't Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn meisje - en dan