twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een land als Rusland.
* * *
Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden, sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige behandeling en toezicht.
Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen, zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen, noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen; nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.
Elia Kovielin.
Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen, maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken, brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke, en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten, staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den mond. Deze man nu heette ?uitzinnig om des Heeren wil."
De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.
In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk-de armenische, de koptische, de grieksche-werken deze richting in de hand: maar geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten; zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf jaren in dit levend graf door.
Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van Tro?tza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Gethsemané genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende, is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op den dag van Maria-Hemelvaart.-Aan gene zijde van het meer bevinden zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises, prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren, bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den grond kruipen allerlei ongedierten.
Een oud-geloovige.
?Hush!" fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij de rust der dooden zouden storen.-?Wat is dit voor eene opening in den muur?"-De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen fakkel. ?Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel is nu bij God!"-?Dood?"-?Dood voor de wereld-ja."-?Hoe lang is hij hier?"-?Hoe lang?-Elf jaar en langer."
Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt, heilzaam is voor lichaam en ziel.-Toen wij weer boven waren gekomen, vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht; wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst, om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te houden van hetgeen er al zoo omgaat.
Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd, toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita-zoo heet hij-is nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard, verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe oogen-ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid, brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer, zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.
In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert, met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter, als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot, mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand, is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors, en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims; hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien en het geld zal wegnemen.
* * *
Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden, ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.
Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.-Op tien mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp, die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit, terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande de lamp weder deed ontbranden!-Een tweede wonder volgde spoedig. Op zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim's cel; wachtende op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze hongerige schare? Hij riep tot God-en zie, twintig brooden lagen op zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden, dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.
Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man, die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.
Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de offici?ele heilige van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den regeerenden keizer.
Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk, werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend leven. ?Toen ik nog onderwijzer in de school was,-zoo verhaalde hij later aan een vriend-placht ik geheele nachten op te zitten, lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd; en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld te verlaten."
Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig, aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde, met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het gebruikelijke geeselen op de seminari?n. Deze hervorming was slechts een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen, en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden; dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. ?Gij moet doen wat Tikhon u zegt," spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander; ?anders zal hij u bij God verklagen." De bisschop zelf ging allen voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp behoefden. Het geheim van Tikhon's macht lag in zijn onberispelijken wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend hart:-trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? ?Gebrek aan liefde, placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende; hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te verzachten en te genezen."
Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien; naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig; en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid verdedigde en aanprees.
Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan, begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf, heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? ?Het was mijne schuld," antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins, hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knie?n wierp, diens handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.
Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen; vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien maatregel verbonden.
Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland, is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.
Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend, werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de Witte-zee waren gekomen.
In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet, had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en van hem alleen de hulpe te verwachten.
Ontginning van een russisch woud.
In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;-de archimandriet schreef een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit, op zeven mijlen afstands van de kust:-de archimandriet beval dat de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia (de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd door al de monniken. En zie-de beide fregatten lichtten het anker, en verwijderden zich.
Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd, bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de monniken hunne gebeden hervatten.
Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de Brisk en de Miranda te zijn, stoomden de baai binnen. De Brisk begon den aanval: zij vuurde met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of de archimandriet, die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen; de monniken, verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het binnenplein, en sloten de heilige-poort achter zich toe.
Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen; waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten en berekende zijne slagen. De Brisk vuurde dertig malen; slechts driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde van het schip gedrongen en had een man gedood.
De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski, en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht; maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.
De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de kathedraal gezongen; juist was het Te Deum ge?indigd, toen een sloep, de witte vlag voerende, van de Brisk afstak en naar de kaai voer. Zij bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van het klooster werd ge?ischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost, het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide, dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.
De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet, en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal, vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en sidderde op zijne grondslagen;-de ontzette schare wierp zich met het gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet zijn kinderen toe: ?Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer zal de zijnen bewaren!"-Opziende, zagen de monniken en pelgrims den eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd, terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.
Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen, en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over het sidderende klooster.
Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken: de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing, en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die daardoor in twee?n werd gebroken. ?Gaat voort!" riep de archimandriet, met zijn kruis zwaaiende,-en de schare ging voort, altijd voort.-Bij den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius, en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan, en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.
Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook; de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne lofzangen zingende.-En zie-de bommen en granaten der engelsche schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens, en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met heilige ontroering, de dank tot onze-lieve-vrouwe, de machtige en zegepralende Panagia!
De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen, niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag geduurd had.
De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der tijding dat een of andere turksche pasha de kerk van het Heilige-graf te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging, woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen: eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van 's keizers zonen zullen eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken, indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.
Een russisch dorp.