Toen ik ontwaakte, en uitkeek door de houten tralies van mijn venstertje, blies een frissche luchtstroom mij koelend langs de zware oogleden; en in 't fluisteren van den morgenwind hoor ik 't afscheidszuchten van den nacht en zijn sluipende gasten, die spoeden om zich te verbergen, schuw ineenkrimpend bij den reinen adem van den bode der zonne. - Ik zie, hoe de sterren 't zilveren kleed afleggen, en zich terugtrekken, na een laatste flikkering, achter den voorhang van eeuwig blaauw. Er is een zacht bleeken, een zwakke schijn van rossig licht over de klappa-boschjes tegen 't Oosten.
Reeds even zigtbaar wordt de oude waringin op den naasten heuveltop; en vriendelijk wuift 't pisang-blad mij goeden morgen toe, gedrukt en buigend onder den schat van trillende dauwdroppels, waarmeê de sombere nacht de planten tooit, als met tranen, en die de dag, de jonge lagchende, met tooverstralen zal verkeeren in fonkelende diamanten, heerlijk afgezet op hun kussen van fluweelig groen.
* * *
Nu spoedig een bad genomen; de kleêren aan 't lijf; wat nassi goreng[48] tot ontbijt; dan mijn mede-anachoreet de hand gedrukt, en - na een onderzoekenden blik op tuig en stijgbeugels, en een angstig vragen of 't beest ook nakal[49] is - 't kleine, magere gladak-paardje[50] bestegen: een rosje, waarbij de paarden van Harpagon vet hadden geheeten, en dat, ofschoon 't armelijkst knolletje uit des Wedono's stal, toch ook alweêr goed genoeg is voor den Ambtenaar ?ter beschikking" - - ja, wél ter beschikking van elken Europeaan, wien 't lust, hem, als baar, een loer te draaijen; en van elken inlander, die begrijpt, dat onze jeugdige held de taal nog niet magtig is, en ook vooreerst nog geen direkt gezag uitoefent.
Als gids werd mij een oud mannetje meêgegeven, dat den ganschen weg over niets deed, dan op bibberenden toon zingen of neuri?n, en, vóórop rijdend, ?gravement, sans songer à rien", er zich volstrekt niet om scheen te bekommeren, of de toean[51] hem volgde, al dan niet. Mijn jongen schreed, nu eens achter mij dan eens naast mij, voort, en aan 't lijntje strompelde nog steeds de koeli met mijn buks en reistasch.
* * *
Intusschen werd de togt gedurig aan belangwekkender.
Als we de kleine dessa doorrijden, leeft er en joelt er alles: zwoegend draaft 't bruine goed dooreen, en pikoelt, en spoedt ter pasar, en zweet al bij de schuine stralen der pas ontwaakte morgenzon. - Rimpelige, sirih-kaauwende nènè's[52] zijn er, die haar tweeden klappa hebben zien vruchtdragen[53]: met haren, zoo wit als rollen van een gepoederde allongepruik, en lippen, rooder nog dan de roode lipjes van nonna Flora[54]. - Naakte kindertjes, bol en buikig als Rubbenssche engeltjes, die zich vasthouden aan moeders sarong, en ons nastaren, met groote, schuwe, verwonderde oogen. - Ook zijn er jonge meisjes, met glimmend zwarte kondé's[55], en wangen als goud, en oogen, die, als men er lang in keek, een dwaasheid zouden doen begaan. - En de mannen, zwijgend en gedwee, zwaaijen de bonte topis's[56], en groeten plegtig den met insigni?n van gezag bekleeden heer; sommige zelfs, ouder gewoonte, zetten 't juk van bamboe af, dat knellend doorbuigt over den vereelten schouder, en hurken neêr langs den weg, gelijk hun vaders 't deden in de dagen van Pakoe Boewono, den ?Spijker der wereld", of van den geduchten Toean Daendels, den ?Mannetjes-man."
Zóó voert ons een smal wegje buiten den kring van hoog en laag geboomte, waarin 't dorpje verscholen ligt, als een vogelnestje tusschen de digte halmen van groengepluimde biezen.
Reeds speelt 't lichter door de takken. Zie - tusschen de stammen dóór van gladde, hoogopgaande palmboomen, schitteren de zonnige kleuren der vlakte: als de breede trappen van een reuzen-amphitheater klimmen rijstvelden op, glinsterend als duizend meirtjes, of, 't helder groen ineenmengend met 't zilveren waas, dat de nacht uitspreidde over de vochtige akkers.
En vóór ons, boven alles uit, prijkt, in statige hoogte, de groote, magtige Slamat!
* * *
Heil, Slamat, heil - wees mij gegroet, gij schoonste van Insulinde's bergen! Slamat is uw naam, en met slamat[57] wil ik u heilzingen - wees heil!
* * *
In dien stijl bragt ik den grijzen vulkaan mijn hulde, toen 't opgeslagen bladergordijn hem in al zijn grootheid mij ontdekte. - En als ik voortsukkelde over den hobbeligen weg, bragt mij 't bloed van de Rossinante die ik bereed, in een gansch ridderlijke vervoering.
* * *
O Slamat, riep ik - hoe schoon zijt ge - hoe eeuwig trotsch en schoon, nu de jonge dageraad met goud en purper uw kruin omstraalt! Hoe fier verheffen zich uw lijnen, scherp afgeteekend op een grond van rozig morgenlicht: eerst zacht glooijend, en dan ten hemel rijzend - steil, en hoog, onmeetlijk hoog - een kegel van trachiet! - Laat ik u bezingen en bewonderen - bewonderen in al de majesteit uwer naaktheid, vóór de dag feller licht: als gij de nevelen zult optrekken uit de dalen, en uw top hullen in zware wolken, u sluijerend en omgordend voor de oogen der menschenkinderen. - Slamat is uw naam, gij, die uit breede flanken, met ontelbre stroomen, den zegen uitgiet over 't land rondom! Slamat is uw naam, en met slamat wil ik u heilzingen - wees heil!
Als 's morgens vroeg de landman zijn patjol[58] opneemt, en zijn buffels wegdrijft, opdat ze waden in den modder, en kaauwen op de natte stoppels - dan ziet hij sidderend omhoog naar de witte rookzuil, die den koning der bergen kroont. - Want hij weet 't, mijn berg, dat ge heilig zijt - hij weet 't, en hij vreest U. - Siwa, de vernieler, zetelt op uw top; Djins en Shètans[59] huizen aan uw ingewanden. - Zij sluimeren; - ongestoord zaaijen en oogsten de kinderen des lands; vrolijk klinkt de gamelan overal, en de gongs[60] verkondigen luide, waar bruiloft gevierd wordt, en waar slanke meisjes dansen, getooid met boenga raja[61], en pronkend met nieuwe, rijk gebatikte salendang's.
Zij sluimeren. - - Maar wee, wee, als zij zullen opwaken uit hun rust, om te werken in uw schoot, en de hel aan te blazen, die smeult aan uw fondamenten! - Dan zult ge dood en verwoesting spuwen uit uw wijden krater; vuur zult ge doen stroomen over de weerlooze sawah's; verpletterend zult ge gloeijende rotsblokken slingeren op de hoofden der rampzaligen, die zich vertrouwend neêrlieten aan uw vruchtbaren voet; vloek en verderf zult ge spreiden in 't rond, over duizenden en duizenden! - En daar zal een kreet opgaan tegen u: niet meer Slamat zal uw naam wezen - maar Tjelaka zal men u noemen - tjelaka, tjelaka! - - [62]
* * *
- - En zóó uitdrukkingsvol bulderde ik dat ijselijk tjelaka; en met zóóveel kracht schopte ik mijn lui gladakkertje de hakken in de ribben, om op de wieken van een vliegend enthousiasme tegen de bezongen Djins en Shètans ten strijde te rennen - - dat 't oude mannetje, mijn gids, uit zijn soesend geneurie opgeschrikt, plotseling mijn paard bij de teugels greep; en mijn jongen op mij toesprong, met de vraag: ?Toean kena apa".[63]. - Ik had, in een eerste opwelling van gekrenkte dichterlijke eigenwaarde, den dommen lummel wel een muilpeer willen toedienen; doch - 't gevaar van tuchthuisstraf daar gelaten - begreep ik, na koelen berade, den knaap wel aanleiding te hebben gegeven tot eenig betoon van dienstijver, daar hij, bij 't hooren van mijn noodkreet, slechts kon vooronderstellen: óf, dat zijn heer en meester door een scorpioen of duizendpoot was gestoken; óf wel, dat een der Djins, van uit de ingewanden des Slamat's, in hoogstdeszelfs hersenkas was komen varen.
Halfweg tusschen M... en Boemi-aijoe troffen we een paar warong's, onder wier rookerig dak ik mij in de gelegenheid zag gesteld, broederlijk tusschen mijn gids en jongen gezeten, wat rijst uit een pisang-blad benevens eenige kwé-kwé[64] tot mij te nemen.
Toen ging 't weêr verder. Bergop-bergaf liep de weg: nu eens daalden we diep in een ravijn, en waadden door 't keijig bed van een koelen bergstroom; dan weêr kronkelde ons pad door koffietuinen, of door digte bosschen van reusachtige djati-en rasamala-boomen, van uit wier loofdak, slankapen en loetoeng's[65] ons knorrend toegrijnsden.
Nog een laatsten heuveltop bestegen, hooger dan elke vorige - en zie - welk uitgestrekt vergezigt zich voor ons oog ontrolt: regts de wilde kammen van den Goenoeng Kembang, en 't golvend berglandschap, boven welks gekartelden horizon, schemerend ver, zich de zachte lijnen van den Tjerima? teekenen; links de Slamat met zijn vertakkingen; en vóór ons, diep aan onze voeten, gerugsteund door de hoogten van Banjoemaas - prijkt - in kleurige weelde van kampongs en akkers, en boschjes en beekjes, 't heerlijk dal van Boemi-aijoe.
Een poos lang liet ik, in stille opgetogenheid, mijn blik weiden over den Eden die mij tot verblijf was aangewezen. Ook uit die natuur sprak po?sie - doch, helaas, niet voor mij: want ik verstond ze niet. Mijn hoofd duizelde, toen ik rondzag in dien Oceaan van groen en licht en kleuren. Want, gelijk een overmaat van bloemengeur de zinnen verdooft - zóó ook overstelpt een al te rijke natuur 't oog van den aanschouwer. En hierin, geloof ik, is 't vooral, dat de tropische schepping zoo oneindig bij onze Noordsche achterstaat - : er is te veel: nergens is een leêgte, nergens kan iets gedacht worden dat der verbeelding stof tot fantaseren laat, de overvloed zelf maakt hier 't landschap doodsch en eentoonig.
Doch kom - welk redelijk wezen staat er, onder een Javasche middagzon, op 't topje van een kalen heuvel, over natuurschoon te monologeren! - Hoort ge dan niet, Gabri?l, dat uw inlandsch geleide uw geestdrift aan beschonkenheid toeschrijft! Voelt ge zelf niet 't merg in uw dichterlijk ruggestreng tot den derden aggregatie-toestand overgaan!
Zoo dwong mij de alle genot verbiedende warmte, spoediger dan ik gewenscht had, in de lommerrijke vallei een toevlugt te zoeken. - Ik kamde mijn haren wat op, liet mij 't stof wat van de kleêren slaan, en nam, toen ik de dessa binnenstapte, een ietwat fiere houding aan, terwijl ik mijn voorrijder en gevolg aanbeval, op te sluiten en den behoorlijken afstand te bewaren, opdat we, voor zoover onze uitrusting 't toeliet, met betamelijke waardigheid voor de controleurs-woning mogten afstijgen.
* * *
De controleur, een jong mensch, ontving mij, gelijk men - in Indi? - iemand ontvangt, met wien men weet, dat men 't leven in de wildernis zal moeten deelen.
Zijn rijsttafel bleek uitnemend. - Doch wat mij 't meest beviel, was, dat hij mij een kamer inruimde, vanwaar ik een onverhinderd uitzigt had op de hemelhooge massa van den Slamat.
[48] Opgebakken rijst.
[49] Ondeugend.
[50] Gladak = al wat bij 't verrigten der heerediensten gebruikt wordt; pop: iets dat slecht, gemeen, afgejakkerd is.
[51] Heer, heerschap.
[52] Oud moedertje.
[53] De Javaan weet zelden hoe oud hij is; somtijds echter herinnert hij zich, bij overlevering, dat zijn vader, ter viering van 's kinds geboorte, dezen-of-genen boom geplant heeft, naar wiens vermoedelijken ouderdom hij dan den zijnen afmeet. Zoo lezen we in 't Maleische werkje, getiteld ?Pelajeran Abdallah", van een grijs moedertje, dat, gevraagd zijnde hoe oud ze was, op een ouden klappa wees, welken zij verklaarde de plaatsvervanger te zijn van een anderen, die bij haar geboorte was geplant, doch reeds lang, der dagen zat, gestorven was. Daar nu de klappa 60 en meer jaren oud wordt, zoo zou men uit dit voorbeeld mogen afleiden, dat de Maleijer soms een aartsvaderlijken leeftijd bereiken kan.
[54] 't Sirih-kaauwen kleurt 't speeksel en de lippen vermiljoenrood.
[55] Haarwrong: natuurlijke chignon - zonder gregarinen.
[56] Hoofdbedeksel, in den vorm van een bol- of kegel-segment.
[57] Slamat beteekent: heil, zegen.
[58] Houweel, om den grond meê te bewerken.
[59] Djins en Shètans: twee categori?n van booze geesten. Met 't oog op de gemengde oud-Hindoesche en Musulmansche geloofsbegrippen van den Javaan, nemen we de vrijheid, deze echt Mohammedaansche schepsels der verbeelding met god Siwa in eenzelfde nabuurschap te plaatsen.
[60] Bekkens.
[61] Een vuurroode bloem, die heerlijk afsteekt in de zwarte haren der Javaansche schoonen.
[62] Tjelaka beteekent: ongeluk, ramp, verderf - als tegenstelling van Slamat = heil, zegen.
[63] ?Wat overkomt meneer?"
[64] Koekjes, inlandsch gebak.
[65] Een aapsoort.