Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 7 No.7

De Heilige-eilanden.

Solowetsk, het voornaamste van eene groep eilanden, op eenigen afstand van de kust van Kareli? gelegen, is slechts eene kleine bloeiende plek gronds, tusschen de drie en vier mijlen lang, en twee tot drie mijlen breed. De hevige golfslag in deze bijna altijd door stormen bewogen zee heeft de uit veen en steenachtige lagen gevormde kust sterk aangetast, en eene menigte kreeken en inhammen gevormd; in het midden van het eiland is het water van weêrszijde zoover landwaarts ingedrongen, dat niet meer dan eene smalle strook overblijft, waarop het klooster is gebouwd.

Het Heilige-eiland ligt juist onder den zes-en-zestigsten graad noorderbreedte, iets noordelijker dan Watna J?kull. De vele, in het rond verspreidde, kleinere eilanden der groep leveren een schilderachtigen aanblik op; de schuimende golven der wilde zee, met bulderend gerucht op de rotsen brekende; de met donkergroene mossen begroeide stranden, waarboven zich de ernstig sombere pijn- en berkenbosschen verheffen; de grillig gevormde, ver in zee uitstekende kapen; de bochtige inhammen, waar het onstuimige water tot rust komt; de gele duinen en tamelijk hooge, met bosschen bedekte heuvelen:-dit alles te zamen vormt een landschap van onbetwistbare romantische schoonheid. Op elken heuvel troont eene witte kerk, die haar groenen, met een verguld kruis versierden koepel boven het geboomte verheft. Het land, de lucht en de zee, alles is in harmonie, boeit en bekoort u; het geheele tafereel laat een onuitwischbaren indruk achter, dubbel aangrijpend voor ons, na den doorworstelden bangen stormnacht.

Terwijl wij, na aan land gestapt te zijn, langs de kaai voortwandelen, merken wij met genoegen overal de teekenen van leven en welvaart en beweging op. Lappen, Russen, Samojeden, lieden van allerlei nationaliteit en afkomst, loopen op de kaaien heen en weder: Solowetsk is niet alleen een gewijd oord, een soort van toovereiland, maar ook een brandpunt van beschaving. De aanlegplaats is ruim, de haven gemakkelijk en doelmatig ingericht. Aan onze rechterhand zien wij het dok, waarvan Vader Johannes met zoo billijken trots heeft gesproken. De Hoop, die eigenlijk voor het vervoer der pelgrims is bestemd, en daar ook veel beter voor geschikt is dan de Verra, waarmede wij den overtocht gedaan hebben, ligt daar onttakeld.-Ter linkerhand verrijst het logement voor de vreemde gasten: een smaakvol, bevallig, sierlijk gebouw, dat gerust de vergelijking zou kunnen doorstaan met de fraaiste hotels aan de italiaansche meren. Verderop zien wij nog een paar kranen, en een paardenspoor, dat van de haven naar een groot magazijn van koopwaren loopt.

Langs de kaai strekt zich een lange muur uit, met poorten en torens voorzien. Achter dien muur verrijzen de gebouwen van het klooster, met het paleis, en de vele koepels en vergulde kruisen. Een breede trap, waarvan de onderste treden door de golven overspoeld worden, voert naar de Heilige-poort; vlak daarbij staan twee votief-kapelletjes, die de plaatsen aanwijzen, waar Peter de Groote en Alexander II, bij hun bezoek te Solowetsk, aan wal stapten.

Al de gebouwen dragen een onbedriegelijken stempel van hechtheid en sterkte; sommigen zijn betrekkelijk vrij oud. De geduchte muren en de zware torens zijn, in de laatste helft der zestiende eeuw, van reusachtige, uit zee opgevischte steenblokken gebouwd. Het paleis, de kerk en de klokketoren, binnen deze omwalling gelegen, zijn de oudste gewrochten van menschelijke kunst op dit afgelegen eiland. De kerk der Transfiguratie is veel ouder dan de buitenmuur; die der Hemelvaart dagteekent uit den tijd toen Sint-Filippus prior van Solowetsk was. Maar behalve door deze aantrekkelijkheid van den ouderdom, boeit het Heilige-eiland u ook door den zin voor kunst, het gevoel voor kleur en harmonie, dat overal uit de monumenten spreekt. De votief-kapellen, hier en daar in het donkere lommer der bosschen verscholen, doen eene wonderschoone uitwerking; de roode kruisen, in menigte langs den oever geplant, geven aan het geheele landschap een eigenaardig ernstig karakter. Eenige ruwe, maar toch niet geheel onverdienstelijke fresko's versieren den voorgevel der oude kathedraal. Het gewelf der Heilige-poort is evenzoo met schilderwerk getooid; de torenspitsen en koepels der kerken zijn een lust voor het oog, en schitteren u reeds van verre tegen met haar levendig groene verwen en rijke verguldsels.

Hoog boven alle andere gebouwen welft zich een hemelsblauwe, met gouden sterren bezaaide koepel, die in de eerste plaats de blikken der pelgrims tot zich trekt. Met dankbare verrukking staren zij hem aan: want die koepel kroont eene nieuwe kerk, gesticht ter herinnering aan het gedenkwaardige jaar 1854, toen de engelsche vloot door de genadige tusschenkomst der moeder Gods werd overwonnen.

Van binnen ziet het klooster er veel indrukwekkender en veel prachtiger uit dan van buiten. De muren, de torens, de kerken, het logement voor de vreemdelingen, de gevangenis: alle gebouwen in één woord, zijn van gehouwen en gebakken steenen opgetrokken. Geen portaal, geen galerij, geen gang, die niet met schilderwerk is versierd. Het is waar: deze schilderijen staan, als kunstwerken, op geen hoogen trap; maar ondanks de onbeholpenheid en ruwheid der uitvoering, maken toch deze tafreelen, aan de schrift ontleend, een stichtelijker indruk dan eenvoudige witkalk. Het schilderwerk in de kerk, op de zuilen en de beschotten, die het koor van het schip afscheiden, draagt blijken van hooger ontwikkelde kunstvaardigheid: hoewel ook dit zeker geen genade zou vinden in de oogen van hen, die alleen voor de meesterstukken der italiaansche school hunne bewondering over hebben. De teekening is zeer dikwijls zwak, de kleuren zijn schel en zonder harmonie, de gouden versiersels zijn in veel te kwistigen overvloed aangebracht; toch laat dit moza?ek van goud en kleuren u niet koel, vooral niet wanneer de lampen zijn aangestoken, het statig psalmgezang door de gewelven weergalmt, de blauwe wierookwolken opwaarts kronkelen, en de monniken met hunne lange tabbaarden en zwarte kappen, in eerbiedige houding, voor de koninklijke poort geschaard staan.

Tegen den muur van het klooster, dicht bij de Heilige-poort, staat een net wit gebouwtje, dat den naam draagt der kerk van het wonder. Een pelgrim, zoo luidt de overlevering, die op deze plek een stuk tarwebrood at, hem door een weldadigen pope geschonken, liet eenige kruimels daarvan op den grond vallen. Aanstonds schoot een hond, van zonderlinge gestalte, toe, om deze kruimels op te happen; maar het brood begon zich in den muil van het dier te bewegen, zoodat hij het niet door kon slikken. Die hond nu was niemand anders dan de duivel in eigen persoon. Verschillende menschen waren getuigen van deze overwinning, door het gewijde brood op den vorst der duisternis behaald; en de monniken van Solowetsk stichtten, tot een aandenken, een kapel op de plek waar dit wonder was geschied.

De dagen van ons verblijf waren grootendeels gewijd aan verschillende uitstapjes, te voet, te paard of met eene boot, naar de omliggende eilanden. Overal dezelfde schoone, indrukwekkende landschappen, rijk aan afwisseling en toch zoo geheel hetzelfde karakter dragende. Met stille verrukking dwalen wij door de dennen- en berkenbosschen, waar de fiere stammen als zuilen ten hemel rijzen, en in het dichte kreupelhout kleurige bessen en bleeke noordsche bloemen den wandelaar aanstaren. Van tijd tot tijd opent zich het ernstige woud, en volgt uw blik de sierlijke golving van eene vredige, groene vallei, in wier diepte een helder meertje sluimert. Verkwikkende geuren vervullen de lucht; een diepe, weldadige, heilige stilte ligt over het geheele landschap uitgebreid. Bij iedere kromming van den weg verrijst een smaakvol gebeeldhouwd, rood geschilderd kruis; aan het einde van ieder woudpad schuilt in het lommer eene met levendige kleuren beschilderde kapel, de stille woning van een of anderen kluizenaar. De grootste bekoorlijkheid dankt dit verrukkelijk schoonen landschap echter aan zijne schilderachtige meren, in de diepe schaduwen der pijn- en berkenbosschen verscholen, wier aantal op de verschillende eilanden meer dan honderd bedraagt. Tooverachtig schoon is de aanblik dier kalme, heldere waterkommen, van alle kanten door hoog, donker, ernstig geboomte omgeven, somwijlen met eilandjes bezaaid, vredig kabbelende in de ongestoorde eenzaamheid des wouds. Het beroemdste van al deze meren is het zoogenaamde Heilige-meer achter den muur van het klooster, waarin de pelgrims zich dadelijk na hunne aankomst gaan baden.

* * *

Geen vrouwelijk wezen mag in den gewijden archipel verblijf houden. Op Solowetsk zelf worden de vrouwen niet dan voor zeer korten tijd, om haar gebed te doen, toegelaten, en mogen zij, zonder bepaalde vergunning, niet overnachten. Dit verbod is afkomstig van Sint-Savatius, den eersten kluizenaar, die zich op deze eilanden vestigde.

Op zekeren dag, toen hij nabij een meer zijn gebed deed, hoorde hij plotseling een kreet, als van eene vrouw die in nood verkeert. In zijne cel teruggekeerd, verhaalde hij dit vreemde geval aan den monnik, die hem in deze eenzaamheid gevolgd was. Zijn metgezel beduidde hem, dat hij zich vergist moest hebben: in deze wildernis was toch geene enkele vrouw te vinden, en de kust van Kareli? was verre weg. De heilige man ging op nieuw naar buiten om te bidden; maar wederom werd hij gestoord door luid roepen, jammeren en snikken. Den oever van het meer volgende, ten einde te ontdekken vanwaar dat geluid kwam, vond hij eene jonge vrouw op den grond liggen, wier lichaam de sporen droeg van slagen en mishandeling. Het was de vrouw van een visscher. Op de vragen van den kluizenaar, verhaalde zij dat haar, kort na het vertrek van haar man, twee jongelingen waren verschenen, met stralend gelaat en in witte kleeding; deze jongelingen hadden haar gelast, het eiland te verlaten, er bijvoegende dat geene vrouw hier mocht overnachten, aangezien deze grond aan God was gewijd. Op hare weigering, hadden de jongelingen haar ter aarde geworpen en met roeden geslagen. Toen zij weder loopen kon, vertrok de arme vrouw in hare boot, en Sint-Savatius zag haar niet terug. Wel kwam haar man, als naar gewoonte, naar, Solowetsk om te visschen; maar hij verscheen steeds alleen. Aldus werd de vrouw door de engelen van het heilige eiland verdreven.

Sint-Savatius was monnik in het klooster van Belozersk te Nowgorod. Onvoldaan met den leefregel in zijn klooster, naar strenger tucht en meer volledige afzondering verlangende, wist hij een zijner medebroeders, Valaam geheeten, te overreden, hem te volgen naar de onherbergzame wildernissen langs de oevers der IJszee. De krijgshaftige bojaren ondernamen juist in dien tijd telkens nieuwe veroveringstochten naar het noorden: wat zij deden om glorie en voordeel, wat de kooplieden deden uit winzucht, zouden godvreezende mannen dat niet kunnen doen ter liefde van Christus? Na den nacht, voor het altaar geknield, in gebeden te hebben doorwaakt, togen dezen edelen en kooplieden naar hun aartsbisschop, en spraken tot hem: ?Vergun ons, o vladika! heen te gaan, ruiter en ros, om nieuwe landstreken voor Sinte-Sophia te veroveren; en geef ons uwen zegen!"-En de aartsbisschop gaf zijn zegen: en zij trokken heen vol nobele geestdrift, om te Kem, te Soumo, te Sorozka en op vele andere punten, nieuwe koloni?n te stichten, die de macht en de welvaart van het heerlijke Nowgorod hielpen vermeerderen. De groote daden der bojaren wekten bij Savatius de vurige begeerte op, hun voorbeeld te volgen, en op zijne beurt het zaad des levens te gaan strooien in de huilende wildernis, waarheen zij den weg hadden gebaand.

Savatius en Valaam namen den staf op en trokken door onbetreden wouden en naakte zandwoestijnen, altijd naar het noorden, tot zij, ten jare 1429, aan de oevers van de Wyg kwamen, waar zij een monnik vonden, Germanus genaamd, die mede uit het zuiden was gekomen. Alle drie richtten zich nu naar het oosten, en bereikten den oever der Witte-zee, vanwaar zij een eenzame eilandengroep uit de onstuimige wateren zagen opdoemen; zij bouwden nu eene lichte boot, om den zeearm over te steken, die hen van deze groep scheidde. Savatius en Germanus landden aan het grootste eiland, en hielden stil aan den zoom van een klein meer, aan den voet van een met dennen en berken beplanten heuvel. Van den top diens heuvels konden zij de gansche eilandengroep, en den breeden zeeboezem, van kaap Orloff tot de hooge kusten van Kem, overzien.

Savatius had eene beeltenis van de heilige-maagd medegebracht, die hij in eene eenvoudige, van planken getimmerde kapel ophing. Daarnevens bouwde hij voor zich en zijn metgezel een rieten hut, waarin zij te zamen een heilig en vreedzaam leven leidden, aan gebed en vrome overdenking gewijd. Na verloop van zes jaren, keerde Germanus naar de oevers van de Wyg terug. Savatius, alleen op zijn eiland te midden van den oceaan achtergebleven, kon de gedachte niet verdragen dat geen priester aan zijn sterfbed zou staan om hem de biecht af te nemen en na zijn dood in gewijde aarde te begraven. Hij zette zich dus in zijne boot, en kwam naar Sorozka, waar vader Nathana?l de prior, die zich bij toeval juist aldaar bevond, hem ontving en de laatste sakramenten toediende. De vrome kluizenaar had zijne taak hier op aarde voleind: hij legde zich neder om te sterven.

Het lijk werd in de zandige velden van Sorozka ter aarde besteld, en op zijn graf verrees eene eenvoudige kapel van dennenstammen, aan de heilige-drie-eenheid toegewijd. Sint-Savatius zou waarschijnlijk voor altijd daar eene vergeten rustplaats hebben gevonden, indien niet een ander man, van doorzettend en ondernemend karakter, zijne schreden naar deze plek had gericht.

Een moedig burger van Nowgorod, Gabri?l genaamd, had zich met Barbara zijne vrouw, in het pas gestichte dorp Tolvoi, nabij het meer Onega, gevestigd. Deze lieden hadden een zoon, Zosimus geheeten, die, van zijne kindsheid Gode gewijd, reeds als knaap de klooster-gelofte had afgelegd. Toen Zosimus den jongelingsleeftijd bereikt had, verdeelde hij zijne goederen onder zijne nabestaanden, nam den pelgrimsstaf ter hand, en richtte zijne schreden naar het noorden. Te Suma ontmoette hij Germanus, die hem verhaalde, hoe hij zes jaren lang, met Savatius, op zijne rots midden in de zee, als kluizenaar had geleefd. Zosimus, door dit verhaal levendig getroffen, bad Germanus hem de plek te wijzen, waar hij en Savatius zoo vele jaren in stille afzondering hadden doorgebracht. Germanus gaf toe: een gunstigen wind voerde de beide reizigers, in hunne ranke boot, naar het eiland, waar zij in eene kleine baai aan wal stapten. De oever was met hoog geboomte bezet, en weldra ontdekten de beide pelgrims, in de nabijheid der kust, een helder meer van zoet water, rijk aan visschen van allerlei soort.

Terwijl Zosimus op het strand geknield lag, had hij een verrukking van zinnen. Aan den oever van dat bevallige, schilderachtige meer zag hij, als in geestvervoering, eene indrukwekkende reeks statige kloostergebouwen met torens en koepels gekroond. Toen het gezicht verdwenen was, sprak hij met zijn vriend Germanus over dit verrukkelijk visioen: hij beschreef hem, tot in de kleinste bijzonderheden, het voorkomen en de verdeeling der gebouwen, met hunne muren en poorten, hunne torens en tinnen en koepels: in één woord, het gansche klooster, in al zijne heerlijkheid. De vrome reizigers twijfelden geen oogenblik aan de beteekenis van dit gezicht: zij velden aanstonds een boom, en hieuwen daarvan een groot kruis, dat zij in den grond plantten. Aldus werd het groene eiland-eene oasis te midden van de IJszee-plechtiglijk gode gewijd. Dit geschiedde in 1436, een jaar na den dood van Savatius.

De twee kluizenaars bouwden zich nu hutten, in de nabijheid van het door hen geplante kruis. De plaats, waar deze hutten gestaan hebben, wordt thans nog door twee kapellen aangewezen.

Kluizenaars op Solowetsk.

Weldra ging het gerucht van deze vrome jongelingen uit door het omliggende land, en verspreidde zich van klooster tot klooster; al spoedig kwamen eene menigte monniken zich bij hen voegen, vol ijver om de kluizenaars te helpen in de heilige taak, die zij hadden aanvaard. Het duurde niet lang, of nevens het nederige kruis van dennenhout verhief zich eene eenvoudige kerk, en daar geen der pelgrims de priesterwijding ontvangen had, zonden zij een hunner naar den aartsbisschop van Nowgorod, om zijn zegen op hun werk te vragen, en hem tevens te verzoeken hun een priester te zenden, die de kerk kon wijden en de mis bedienen. De aartsbisschop gaf aan hun wenschen gehoor, en zond Pavel, zijn dienaar, naar Solowetsk; deze wijdde de kerk en bediende de heilige mysteri?n der godsdienst; maar het ruwe klimaat dwong hem weldra, het opkomend klooster weder te verlaten. Hij werd opgevolgd door Theodosius, die weinige jaren te Solowetsk vertoefde, maar toen door ziekte genoopt werd den herdersstaf neder te leggen. Ditzelfde was ook het geval met Yon, den derden prior.

Het klooster op het eiland Solowetsk.

Na het vertrek van dezen laatste, hielden de monniken te zamen raad. Er waren nu ongeveer twaalf jaren verloopen, sedert Pavel de kerk had gewijd: en reeds hadden drie priors elkander in het bestuur over het klooster opgevolgd. De ondervinding had nu geleerd, dat mannen, die het grootste gedeelte huns levens in zuidelijker streken hadden doorgebracht, op den duur niet bestand waren tegen het ruwe klimaat van de Witte-zee. Zij besloten mitsdien den aartsbisschop te verzoeken, een uit hun midden tot prior te benoemen; en met algemeene stemmen kozen zij Zosimus, die altijd de ziel, en leider en het wezenlijke hoofd der kolonie was geweest, tot hun tijdelijk opperhoofd. Zosimus liet zich, op aandringen der broederen, de keuze welgevallen; hij nam den pelgrimsstaf ter hand en deed, te voet, de lange reis naar Nowgorod: een tocht van minstens driehonderd-vijftig mijlen, door eene landstreek, die toen, voor verreweg het grootste gedeelte, eene ongebaande wildernis was. Hij bereikte zonder ongeval de groote stad, en werd door den vladika tot priester gewijd; bovendien wist hij van de bojaren eene schenking van den archipel van Solowetsk aan het klooster te bekomen. Toen hij in het klooster terugkeerde, was hij met de dubbele waardigheid van pope en prior bekleed. Vergunning bekomen hebbende om de stoffelijke overblijfselen van Savatius, van Sorozka naar Solowetsk over te brengen, liet hij het lijk van den kluizenaar opgraven; het lichaam, dat nog geheel ongeschonden was, werd nu met groote staatsie naar het eiland vervoerd, en in de krypt der jonge kerk bijgezet. Zosimus regeerde als prior gedurende zes-en-twintig jaren, en stierf, door de broederen betreurd, in den reuk van heiligheid.

Dit meldt de overlevering aangaande de stichting van het klooster te Solowetsk.

* * *

Reeds voor mijn vertrek naar Archangel had ik van den bisschop een aanbevelingsbrief aan Feofan, den archimandriet (abt) van Solowetsk verzocht en verkregen, en dien vooruitgezonden. Nauwelijks was ik aan wal gestapt; of vader Hilarion, een monnik, die in het klooster zoo ongeveer de functi?n van minister voor de wereldlijke aangelegenheden vervult, kwam mij, uit naam van den archimandriet, tot een bezoek uitnoodigen. Ik trok haastig andere kleederen aan, en begaf mij daarop, met hem en vader Johannes, naar de Heilige-poort. In het voorbijgaan werpen wij een blik op de modellen van het jacht en het fregat van Peter den Groote, die hier bewaard worden: wij beschouwen vluchtig eenige oude fresko's, bestijgen een trap, en staan weldra voor de deur der woning van den archimandriet Feofan.

De archimandriet van Solowetsk is een aanzienlijk personage, die geen gezag in de kerk boven zich erkent, dan alleen dat der Heilige synode. Hij bewoont een paleis; hij geniet een jaarlijksch inkomen van vierduizend roebels; bovendien voorziet het klooster in de kosten zijner huishouding, zijner tafel, zijner kleeding, en zorgt voor het onderhoud zijner booten. Behalve zijn geestelijken titel voert hij nog dien van prins: hij bekleedt dus eene zeer hooge positie, en regeert, met bijna onbeperkt gezag, niet alleen over de lichamen, maar ook over de zielen zijner onderhoorigen.

Een klein mager man, met een ernstig sprekend gelaat, lange gekrulde haren en een zwaren baard, treedt ons tot aan de deur te gemoet. Zijn hoofd is gedekt met de gewone zwarte muts; op zijn eenvoudigen monnikstabbaard schittert een prachtig saffieren kruis. Dat is de archimandriet. Na vader Johannes zijn zegen geschonken en mij de hand gedrukt te hebben, geleidt hij ons naar eene kamer, met fraaie platen langs de wanden en zachte tapijten op den vloer; hij verzoekt mij plaats te nemen op een sofa nevens hem, terwijl de beide monniken zich op eenigen afstand houden.

De ontvangst is zoo vriendelijk mogelijk; de woning, het rijtuig, het jacht van den archimandriet worden, met de grootste wellevendheid, te mijner beschikking gesteld; geene moeite wordt gespaard om mij het verblijf in het klooster zoo aangenaam mogelijk te maken. Mijn vriendelijke, uiterst voorkomende gastheer zorgt zooveel mogelijk voor afwisseling, en laat zich zelfs iederen avond een getrouw verslag geven van de wijze waarop ik den dag heb doorgebracht.

Driehonderd monniken houden hun verblijf op het heilige-eiland. Aan hun hoofd staat natuurlijk de archimandriet; op hem volgen veertig monniken, die de priesterwijding hebben ontvangen en popen zijn; vervolgens zeventig of tachtig monniken, die de kloostergelofte hebben afgelegd; eindelijk de acolythen, de zangers, de dienende broeders, de novisen. De scholieren, de gasten de gehuurde bedienden, geen geestelijken, vormen eene klasse op zich zelf.

Deze broeders behooren tot elken leeftijd en tot alle standen der maatschappij: van den aanvalligen knaap, die aan tafel dient, tot den afgeleefden grijsaard, die zijne cel niet meer verlaten kan; van den monnik van adelijke geboorte en groot fortuin, tot den armen landlooper, die als een schooier op het eiland kwam. Zij dragen allen hetzelfde gewaad, eten aan dezelfde tafel, zeggen dezelfde gebeden op, leiden hetzelfde leven. Iedere broeder heeft zijne eigene cel, waarin hij arbeidt en slaapt; maar allen moeten op de uren des gebeds in de kapel, en op het etensuur in den reefter verschijnen, tenzij ziekte of groote lichaamszwakte hen daarin verhindert. Zij laten allen hun hoofdhaar en baard groeien, en besteden groote zorg aan deze mannelijke sieraden, waarop men in Rusland den hoogsten prijs stelt.

Onder deze eerwaarde vaders zijn er niet weinigen, die boven het alledaagsche peil verheven zijn. Voorzeker bevinden zich ook onder hen enkele bekrompen dweepers; maar den meesten is het ernst met hunne roeping, die zij uit wezenlijken aandrang des harten gekozen hebben. Een vrij aanzienlijk getal monniken zijn hier als gevangenen of boetelingen, uit kloosters in het zuiden en westen herwaarts gezonden. Deze laatsten vormen wel de belangwekkendste klasse van kloosterlingen. Hun misdrijf bestaat gewoonlijk in overdreven ijver; een kritischen, onderzoekenden geest, die met de bestaande toestanden geen vrede heeft; eene vurige begeerte naar hervorming, naar een terugkeer tot de zuiverheid der eerste tijden. Voor dergelijke gebreken heeft een gewone monnik geen medelijden, omdat hij van zulk streven en worstelen niets begrijpt; voor de ongelukkigen die daaraan lijden, wordt een verblijf van korter of langer tijd in de wildernis van Solowetsk een uitnemend geneesmiddel geacht.

Een archimandriet, door de heilige synode tot die hooge waardigheid geroepen, moet een man zijn van kennis en wetenschap, bekwaam om de broederen te onderwijzen en het hem toevertrouwde huis te regeeren. Hij moet een exempel zijn voor allen, dikwijls vasten, veel bidden, des morgens vroeg opstaan, en leven, zooals het den heiligen betaamt. De broeders slaan hun geestelijken vader nauwkeurig gade. Is hij streng jegens zich zelf, dan zullen zij gewillig zijne strengheid over hen dragen; maar wee hem, als hij zich zwak toont, als hij fijn linnen draagt, als geurige schotels op zijne tafel verschijnen, als de riumka-het fijne glaasje, waaruit de brandewijn gedronken wordt-te dikwijls zijne lippen beroert. De archimandriet weet dat aller oogen op hem zijn gevestigd, en al zijne handelingen nauwkeurig worden bespied. En het is niet gemakkelijk allen te voldoen. Deze broeder zou wenschen dat een strenger leefregel werd gevolgd; een ander oordeelt de tucht reeds nu te hard. Weet de archimandriet zich niet de genegenheid zijner onderhoorigen te verwerven, dan komen telkens en telkens klachten over hem in bij de heilige synode, tot eindelijk een onderzoek wordt ingesteld, en-ter wille van den lieven vrede-de aangeklaagde kloostervoogd naar elders wordt verplaatst.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022