Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 2 No.2

Triste exilé, sur la terre etrangère,

Oh, que de fois, que de fois, j'ai soupiré!!!

?La Reine de Chypre."

Hoewel mijn bleeke gelaatskleur en ingevallen wangen genoegzaam mijn bewering staafden, dat mijn ongesteldheid me niet toeliet, den afstand van veertig paal[17], die mij van Boemi-aijoe, de plaats mijner bestemming, scheidde, te paard af te leggen - gaf echter de Resident van X... voor, mij geen wagen, ja, zelfs geen bruikbare kar te kunnen bezorgen. Maar, hij wist beter raad; - hij, Resident, zou me zijn eigen tandoe[18] leenen, van welken hij verzekerde, dat er onlangs nog een Inspekteur der Cultures meê gereisd had. Ik kon dan op die wijs van de hoofdplaats X... tot de dessa[19] M... vorderen, en, den volgenden dag, mijn togt door 't gebergte naar Boemi-aijoe voortzetten.

Mij bleef natuurlijk niet over, dan, met een profusie van dankbaarheidsbetuigingen, dit aanbod, als een ongewoon blijk van residentlijke welwillendheid, mij ten nutte te maken.

Tot afscheid kreeg ik Van Zijn-Hoog-Edel-Gestrenge een klammen vingerdruk en een genadig ?goede reis, meneer Gabri?l!" - Toen begaf ik mij terug naar 't logement, waar alras de bewuste tandoe, door een paar gegalonneerde oppassers gedragen, verscheen.

Groote goden! - ik had me wel geen kostelijken, met satijnen kussens belegden palankijn voorgesteld - maar zóó'n ding als die tandoe was - zóó'n smerige bamboezen kooi, door spinnen en kakkerlakken en tjitjaq's[20] bevolkt, met een rot atappen dakje overhemeld, en gepikoeld door middel van een paar lange bamboe-staken - - moest ik dáár in! - Gelukkig zat er, op dat oogenblik, niemand in de voorgallerij, en zou dus niemand mijn schande vernemen.

Uiterlijk dood bedaard, doch inwendig ziedend van verontwaardiging, verzocht ik den oppassers, 't ding achter op 't erf te zetten; ik gaf hun zelfs, met honingzoeten glimlach, twee kwartjes tot fooi, en herhaalde mijn ?trima kassih banjak sama Toean Rèsiden!"[21] - Vervolgens liet ik koeli's halen, en gelastte dezen, op minder vleijenden toon, den reisstoel zo spoedig mogelijk tot een paal ver buiten de stad te dragen, en dáár op mij te wachten: want 't sprak wel van zelf, dat ik den tandoe niet als tot mijn gevolg behoorend wilde erkennen, vóór en aleer ik mij buiten den gezigtskring van de bespiedende blikken der Europesche bewoners van X... zou hebben verwijderd. - Had de Resident mij een ?koopje" willen leveren? - Ik geloof 't niet: de man was er te magtig en te statig toe: veel te deftige kater was hij, om met een muisje als ik te willen spelen; maar, in zijn grootheid meende hij, dat zoo'n mode of conveyance, die ik alleen passend oordeelde voor een zieken ambtenaar der vierde-[22], ook zeer gevoegelijk dienen kon ten profijte van een gezonden dito der tweede klasse.

Na verloop van een half uur onderstelde ik, dat mijn koeli's den gewenschten afstand wel zouden achter den rug hebben. Ik betaalde mijn rekening - want ook op Java doet men dat in enkele gevallen - en ontsnapte door de achterdeur aan een nadere verklaring met de nu aan de ontbijttafel vereenigde logeergasten; echter bleef ik niet gespaard van de belangstellende onderzoekingen van een paar heeren, die waarschijnlijk den tandoe gezien hadden, en mij, met heel onnoozele gezigten, vroegen, ?waar mijn rijdpaard toch bleef, en of ik misschien naar Boemi-aijoe ging kuijeren - ?"

* * *

Ik liep dan langzaam, met mijn degenstok gewapend, en door mijn Bataviaschen jongen gevolgd - die, N.B., wel zoo beleefd was, terwijl ik wandelde, zijn paard bij den teugel te leiden - den weg bergwaarts op.

De kom der weinige Europesche woningen had ik spoedig achter mij gelaten. Doch de kampong[23] van X... is groot, en strekt zich minstens twee paal ver zuidwaarts langs den straatweg uit; daarenboven was er dien dag juist groote pasar[24], zoodat, ook buiten de limieten van de kampong, nog immer de weg bezet bleef door een aaneengeschakelde reeks van warong's[25].

Daar zie ik, tusschen al 't gejoel en gescharrel, mijn tandoe voortbewegen; de koeli's die ik spoedig had ingehaald, geven teekenen van herkenning - doch ik stap doodleuk voort, alsof ik van geen tandoe ter wereld afwist - : ik kon toch vóór de oogen van al die inlanders niet in dat ding kruipen: zóó mogt ik mijn prestige als landsdienaar toch niet weggooijen; - neen, ik was wel doodmoê, maar liever zou ik mij den adem uit 't lijf loopen, dan op zóó ongehoorde wijs den zilvergeranden pet te onteeren, dien ik, in mijn jeugdigen waan, voor de eerste maal op 't restje van mijn blonde lokken had gedrukt. - Maar nog altijd hield die gevloekte pasar aan, en digt op elkaar sluitende gaarkeukentjes getuigden van den eet- of snoeplust onzer Javaansche bevolking.

Eindelijk, ja - de breede waringin's[26] worden schaarscher langs den weg, en mét de schaduw vermindert ook merkbaar 't getal der marktventers; nog weinige minuten, en we hebben een punt bereikt, van waar de weg, boom- en menschenledig, zich als een zonnige streep tusschen 't groen der sawah's[27] verloor. - Hier zou ik instappen - 't was hoog tijd ook: ik kon niet meer. - De tandoe werd geopend, d. w. z.; één der vier atappen matjes die de wanden vormden, werd omhoog geslagen; een paar reusachtige spinnen werden verwijderd; de smerige tikar[28], die de satijnen kussens moest vervangen, bedekte ik met mijn regenjas - - daar zat ik. De koeli's schreeuwen en kibbelen een poos, met de gewone vischwijfachtige gebaren, die den anders zoo kalmen inlander eigen zijn, wanneer hij zichzelf of zijn makkers tot werken aanmoedigt; daar tillen ze mij op - - de tandoe kraakt en waggelt, en dreigt onder mijn ligten last te bezwijken - - doch neen, 't evenwigt is hersteld, de bamboezen pikoelan's[29] buigen gracieuslijk door - - voorwaarts gaat de processie: - mijn jongen aan de spits - als adjudant te paard; dan 't achtvoetig gevaarte, waarvan ikzelf de bezielende en betalende doch halfdoode kern uitmaak; ten slotte, bij wijze van straggler, een kerel, die mijn geweer en minoeman[30] zeult - - al 't welk, door wolken stofs omstuwd, over den weg huppelt, onder een piepend kraken, en met den eigenaardigen, elastischen pas, die den tengeren Oosterling 't uren ver torschen van zware lasten mogelijk maakt en vergemakkelijkt.

* * *

We waren slechts weinig schreden gevorderd, toen ik reeds bespeurde, dat 't loopen mij minder zou vermoeijen, dan zóó gedragen te worden.

Men verbeelde zich, dat de vier kerels die mijn tandoe geschouderd hadden, onderling in afmetingen ? à ? kop verschilden, zoodat mijn arm ligchaam, bij elken pas, een epicyclo?dische beweging in de ruimte beschreef, die mij zeker - ware mijn gestel niet tegen dergelijke misselijkheden proef bevonden - allerjammerlijkst aan zeeziekte te land[31] had doen lijden. Regtop zitten kon ik in mijn draagstoel niet, daar ik, om tot die houding te geraken, mijn hoofd door 't atappen dakje zou hebben moeten boren; terwijl ik bovendien gevaar liep, bij 't hevig schokkend mouvement, mijn evenwigt te verliezen, en als een koffiebaal in 't zand te buitelen. Regtuit liggen was mij eveneens onmogelijk, nademaal 't hoog-edel-gestreng vehiculum slechts berekend scheen op den vervoer van kinderen of personen beneden de militie-maat. - Bij al de miljoenen van 't Batig Slot - ik had dien Inspekteur der Cultures willen zien en uitteekenen, die op zóó'n wijs zijn tournée door de Residentie X... heeft gemaakt!

Trots al deze ergernissen liet ik me wel een uur lang dragen. Maar, toen we een kleine kampong waren genaderd, waar ons van tijd tot tijd voetgangers passeerden, en de vrouwen en meisjes nieuwsgierig in den tandoe keken, met moeite den schalkschen lach bedwingend, als ze mij zagen, kreeftrood van warmte en vermoeidheid, wit bestoven, gehotst en geklotst langs 's heeren weg, als een curieus beest uit 't rijk Wolanda[32] - toen vond ik mezelf zoo ontzettend ridicuul, dat ik op mijn voeten sprong, en - - en, na een kwartieruur loopens, mij door de gloeijende zonnehitte genoodzaakt zag, op nieuw den draagstoel te beklimmen: vloekend en razend tegen de stomme koeli's, die 't niet helpen konden; en tegen den almagtigen Resident, die niet bij magte was geweest, zijn Ambtenaar een ordelijken wagen te bezorgen; en tegen den ezel van een Gabri?l, die naar Indie moest, om armoê te lijden, terwijl hij 't t'huis zoo goed had.

Edoch, ook van murmureren heeft men spoedig den buik vol.

Een ferme teug wijn bragt mijn geschokten geest en nog geschokter ligchaam een weinig tot rust; en een tweede dosis deed me zóó goed, dat ik - o zoete, nooit missende tooverkracht van 't druivennat! - mijn toestand haast intéressant begon te vinden. Ik dacht aan Haeffner, en zijn Reize met den Palankijn. Ik vergeleek ook mijn positie met die van mijn geliefden Don Quichotte, mijn Ridder van de Droevige Figuur, toen hij, in de met ossen bespannen kooi, door zijne bezorgde vrienden werd naar huis gebragt. Er was waarlijk eenige overeenkomst: de vernuftige Jonker was er - hoewel ver van betooverd - ; de kooi was er; de ossen waren er - in de gedaante van koeli's - ; slechts de priester en de Barbier ontbraken - en, mijn bruine jongen Ketjiel, geleek bitter weinig op den vermakelijken schildknaap Sancho Panza. - Zóó mijmerend, maakte ik 't mij in den tandoe zoo gemakkelijk mogelijk: mijn hoofd vlijde ik tegen een der harde houten stijlen, mijn beenen liet ik bevalliglijk over den rand der draagkoets bengelen; - toen eerst gevoelde ik mij gestemd, op 't mij omringend landschap een bedaard contemplerenden blik te slaan.

Langzaam aan werd de weg schaduwrijker. Een opstekende zeewind speelde door de breede bladeren der Djati-boomen; regts en links huppelde een vrolijk beekje strandwaarts; en rondom strekten zich onmeetlijk de sawah's uit, slechts begrensd door de hoogere en lagere bergruggen, die, als zooveel vingers van een reusachtige hand, zamenloopen in 't groote middenpunt van den Slamat. - - Ik tuurde en soesde; - en zóólang tuurde ik over de groene rijstvelden, wier jong gewas zachtkens golfde onder de spelende middagkoelte - en naar de palmboschjes, die hier en daar een dessa verhullen - en naar de hooge, omwolkte toppen der bergen - - tot een zalige dommeling mij de oogen sloot, die me, voor korten tijd, tandoe en koeli's, ja zelfs den gouden pajong[33], 't vlugge vierspan, en den comfortablen reiswagen van den Resident deed vergeten.

* * *

Ik werd uit mijn sluimering opgeschrikt door een schok, die me vrij onzacht door de leden voer. - Ik zie opwaarts - daar is 't atappen dakje van mijn tandoe; ik zie omlaag - daar is de grond; - maar, niet de grond op den, ons menschen, als 't hoofd omhoog dragende wezens 't toegemeten afstand van vijf à zes voeten - neen, vlak onder mijn facie, op geen handbreedte van mijn neus, zie en ruik ik de moederaarde. Was de slangenvloek aan mij vervuld; of zou ik, niet ongelijk aan een tweeden Nebucadnezar, stof in plaats van gras orberen? - O neen: mijn zorgzame koeli's en jongen hadden doodeenvoudig goedgevonden, aan de wijdberoemde warong te L... (want tot binnen die dessa waren we gevorderd), hun middagmaal te gebruiken: 't was 't achtste of negende dien dag; en hadden, zonder eenige ruggespraak, en zonder een voorafgaand inwinnen van hoogstdeszelfs considerati?n en advies - den hun toevertrouwden civiel-gezaghebbenden last op den platten grond neêrgezet. - Qui dort, qui mange, hadden ze gemeend.

En ik - - daar zat ik - met mijn Radikaal, mijn diploma A en mijn diploma B, mijn land- en volkenkunde, mijn natuur- en scheikunde, mijn Mohammedaansch Regt, en mijn Regerings-Reglement! Daar zat ik: mijn ge?xamineerd brein slechts van 't lage stof gescheiden door den bodem van een smerig bamboe-getimmerte; aan de willekeur overgelaten van een troep schurftige koeli's, met wie ik, ondanks mijn Roordasche taalgeleerdheid, geen boe of ba Javaansch kon wisselen - : ik, de accurate vertolker van Mawerdi, de amor et deliciae van 't Maleisch college; de man, die 't onderscheid wist tusschen den Javaschen en den Sumatraschen rhinoceros; die de huislijke hebbelijkheden van Dajaks en Batta's beter kende, dan van zijn eigen ooms en tantes - - - daar zat ik! En, o, regtschapen Hollandsche ouders en voogden; o, groote Professor Keijzer; en gij, vlekkelooze, nooit volprezen maagdentrits van Delft's trouwlustige schoonen - waarom hebt gij mij niet zien zitten, toen ik daar zat: opdat met één slag ook uw illusi?n mogten in rook zijn opgegaan, die ge met mij, in den geloovigen eenvoud uwer harten, vormdet omtrent de glorie en de heerlijkheid van een Ambtenaar bij die burgerlijke dienst in Nederlandsch Indi? - !

[17] Een paal is ongeveer twintig minuten gaans.

[18] Draagstoel of palankijn, in den meest primitieven vorm.

[19] Dorp, gemeente.

[20] Kleine muurhagedis.

[21] ?Grooten dank aan meneer den Resident!"

[22] Zóó bestempelen onze Javasche humoristen de inlandsche dwang-arbeiders of kettinggangers.

[23] Afzonderlijke, door inlanders bewoonde wijk.

[24] Weekmarkt.

[25] Gaarkeukens of snoeptafeltjes aan den weg.

[26] Een schoone, breedgetakte boom.

[27] Natte rijstvelden.

[28] Van biezen gevlochten matje.

[29] Draagboomen.

[30] Dranken.

[31] Op menschen, wier hoofd en maag niet van de sterkste zijn, heeft een wandeling per palankijn, (zoo ook een ridje op den rug van een kameel) dezelfde uitwerking als een pleiziertogtje op de Zeeuwsche stroomen.

[32] Holland; van 't Portugeesch Olanda.

[33] Zonnescherm, 't welk, al naar gelang van de kleur, de waardigheid aanduidt van hem, boven wiens hoofd 't gedragen wordt.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022