Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds, tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch, onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen hij