Op den terugweg.
O, hoeveel had Rudy te dragen, toen hij den daaropvolgenden dag over de hooge bergen naar huis terugkeerde. Ja, hij had drie zilveren bekers, twee mooie buksen en een zilveren koffiekan; deze kan zou goed te gebruiken zijn, als hij een huishouden opzette; maar dat alles was nog niet het gewichtigste: iets gewichtigers, machtigers droeg hij of droeg hem over de hooge bergen naar huis. Het weder was echter ruw, grauw en regenachtig; de wolken hingen als een rouwfloers op de berghoogten neer en omhulden de stralende toppen. Uit het bosch klonken de laatste bijlslagen, en langs de helling van den berg rolden boomstammen, die er, van de hoogte af gezien, als dunne stokjes uitzagen, maar met dat al de stevigste scheepsmasten waren. De Lütschine bruiste haar eentonige accoorden, de wind suisde, de wolken zeilden. Daar kwam er eensklaps een jong meisje naar Rudy toe; hij had haar niet eer bemerkt, voordat zij vlak in zijn nabijheid was; zij wilde insgelijks over de rotsen klimmen. De oogen van het meisje oefenden een eigenaardige kracht op hem uit; hij was wel gedwongen, haar aan te kijken.
?Hebt ge een minnaar?? vroeg Rudy, want al zijn gedachten draaiden om de liefde heen.
?Ik heb er geen!? antwoordde het meisje en lachte; maar het was, alsof zij de waarheid niet sprak. ?Maken we geen omweg?? zeide zij. ?Wij moeten meer links houden, dan is de weg korter.?
?Jawel, om in een ijskloof neer te storten!? zei Rudy. ?Kent gij dien weg misschien beter en wilt gij gids zijn??
?Ik ken den weg heel goed,? zei het meisje, ?en ik heb mijn gedachten bij elkaar. De uwe zijn zeker wel beneden in het dal, hierboven moet men aan de ijsjonkvrouw denken; zij houdt niet van de menschen, zegt men.?
?Ik ben niet bang voor haar!? zei Rudy. ?Zij heeft mij weer terug moeten geven, toen ik nog een kind was; ik zal mij thans niet aan haar overgeven, nu ik ouder ben!?
En de duisternis nam toe, de regen viel neer, en het begon te sneeuwen.
?Geef mij uw hand,? zei het meisje, ?ik zal u bij het klimmen behulpzaam zijn,? en hij voelde, dat hij door ijskoude vingers aangeraakt werd.
?Gij mij bijstaan!? zei Rudy. ?Nog heb ik de hulp van een vrouw niet noodig om te klimmen!? En hij liep sneller voort, van haar weg; de sneeuwstorm hulde hem als in een sluier, de wind gierde, en achter zich hoorde hij het meisje lachen en zingen; het klonk heel zonderling. Dat moest een spookgezicht zijn, dat in den dienst der ijsjonkvrouw was; Rudy had daarvan hooren spreken, toen hij, destijds nog een knaap, bij de reis over de bergen hier boven den nacht doorbracht.
De sneeuw viel dunner, de wolk lag onder hem, hij keek om, er was niemand meer te zien; maar hij hoorde gelach en gezang, en dit klonk niet, alsof het uit een menschelijke borst voortkwam.
Toen Rudy eindelijk de bovenste bergvlakte bereikte, vanwaar het pad naar beneden naar het Rh?nedal voerde, zag hij in de richting van Chamouny, in de heldere, blauwe lucht twee heldere sterren staan; deze glinsterden en fonkelden, en hij dacht aan Babette, aan zich zelf en aan zijn geluk, en het werd hem bij deze gedachte warm.