Koning Ra was de schepper van hemel en aarde, van de goden, de menschen, het vee, het vuur en den levensadem, en hij regeerde de goden en de menschen.
En Isis zag zijn macht, de macht die zich uitstrekte over hemel en aarde, voor welke alle goden en menschen bogen; en zij verlangde in haar hart naar de macht, opdat zij daardoor grooter zou zijn dan de goden en heerschappij zou hebben over de menschen.
Er was slechts één weg om die macht te verkrijgen. Door de kennis van zijn eigen naam regeerde Ra en niemand dan hij zelf kende dien geheimen naam. Wie het geheim zou te weten komen, dien zou - god of mensch - de heerschappij over de geheele wereld toebehooren en zelfs Ra moest hem dan onderdanig zijn. Angstig bewaarde Ra zijn geheim en hield het altijd opgesloten in zijn borst, opdat het niet van hem genomen zou worden en zijn macht verminderen zou.
Iederen morgen kwam Ra in al zijn glorie aan het hoofd van zijn stoet te voorschijn aan den oostelijken horizon, langs het luchtruim trekkend, en 's avonds bereikten zij den westelijken horizon en Koning Ra zonk neer om de diepe duisternis van de Duat te verlichten. Vele, vele malen had Ra die reis volbracht, zoo vele malen, dat hij nu oud werd. Zeer oud was Ra en het speeksel liep neer uit zijn mond en viel op de aarde.
Toen nam Isis aarde en vermengde die met het speeksel en zij kneedde de klei en vormde ze en maakte er de gedaante van van een slang, de gedaante van de groote gekamde slang, die het zinnebeeld is van al de godinnen, de koninklijke slang, die op het voorhoofd van de Egyptische Koningen prijkt. Geen toovermiddelen, noch bezweringen gebruikte zij, want in de slang bevond zich de goddelijke stof van Ra zelf. Zij nam de slang en verborg haar op het pad van Ra, den weg waarlangs hij reisde, als hij trok van den oostelijken naar den westelijken horizon van den hemel.
's Morgens verscheen Ra met zijn gevolg in al zijn glorie, trekkend naar den westelijken horizon, waar zij de Duat binnengaan en de diepe duisternis verlichten. En de slang stak haar puntig hoofd omhoog en haar giftanden drongen in het vleesch van Ra en het vuur van naar vergif drong door in den God, want de goddelijke stof was in de slang.
Ra schreeuwde luid en zijn kreet weergalmde langs den hemel van den oostelijken tot den westelijken horizon; over de aarde klonk hij en goden en menschen hoorden den kreet van Ra. En de goden, die deel uitmaakten van zijn gevolg, zeiden tot hem: "Wat scheelt u? Wat scheelt u?"
Maar Ra antwoordde geen woord, hij beefde over al zijn ledematen, zijn tanden klapperden en niets zeide hij, want het vergif verspreidde zich door zijn lichaam, zooals Hapi zich verspreidt over het land, wanneer de wateren buiten haar oevers treden bij de overstrooming van de rivier.
Toen hij gekalmeerd was, riep hij tot hen, die hem volgden, en sprak: "Komt tot mij, gij, die ik geschapen heb. Ik ben gekwetst door een smartelijk iets. Ik voel het, hoewel ik het niet zie; ook is het geen maaksel van mijn handen en ik weet niet, wie het gemaakt heeft. Nooit, nooit heb ik een pijn gevoeld als deze; nooit, nooit is mij een ergere beleediging aangedaan dan deze. Wie kan mij kwetsen? Want niemand kent mijn geheimen naam, den naam, die gesproken werd door mijn vader en mijn moeder en die in mij verborgen is, opdat niemand mij zou kunnen betooveren. Ik ging uit om neer te zien op de aarde, die ik gemaakt heb, ik bevond mij boven de Twee Landen, toen iets - ik weet niet wat - mij trof. Is het vuur? Is het water? Ik brand, ik huiver, ik beef over mijn geheele lichaam. Roep tot mij de kinderen van de goden, hen, die bekwaam zijn in de geneeskunst, hen, die kennis hebben van de tooverkunst, hen, wier macht tot aan den hemel reikt."
Toen barstten al de goden uit in geween en geklaag en gejammer; hun macht baatte niet jegens de slang, want in haar was de goddelijke stof belichaamd. Met hen kwam Isis de Geneeskrachtige, de Meesteres van de Tooverkunst, in wier mond de Levensadem is, wier woorden ziekten verdrijven en de dooden doen ontwaken.
Zij sprak tot Koning Ra en zeide: "Wat is er, o goddelijke Vader? Wat is er? Heeft een slang u pijn berokkend? Heeft een schepsel van uw hand zijn hoofd tegen u opgestoken? Zie, het zal overwonnen worden door de macht van mijn tooverkunst; ik wil het uitdrijven door middel van uw glorie."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik legde den vastgestelden weg af, ik trok door de Twee Landen, toen een slang, die ik niet zag, mij met zijn giftanden trof. Was het vuur? Was het water? Ik ben kouder dan water, ik ben warmer dan vuur, ik beef over al mijn ledematen en het zweet loopt langs mijn gezicht, zooals het doet langs de gezichten der menschen in de blakende hitte van den zomer."
En Isis sprak weer en haar stem was zacht en sussend: "Zeg mij uw Naam, o goddelijke Vader, uw waren Naam, uw geheimen Naam, want hij alleen kan leven, die bij zijn naam genoemd wordt."
Toen antwoordde Koning Ra: "Ik ben de Maker van hemel en aarde, ik ben de Grondvester van de bergen, ik ben de Schepper van de wateren, ik ben het Licht en ik ben de Duisternis, ik ben de Maker van de Uren, de Schepper van de Dagen, ik ben de Voorganger bij de Feesten, ik ben de Oorsprong van de stroomende rivieren, ik ben de Schepper van het levend vuur. 's Morgens ben ik Khepera, 's middags Ra en 's avonds Atmu."
Maar Isis hield zich stil: geen woord sprak zij, want zij wist, dat Ra haar de namen gezegd had, die iedereen kende; zijn ware Naam, zijn geheime Naam was nog in zijn borst verborgen. En de kracht van het vergif vermeerderde en verspreidde zich door zijn aderen als brandend vuur.
Na een oogenblik stilte sprak zij weer: "Uw Naam, uw ware Naam, uw geheime Naam was niet onder deze. Zeg mij uw Naam, opdat het vergif uitgedreven kan worden, want slechts hij, wiens naam ik ken, kan genezen worden door de macht van mijn tooverkunst."
En de kracht van het vergif vermeerderde en de pijn was als de pijn van levend vuur.
Toen riep Koning Ra luid en zeide: "Laat Isis bij mij komen en laat mijn Naam overgaan van mijn borst naar haar borst."
En hij verborg zich voor de goden, die in zijn gevolg waren. Ledig was de Boot van de Zon, ledig was de groote troon van den God, want Ra had zich verborgen voor zijn Volgelingen en voor de maaksels van zijn handen.
Toen de Naam uit het hart van Ra kwam om over te gaan naar het hart van Isis, sprak de godin tot Ra en zeide: "Verbind u zelf met een eed, o Ra, dat ge uw beide oogen zult geven aan Horus."
De twee oogen van Ra nu zijn de zon en de maan, en de menschen noemen ze tot op dezen dag de Oogen van Horus.
Zoo werd de naam van Ra hem ontnomen en aan Isis gegeven en zij, de groote Toovenares, riep luide het Machtswoord en het vergif gehoorzaamde en Ra was genezen door de macht van zijn Naam. En Isis, de Groote, de Meesteres van de Goden, de Meesteres van de tooverkunst, zij is de bekwame Genezende, in haar mond is de Adem des Levens, door haar woorden verdrijft zij de pijn en door haar macht doet zij de dooden ontwaken.
* * *