Koning Ra regeerde over de Twee Landen. Hij was de tweede koning van Egypte en onder zijn regeering was er vrede op aarde en de oogsten waren zoo overvloedig, dat de menschen nu nog spreken van de goede dingen die "er gebeurden ten tijde van Ra". Door zijn eigen macht schiep hij zich zelf en hij schiep hemel en aarde, goden en menschen en regeerde over hen allen.
Honderden en honderden jaren regeerde hij, totdat hij oud werd en de menschen hem niet meer vreesden, maar lachten en zeiden: "Kijk Ra eens! Hij is oud, zijn beenderen zijn als zilver, zijn vleesch als goud en zijn haar als echte lapis lazuli."
Toen werd Ra toornig bij het hooren van hun gescherts en gelach en hij riep tot hen, die in zijn gevolg waren: "Roep mijn dochter, mijn oogappel, hierheen en ook de goden Sher en Tefnut, Geb en Nut en de groote god Num, wiens woning in de wateren van de lucht is. Doe mijn verzoek in het geheim, opdat de menschen u niet hooren en zien zullen, want dan zouden ze bang worden en zich verbergen."
In stilte gingen de boodschappers heen, zeer zacht kwamen zij de goden en godinnen oproepen. In het geheim en onhoorbaar kwamen de goden en godinnen in het Huis van Ra op de Verborgen Plaats. Niets zagen of hoorden de menschen, en zij lachten Ra weer uit, niet wetend, welke straf hen treffen zou.
Aan weerszijden van den troon stelden de goden en godinnen zich op en zij bogen voor Koning Ra ter aarde met hun voorhoofden den grond rakend, zeggend: "Spreek, opdat wij u kunnen hooren."
Toen zei Ra tegen Num, den grooten God, wiens woning in de wateren van de lucht is: "O, oudste van den goden en alle gij goden! ziet, hoe de menschen, die ik geschapen heb, tegen mij spreken. Zeg mij, wat gij zoudt willen, dat ik hen doen zou, want waarlijk ik wil hen niet dooden, voordat ik uw woorden gehoord heb."
En Nun, de groote god, wiens woning in de wateren van de lucht is, antwoordde: Mijn zoon Ra, grootste van de goden, machtigste der koningen, uw troon is bevestigd, en de geheele wereld zal u vreezen, wanneer gij uw dochter, uw oogappel, uitzendt tegen hen, die u aanvallen."
Koning Ra sprak weer: "Zij zullen vluchten naar de woestijnen en de bergen en zich verbergen, wanneer de vrees hun harten bevangt, omdat zij geschertst en gelachen hebben, en in de woestijnen en bergen kan niemand hen vinden."
Toen zeiden de goden en godinnen, terwijl zij hun voorhoofden tot aan den grond bogen: "Zend uwe dochter, uw oogappel, uit tegen hen."
En plotseling kwam de dochter van Ra. Sekhmet wordt zij genoemd en Hathor, de wreedste der godinnen; als eene leeuwin stort zij zich op haar prooi, moorden is haar een genot en zij dorst naar bloed.
Op verzoek van haar vader begaf zij zich naar de Twee Landen om allen te dooden, die zich hadden verzet tegen Koning Ra en die hun verzet hadden omgezet in gescherts en gelach. In het land Ta-mery doodde zij hen en op de bergen, die liggen ten oosten en ten westen van de groote rivier. Van links naar rechts wendde zij zich, allen doodend, die zij op haar weg ontmoette en voor haar uit vluchtten de rebellen, die tegen Ra waren opgestaan.
En Ra zag neer op de aarde en riep tot zijn dochter, zijn oogappel: "Kom in vrede, o Hathor. Hebt gij gedaan, wat ik u te doen heb gegeven? En Hathor lachte, toen zij antwoordde, en haar lach was de vreeselijke stem van de leeuwin, als zij haar prooi verscheurt. "Bij uw leven, o Ra," riep zij, "ik doe met de menschen, wat ik wil en mijn hart is verheugd in mij."
Verscheiden nachten zag de rivier rood en de godin waadde in menschenbloed en haar voeten waren rood, toen zij door het land Egypte schreed tot Henen-seten.
Toen zag Ra weer neer op de aarde en zijn hart werd vervuld van medelijden met de menschen, ofschoon zij tegen hem waren opgestaan. Maar niemand kon de wreede godin doen ophouden, zelfs Koning Ra niet; uit zich zelfs moest zij ophouden te dooden, want goden noch menschen konden haar dwingen. Door slimheid alleen kon dit verkregen worden.
Ra gaf bevel, zeggende: "Roep boodschappers tot mij, die snel zijn als de stormwind." En toen zij gekomen waren, zeide hij: "Loop naar Elephantine, haast u, ga snel en breng voor mij de vrucht mede, die slaapwekkend is. Wees vlug, wees vlug, want dit alles moet volbracht zijn, voordat de morgen daagt".
De boodschappers haastten zich en hun spoed was gelijk aan den stormwind. Zij kwamen te Elephantine, waar de groote rivier bruist over de rotsen, die haar weg versperren; zij namen de slaapwekkende vrucht en met de snelheid van den wind brachten zij ze aan Ra. Vuurrood en scharlakenrood was de vrucht en het sap was rood als menschenbloed; en de boodschappers brachten ze naar Heliopolis, de stad van Ra. Toen stampten de vrouwen van Heliopolis gerst en maakten bier en zij vermengden het sap van de slaapwekkende vrucht met het bier en het bier kreeg de kleur van het bloed. Zeven duizend maten bier maakten zij en zij brouwden het haastig, want de nacht was bijna voorbij en de dag was op het punt aan te breken. In allerijl kwamen Koning Ra en al de goden en godinnen, die bij hem waren te Heliopolis om het bier te keuren. Ra zag, dat het er uitzag als menschenbloed en hij zeide: "Dit bier is zeer goed. Hiermede kan ik het menschdom beschermen".
Bij het krieken van den dag gaf hij dit bevel: "Breng dit bier naar de plaats, waar mannen en vrouwen gedood zijn, en stort het uit over de velden, voordat de schoonheid van de nacht voorbij is". Zoo stortten zij het uit over de velden. Vier palm hoog stond het op den grond en zijn kleur was de kleur van bloed.
's Morgens kwam de wilde Sekhmet, gereed om te dooden en voortgaande keek ze hier en daar rond, uitziende naar een prooi. Maar geen levend wezen zag zij, alleen die velden, die vier palm diep lagen onder het bier, dat de kleur had van bloed. Toen lachte zij met den lach, die gelijk was aan het gebrul van een leeuwin, want zij dacht, dat dit het bloed was, dat zij vergoten had. En zij bukte zich en dronk. Weer en weer dronk zij en zij lachte harder, want het sap van de slaapwekkende vrucht steeg naar haar hersenen en zij kon niet meer zien te dooden door het sap van de vrucht.
Toen zei Koning Ra tot haar: "Kom in vrede, o lieveling." En tot nu toe worden de meisjes van Amu ter herinnering Lievelingen genoemd.
En Koning Ra sprak weer tot de godin, zeggend: "Voor u zal een drank klaar gemaakt worden van de slaapwekkende vruchten; ieder jaar zal deze gemaakt worden ter gelegenheid van het groote Nieuwjaarsfeest en de hoeveelheid zal afhangen van het aantal priesteressen, die mij dienen."
En tot den huidigen dag worden er op het feest van Hathor dranken gemaakt van de slaapwekkende vruchten, naar verhouding van het aantal priesteressen van Ra ter herinnering aan de bescherming der menschen voor de woede van de godin.
* * *