Een ander middel om ons het landschap gemakkelijk nader te brengen, ons zijn karakter te laten voelen, is het met de stemming van den held te doen harmonieeren, of omgekeerd den held in de bijzondere en momentane stemming van het landschap te laten opgaan. Een jong werk: "De maegd van Vlaenderen, een nachtgezicht" begint:
"Ik zat alleen op myne kamer, met het hoofd in de handen rustende. Vol mismoed en wanhoop was myn ziel.... Het stormde daerbuiten,-nacht was het op de straten, nacht ook in myn hart. Lydend en akelig droomend, herdacht ik het verleden, het zynde en het komende lot myns vaderlands." In een latere novelle loopt een meisje haar vreugde om het leven uit te zingen: "Ook het goede meisje geraekte zonder het te weten, in eenstemmigheid met de vrolyke natuer. Van tyd tot tyd zong zy, met zekere geestdrift, eenige toonen van het een of ander lied, of sprak enkele woorden om de opgeruimdheid haers harten lucht te geven."
* * *
Meer dan versmaat is proza geschikt om een landschap in zijn voorkomen (niet enkel in zijn uitwerking, als aandoening) weer te geven. Een landschap is rustig en onbewogen. Zijn omtrekken zijn bestendig. Zijn kleuren kunnen dàn alleen, hier in een bloemenweide, daar in een rivier of in een hemelhoek, zich uitvieren. Proza kan minutieus bij elke kleinigheid verwijlen, en toch door de indeeling van zijn zinnen, de ordonnantie van de denkbeelden, de hoofdzakelijke schoonheden onderlijnen. Het is aan minder uiterlijke regels onderworpen. Is de taal lenig en helder genoeg, dan wordt de schrijver niet verder weerhouden door het zoeken en volhouden van bijzondere vormen. Hij heeft alleen wat hij ziet eenvoudig neer te schrijven.
Conscience was dikwijls een uitmuntend prozaschrijver. Komt in zijn eerste werken slechts zelden een grooter verschiet voor, een heide, een veld, bevattelijk voorgesteld, we treffen reeds in den "Leeuw van Vlaenderen" goede beelden: "De lucht was met zulk een zuiver blauw gekleurd, dat het oog hare diepten niet meten kon. De zon klom glansryk op de kim, en de verliefde tortelduif dronk de laetste dauwdruppels van de groene bladeren der boomen."
"De bladeren der boomen!" Ook in het "Wonderjaer" gebruikt hij die uitdrukking: Terwijl een ruiter schuilt, wordt "de lucht klaerder, de donder had zich verwyderd,-evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren der boomen." Even natuurlijk als het loover om de takken staat, worden voor ons de boomen gesteld; de regen valt op de bladeren of vogelen kwinkeleeren er, en aanstonds zien we de stammen er bij, die uit den grond heffen, en de heerlijke aarde.
Een mooie zin, die een vollediger beeld geeft, is in "De arme edelman" (1851): "de statige eiken ontplooien hun laet gebladerte, de alpenrooze staet in vollen bloei, de syringa's bezwangeren de lucht met malsche geuren."
In "De Loteling" zagen we de heide zich om de reizenden uitstrekken. In "Moeder Job" (1856), wanneer geen rekening wordt gehouden met onjuiste woorden en on-Nederlandsche wendingen, vinden we eenvoudig-mooie beschrijvingen:
"Aen de straet, onder de schaduwe van hooge Linden, stond het woonhuis met zyne groene geschilderde vensterramen; daer achter verlengden zich aen de eene zyde de stallingen, waerin tien schoone koeijen en dry peerden zich bevonden, alsook de wyde schuer die welhaest den nieuwen oogst zou ontvangen. Langs den anderen kant was de achterhof afgesloten door de eigentlyke Brouwery met hare bergplaetsen, waerby eene hooge pomp stond om het water uit den bornput in de ketels te verheffen. Een weinig verder, veldewaerts in, tusschen velerlei bloeijende heesters en sierlyke gebosschen, verhief zich een lustpri?el, dat met de liefelyke ranken van het Geitenblad was overdekt.-Men kan aen de uitgestrektheid van den grond, die hier, als bloemtuin, enkel tot vermaek en uitspanning was bestemd, genoegzaem bemerken dat het huisgezin der Jobs welvarend was en een onbekommerd leven genoot.. ..
Eenige dagen na de Prysschieting in den Gulden Arend was Jan, de knecht, op den achterhof der Brouwery bezig met pompen; zyne bewegingen waren bywylen zeer langzaem, en weleens onderbrak hy zynen arbeid, als hadde een aengrypende gedachte hem weggerukt. Dan bleef hy met het oog op de houten goot gerigt,-waerin het water bruisend heenvlood,-mymerend staen, tot dat het ophouden van het geruisch hem uit zyne verstrooidheid deed opspringen, en hy weder den zwaren arm der pomp in de hoogte hief.
Op eenige stappen van daer rolde een oude Kuiper de tonnen, welke hy dien dag hersteld of gezuiverd had, naer de poort der brouwery.-Geen ander wezen was er op den breeden achterhof te bemerken.
Alhoewel de laetste stralen der avondzonne hare purpertoonen over de gebouwen wierp, en liefelyk tusschen het loover van den huiswyngaerd tintelde, er heerschte eene ongewoone en droeve stilte, slechts onderbroken door het scherp gekrysch der pomp en door het eentoonige geruisch van het vlietend water."
In dezelfde novelle wordt, met liefde, een hoek van den tuin beschreven:
"De zonne ging achter de Westerkim verdwynen; maer zy zond nog, in roosverwige toonen, de natuer haren blyden avondgroet. Het pri?el, onder welks doorschynend loover Rosina hare innige bede murmelde, scheen overgoten met purper en met goud; haer omringde eene wolk van zoete frissche geuren, die uit al het gebloemte in verkwikkende walmen zich verhieven; de vogelen, voor dat zy zouden slapen gaen, dartelden nog tusschen het gebladerte, en sommigen wierpen de peerlende klanken hunner stem het verzwakkende daglicht tegen...."