Het bezoek in den molen.
?Wat zijn dat prachtige dingen, waar je mee thuis komt!? zei de oude pleegmoeder, en haar zonderlinge arendsoogen fonkelden, zij draaide haar mageren hals nog sneller dan gewoonlijk in allerlei zonderlinge bochten. ?Je hebt geluk, Rudy! Ik moet je een kus geven, beste jongen!?
En Rudy liet zich kussen, maar op zijn gezicht stond te lezen, dat hij zich in het onvermijdelijke, in dit kleine huiselijke lijden schikte.
?Wat ben je mooi!? zei de oude vrouw.
?Maak mij dat niet wijs!? zei Rudy en lachte,-maar het deed hem toch plezier.
?Ik zeg het nogmaals!? sprak de oude vrouw, ?het geluk loopt je mee!?
?Ja, daarin zoudt ge wel eens gelijk kunnen hebben!? zei hij en dacht aan Babette.
Nog nooit had hij zulk een verlangen gehad om naar het diepe dal te gaan.
?Zij moeten nu al thuis zijn!? zei Rudy bij zich zelf. ?Het is al twee dagen over den tijd, waarop zij terug zouden zijn. Ik moet naar Bex toe.?
Rudy ging naar Bex toe, en in den molen waren zij te huis. Hij werd goed ontvangen, en groeten van hun familie te Interlaken hadden zij voor hem meegebracht. Babette sprak niet veel, zij was geducht stil geworden; maar haar oogen spraken, en dat was voor Rudy voldoende. Het scheen, alsof de molenaar, die anders graag het hoogste woord had,-hij was er aan gewoon, dat men altijd om zijn invallen en woordspelingen lachte, hij was immers de rijke molenaar,-toch liever de jachtavonturen van Rudy hoorde vertellen, en deze sprak van de zwarigheden en de gevaren, die de gemzenjagers op de hooge bergtoppen door te staan hadden, hoe zij langs de onzekere sneeuwhellingen, die door weer en wind als het ware aan den kant der rotsen vastgekleefd zijn, en over de gevaarlijke bruggen moesten kruipen, die de sneeuwstorm over diepe kloven geslagen heeft. De oogen van den stoutmoedigen Rudy fonkelden, terwijl hij van het jagersleven vertelde, van de slimheid der gemzen en haar stoute sprongen, van den hevigen orkaan en de rollende lawinen; hij merkte het wel, dat hij bij iedere nieuwe beschrijving den molenaar gedurig meer voor zich innam, en vooral gevoelde deze zich bijzonder aangetrokken door hetgeen hij van den lammergier en den koningsadelaar vertelde.
Niet ver weg, in het kanton Walliserland, was een arendsnest, dat zeer kunstig onder een hooge vooruitspringende rots gebouwd was; in dit nest bevond zich een jong, maar dit was er niet uit te krijgen. Een Engelschman had Rudy eenige dagen geleden een heele hand vol goud aangeboden, als hij hem den jongen arend levend wilde bezorgen, ?maar alles heeft zijn grenzen,? zei Rudy, ?de arend is niet te krijgen, het zou een dwaasheid zijn dat te beproeven.?
De wijn vloeide en de gesprekken vloeiden, maar de avond was veel te kort, kwam het Rudy voor, en toch was het na middernacht, toen hij van dit eerste bezoek terugkeerde.
Het licht straalde nog een korten tijd door het raam van den molen door de groene boomtakken heen; uit het geopende luik in het dak kwam de kamerkat naar buiten en langs de dakgoot kwam de keukenkat aanloopen.
?Wil ik je eens een nieuwtje vertellen?? zei de kamerkat. ?Hier in huis heeft een heimelijke verloving plaats gehad. De oude molenaar weet er nog niets van; Rudy en Babette hebben elkaar den heelen avond op de voeten getrapt; mij trapten zij tweemaal, maar ik mauwde toch niet; want dat zou de aandacht getrokken hebben.?
?Ik zou toch gemauwd hebben!? zei de keukenkat.
?Wat in de keuken gaat, gaat niet in de kamer!? zei de kamerkat. ?Ik ben echter nieuwsgierig, wat de molenaar zal zeggen, als hij de verloving verneemt.?
Ja, wat zou de molenaar er wel van zeggen? Dat zou Rudy ook wel graag geweten hebben, maar lang wachten, voordat hij dit vernam, kon hij niet. Toen de omnibus eenige dagen later over de Rh?nebrug tusschen Walliserland en Waadland voortratelde, zat Rudy daarin, goedsmoeds evenals altijd, en verdiepte zich in liefelijke gedachten over het jawoord, dat hij dien zelfden avond nog dacht te krijgen.
En toen de avond daar was en de omnibus denzelfden weg terugreed, zat Rudy er ook in; maar in den molen liep de kamerkat met nieuwtjes rond.
?Weet je het al, jij, die altijd in de keuken zit?-De molenaar weet nu alles. Maar dat heeft een mooien afloop gehad! Rudy kwam hier tegen den avond, en hij en Babette hadden veel met elkaar te fluisteren en heimelijk te spreken, zij stonden in de gang voor de kamer van den molenaar. Ik lag aan hun voeten, maar zij hadden noch oogen noch gedachten voor mij. ?Ik ga, zonder mij langer te bedenken, naar je vader toe.?-?Wil ik meegaan?? vroeg Babette; ?dat zal je moed geven.?-?Ik heb moed genoeg,? zei Rudy, ?maar als jij er bij bent, dan moet hij wel vriendelijk zijn, of hij wil of niet.?-Daarop traden zij binnen. Rudy trapte mij geducht op den staart! Rudy is erg onhandig; ik mauwde, maar noch hij noch Babette hadden ooren om dit te hooren. Zij deden de deur open en traden de kamer samen binnen. Ik liep voorop; ik sprong op een stoel, want ik kon immers niet weten, hoe Rudy zich misschien zou verweren. Maar de molenaar verweerde zich, hij gaf een duchtigen schop en zei: ?De deur uit en den berg op naar de gemzen!? Daarop mag Rudy nu mikken en niet op onze Babette!?
?Maar wat spraken zij met elkaar? Wat zeiden zij?? vroeg de keukenkat.
?Wat zij zeiden?-Alles werd er gezegd, wat de menschen zoo plegen te zeggen, als zij verliefd zijn: ?Ik heb haar lief, en zij heeft mij lief! En als er melk voor een in de kan is, dan is er ook melk voor twee!?-?Maar zij zit je te hoog!? zei de molenaar, ?zij zit op zand, op goudzand, zooals je weet, je zult haar niet bereiken!?-?Niets zit zoo hoog, of men kan het wel bereiken, als men maar wil!? antwoordde Rudy; want hij is een onverschrokken man.-?Maar het arendsnest kan je toch niet bereiken, zooals je zelf onlangs gezegd hebt: Babette zit nog hooger!?-?Ik neem ze allebei!? zei Rudy.-?Ik zal je Babette geven, als je mij het levende arendsjong geeft!? zei de molenaar en lachte, dat de tranen hem langs de wangen liepen. ?Maar nu bedank ik je voor je bezoek, Rudy! Bezoek mij morgen weer, morgen is er niemand thuis. Vaarwel, Rudy!?-En Babette zei hem ook vaarwel, maar zoo klagend als een klein katje, dat zijn moeder nog niet kan zien. ?Een man een man, een woord een woord!? zei Rudy. ?Ween niet, Babette! ik zal het arendsjong brengen!?-?Je zult den nek breken, hoop ik!? zei de molenaar, ?en dan zijn wij van je bezoeken ontslagen!?-Dat noem ik een duchtigen schop! Nu is Rudy weg en Babette zit te huilen; maar de molenaar zingt Duitsch, dat heeft hij laatst op zijn reis geleerd. Ik zal er maar niet treurig over zijn, want dat baat toch niets!?
?Maar zoo is er dan toch altijd nog mogelijkheid op!? zei de keukenkat.