Een leven met veel tegenspoed, in ongunstige omstandigheden begonnen. Van de vroegste jeugd tot aan den ouderdom drukkende zorgen; een verre herinnering alleen aan moederzorg, die hem de kiemen heeft gelaten van wat hem van zijn onbezorgde standgenooten, van zijn omgeving die rustig haar dagen sleet, zou onderscheiden; aanhoudend werkend om zijn idealen aanschouwelijk te maken, verstaanbaar voor zijn nederigste broeders. Zijn leven is een voorbeeld van trouw geweest aan zijn dichterlijke gave, aan de aandoeningen van liefde, die natuur en leven in hem verwekten.
Zijn verbeelding begint te groeien ten nadeele van levensbeleid gedurende zijn ziekte. Vertelsels en vage, halfverstane lectuur in boeken die hij moeilijk kan ontcijferen, maken hem vaardig in het verhalen van wonderbare sproken, later, als hij in de enge straten zich tusschen de speelgenooten mengt. Het klatergoud en de verrukkende uitingen van de marionetten in den poesjenellenkelder, die uit het halfdonker van hun tooneel zijn oog en hart boeien, doen hem droomen van ongewone gebeurtenissen, die voltrokken moesten worden. Als hij volwassen is, een man, en evenals vroeger menschen om zich weet, die naar de vruchten van zijn bezinnen en beschrijven verlangen, herinnert hij zich deze vroege overwinningen, in "Op Godsgenade" (1837), in "Avondstonden" (1846) en in "De Geest. Eene oude Spookvertelling," die hij als proeve van Antwerpsch dialect in 1842 laat verschijnen.
Nòch door zijn opvoeding, d. i. door lectuur of omgang met oudere vrienden, nòch door zijn omgeving, die Fransch was na den vroegen dood van zijn moeder en in het leger, werd hij Vlaamschgezind; een oude vriendschap brengt hem op den weg. Johan de Laet, die in de velden vroeger zijn spelen deelde, spreekt hem het eerst over werkelijker idealen. Gevoelig, hecht hij zich aan den man die hem een doelbewust gevoel van eigenwaarde gaf, en volgt hem in zijn flamingantisme. Hij handelt daarin als een echt volkskind. Het verleden van zijn stam ligt braak; wat zijn verlangend maar ongelouterd gemoed treft, wordt erin vastgehouden als in een spiegel, die altoos het zelfde beeld omvat en tusschen waardeloos en echt geen onderscheid kan maken. Zijn eerste werken zijn onberedeneerd een argelooze weêrgave van wat hem in de geschiedenis heeft aangetrokken, en langs zijn ongeoefend oog onklaar tot hem kwam. "Jacob van Artevelde," die tien jaren na den "Leeuw van Vlaenderen" verscheen, is beter onderlegd en met meer zorg voorbereid.
Een zelfde vereering toont hij voor wie, hooger geplaatst, hem vriendelijk voorthielpen en den glans van hun gevestigden roem niet als een beletsel aanzagen om hem in zijn duistere jaren door gemeenzamen omgang aan te moedigen. Hij geeft zich rekenschap van den invloed, dien zij op zijn verbeeldingsleven uitoefenden. "Weet gy niet Gustaf," vraagt hij in een feestrede aan den schilder Wappers, "tot hoe verre de geest die in my leeft, zich aen u verkleefd heeft, daer een woord van u, zoet of straf, de bestendige gevoelmeter van myn hart was."
Die eigenschap van onherroepelijke overgave, die gemakkelijk tot zwakheid overhelt, en een factor is in elk van zijn romans, is, als instinkt, een volkseigenschap, die in hem nochtans veredeld wordt omdat hij een artiest is.
Een dieper stempel wordt nog in zijn werk gedrukt door zijn vroege ziekelijkheid, die hem voor steviger vuisten deed zwichten. Hij erkent zelf, dat hij gedurende zijn loopbaan in het leger er de gevolgen van heeft bespeurd: "Het lag in myne inborst," schrijft hij in "De omwenteling van 1830," "voor den mensch immer te zwichten, wanneer hy zich, als persoon, dreigend tegenover my stelde. Het moge onuitlegbaar schijnen, het is echter zoo: tegen vuer, kanons en alle stoffelyke gevaren kon ik staen zonder merkelyken schrik; maer den mensch alleen vreesde ik als een wezen voor hetwelk ik altyd moest wyken. Dit gevoel lag in my sedert myne eerste kindschheid, omdat myne lichamelyke macgt te verre beneden de strekking en de begeerte van my hart en van mynen geest gebleven was. Myne zonderlinge opvoeding had ook niet weinig bygedragen om myne menschenvrees te doen aengroeijen."
De weeke Gabri?l in "Moeder Job," die als een onbezonnen knaap zijn ouders huis ontvlucht, omdat hij, zonder reden, aan de trouw van zijn geliefde twijfelt, en in het bosch blijft ronddolen, is een onbewust trouw beeld van Conscience's wezen, die den menschelijken vijand niet aandurft, en in de velden zijn heil zoekt.