Genre Ranking
Get the APP HOT

Chapter 9 No.9

De klokken van San Pasquale.

Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante's echtgenoote, donna Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het leven, dat zij geleid had.

Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze was niet eens ooit verliefd geweest.

Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad Diamante leek donna Micaela een paradijs.

Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen zochten naar arme, ongelukkige signorina's om haar tot heerscheressen te maken in hun zwarte lavapaleizen.

Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten van een kleine stad.

Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen optreden als grande van Spanje en prins van Sicili?.

Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicili?.

Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof; en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit teeder jegens haar.

Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets bemerkte.

Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen voortgaan haar te haten!

O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar liefhad.

* * *

Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante uit zijn winkel kwam om met haar te spreken.

En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig hart te Catania.

Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela hem volstrekt niet te verstaan.

Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden.

Zij vroeg slechts: ?Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?"

?O," zei don Ferrante, ?kan het mij niet vervelen kostbaren wijn van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust hebben zelf eens op Domenico te rijden?" Toen hij dit gezegd had, wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen.

?Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is," zeide zij.

?Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen."

?Arme oude mannen?"

?O ja, ze zijn juist niet rijk."

?Ze hebben zeker geen eigen kamer?"

?Neen, maar zeer groote slaapzalen."

?En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?"

?Neen, ze zullen wel uit porselein eten."

?Maar zonder tafelkleed?"

?Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!"

Hij trachtte haar gerust te stellen. ?Daar wonen heel goede menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, dat men cavaliere Palmeri aannam."

Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had van rang en stand en een gewone koopman was geworden.

Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme, ellendige stad.

En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don Ferrante moest iets anders verzinnen.

Nadat de maaltijd ge?indigd was, wilde don Ferrante naar café Europa gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed.

Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren, dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig:

?Heb je iets tegen mijn vader?"

?Hij is te duur."

?Maar je bent immers rijk."

?Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet werken?"

?Wees dan liever zuinig met iets anders."

?Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg geschenken gekregen."

?Neen, onthoud mij liever iets."

?Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt."

Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, dat hem bang zou maken.

?En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat geworden ben?"

?O, ja."

?Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?"

?Dat is don Matteo's zaak, maar ik doe wat ik kan."

?Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet gekregen had?"

?Dat weet ik."

?En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde te zien en zich voor hen schamen moest?"

?Zij komen ook niet in de broederschap."

?Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader te doen?"

?Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang."

?Heb ik je niet gelukkig gemaakt?" vroeg zij nu.

?O, ja," antwoordde hij onverschillig.

?Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel Sicili?? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?"

Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar.

?Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van Via Etnea!"

?O, neen."

?Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen."

Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op de knie?n voor hem.

Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo'n heldere lichtschijn uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien.

In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem gevestigd.

?Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!"

Don Ferrante lachte. ?Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij eerst boos gemaakt."

Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op.

?'t Is goed," zei hij, ?dat je voor het vervolg weet, hoe je je gedragen moet."

Nog steeds lag ze op haar knie?n.

Toen vroeg hij: ?Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?"

Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij rees op en antwoordde trotsch:

?Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult hem niets laten merken."

?Neen, dat zal ik niet," zei hij, haar nasprekend. ?Een korte ellende is aangenamer voor mij."

Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij kende wel iemand, die haar helpen zou.

* * *

In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, en dit is zijn geschiedenis:

Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud wilden opwegen.

Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had.

In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld niet zou wegvoeren van Sicili?, maar het hem zou schenken.

Maar de kapitein weigerde dat.

?Ik breng het naar Engeland," zei hij, ?en de Engelschen zullen het tegen goud opwegen."

De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek.

Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicili? verloren zou gaan, maar de heremiet zonk op de knie?n naast een der lavablokken op het strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.

En wat geschiedde er?

Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was.

Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het schip de haven uitzeilen.

Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in de domkerk.

Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te bidden.

Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren hoek van de domkerk.

Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door al degenen, die geholpen waren door Diamante's Madonna.

't Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna schoon was, en straalde van mildheid.

En haar hart was vervuld van hoop.

Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.

Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven te doen dan op haar knie?n vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte Madonna haar zou bijstaan.

Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde oogenblik van meening veranderde.

Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.

* * *

't Was een morgen, drie weken later.

Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa's winkel om een waskaars te koopen.

't Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.

Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar een jonge man.

Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentini?.

Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen als zij iets schoons zag.

Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke schilderijenverzameling in het paleis te Catania.

Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd door den grooten meester Van Dijck.

Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En het werd een groote wanorde en verwoesting. 't Zou donna Elisa zeker veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer de zon daarop straalt.

Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.

Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot hen gezegd:

?O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd."

Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude edele heeren.

Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan hadden.

En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest helpen zoeken.

Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentini? te vertrekken.

Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl hij zelf haar stil beschouwde.

Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.

Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam en daarmee naar haar toe kwam.

Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende San Micha?l in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier wikkelde.

Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.

Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.

Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van San Micha?ls voet?

Zag zij met hoeveel kracht San Micha?l zijn lans velde en hoe hij zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?

Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het zacht ter zijde.

Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.

En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij tot haar.

Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San Micha?l geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Micha?l gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?

Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Micha?l haar niet kon helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?

Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.

?Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen," zeide ze. En toen Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.

En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.

Gaetano luisterde aandachtig naar haar.

Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.

?Donna Micaela," zei hij, ?ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in de domkerk."

?Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?"

Toen steeg een blos naar Gaetano's wangen en hij zei bijna toornig:

?Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de zwarte Madonna?"

?Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar gesmeekt en gebeden."

Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.

Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.

En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.

Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de toonbank stonden.

?Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?" zei hij.

Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd al haar zonden af te leggen.

Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw met de beenwonde te verplegen.

Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.

Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, de angst, die haar verteerde! Werd die dan in 't geheel niet gerekend?

Hij trok slechts zijn schouders op. ?Had zij niets anders beproefd?"

?Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij legde de rozenkrans niet uit haar handen."

Gaetano's woorden wonden haar op.

Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:

?Niets anders? Niets anders?"

?Maar ge moet toch begrijpen," zeide ze, ?don Ferrante geeft mij toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat toch begrijpen!"

Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.

?Hij begreep het wel," antwoordde hij haar. ?De geheele samenhang was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de heiligen geen macht hadden.

?Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen."

Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht en overtuiging uit Gaetano's woorden, dat zij begon te gelooven, dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.

Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de armen te doen.

Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij nog een steek daaraan naaide.

?Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent," zei hij, terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.

?Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u ernst is en geen spel.

?Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, waarom zal ze u dan helpen?"

Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.

?Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat men heiligen dwingt."

Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.

Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op straat gaat.

Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri's arm genomen en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om te hooren of ze zijn raad gevolgd had.

?Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?"

Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan gewerkt had.

?Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna Micaela."

?Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano."

Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.

Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.

Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide.

Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De Madonna was misschien in zoo'n donkeren hoek van den dom geplaatst, opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.

Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend witte bloemenpracht.

Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp!

't Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene.

Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!

't Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En wist hij, wat het grootste ongeluk was?

Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar haar kijken kon.

Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar verteld werden!

Drie weken verspild met het bidden tot haar!

Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was geen Madonna!

Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur loopt.

De geheele wereld rondom hen was wit.

Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde, dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.

Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon niet zwijgen.

Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, voor den geest geroepen had.

Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna meer bestond.

Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar huis mogen behouden.

Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.

O, God! O, God!

En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante meer vereerde dan iets anders.

Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen:

?Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit."

Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het leven wist te schikken.

Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze ging slechts haastig verder en begon toen te weenen.

Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde medelijden met haar gevoelen moest.

Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep hem aan.

Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door aandoening.

?Wilt ge met mij vluchten naar Argentini?, indien de Madonna u niet helpt?"

Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging naar de stad terug.

Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze plaats zou kunnen verlaten.

* * *

Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.

Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met hem vluchten moest.

Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren.

Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.

Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting zou vinden bij een hart, dat haar beminde.

Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden, dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten, dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het ouderlijk huis is gekomen.

Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.

Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de wereld, dat het zijne was.

Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, zij moest!

Hij lag volstrekt niet voor haar op de knie?n.

Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de zijne was.

Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?

Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.

?Wanneer vertrekt ge?" vroeg zij eindelijk.

?Ik vertrek Zaterdag van Diamante."

?En wanneer gaat de stoomboot?"

?Die vertrekt Zondagavond uit Messina."

Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.

?Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen," zei zij.

?Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen."

Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer te zeggen had. Toen bleef zij staan.

?Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen ge wilt."

Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.

* * *

Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knie?n geworpen.

?O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad van mij te spreken?"

En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.

Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.

-En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar man te wreken?

En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, dien zij niet liefhad?

Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij dacht geen gezonde, klare gedachten meer.

Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op met bidden.

Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.

?Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak."

Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar onrust en angst.

?Kon ik slechts een enkel uur slapen," zei ze, ?dan zou ik weten wat ik wil."

Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen beschouwd te worden als een gevallen vrouw.

Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze de gelukzaligheid gesmaakt had.

* * *

Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op, als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich, zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen heeft.

't Is niet noodig, dat zij lang omkijken. 't Is niet de moeite waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen heeft. Die kwam van San Pasquale.

Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen.

En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale's steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den laatsten dag der wereld.

Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, en verzamelde deze in zijn zak.

Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij kan ook teekens geven met iets anders dan steenen.

Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt aan zoo iets?

Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, zonder dat het eene een vloek was.

En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem waarschuwden?

Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht, naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken.

San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch van amandelboomen.

Daarom is San Pasquale's kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig kleed gelijk.

San Pasquale's kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de Garibaldisten, die Sicili? bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.

Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan de voorname menschen San Pasquale's kerk opmerken. Want hoewel dan de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk.

Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst beter dan San Pasquale.

Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.

En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken, zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in een dichten nevel hulde.

En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was juist Diamante.

Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.

Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham's reiswagen door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk van San Pasquale.

En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.

San Pasquale's klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, dat langs den kerkmuur hangt.

Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen beginnen te luiden zonder hulp.

Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.

Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had zij nog nooit gehoord.

Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het heerlijk klonk.

En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken.

Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.

En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.

En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:

?Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen."

Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden.

Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde uur.----

Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het, alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door den dichten mist.

Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San Giuseppe's kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf volkomen duidelijk oplazen.

Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen hadden.

Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.

En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren, terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe alles zich op de maat van het gelui bewoog.

En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk en dreunend, alsof San Pasquale's kerk in de onderwereld stond. En alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, die door de liefde voor allen angst behoed werd.

Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.

Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het jaar zouden sterven.

En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.

?O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San Pasquale!

?Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt," zei Giannita. ?De nevel verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven."

Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San Pasquale dacht.

?Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den regen verwoest worden," zei ze tegen Giannita.

Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.

Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst.

Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.

En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld werd op het altaar der heiligen.

Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde afwezigen geschreven kreeg.

En 't was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis, opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.

Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten, ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.

En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.

Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen, verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan, die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings.

En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, door de poort zou gaan, die hij bewaakte.

En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze meegeholpen hadden hem te bedriegen.

En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen en beloofden elkaar, dat indien ze in 't leven bleven na dezen dag der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.

Donna Elisa's winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale voorspelde dat hij op reis zou omkomen.

En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij verdiende.

Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.

Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel Diamante verwoest zou worden.

In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knie?n op den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder grondeloos was.

De deuren van San Pasquale's kerk waren als altijd gesloten, maar daar buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.

In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het beeld, en daarna zonk ze er voor op de knie?n. Hoewel velen vonden, dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods stem tot zwijgen te brengen.

Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.

Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.

Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten hartstocht in haar ziel luidde.

?Mijn leven begint dezen dag," zei ze tot zichzelf. En het scheen ook niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van 't klokgelui dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona's was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.

Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En allen zeiden tegen hem:

?Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons worden, don Ferrante?"

Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don Ferrante's winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo te koopen.

Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste smarten lijdend zonder een woord te spreken.

Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don Ferrante zijn straf zou ontvangen.

Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.

't Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui en voor de ramp, die het voorspelde.

Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde wegzenden.

Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:

?Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?"

En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere Palmeri wilde wegzenden.

't Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:

?Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?"

Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.

?Nu zal ik leven het groote en machtige leven," zei zij. En het ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur 's avonds voorbij Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.

Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig nakomen naar Argentini?. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.

Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest schijnen, bestond niet meer voor haar.

Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.

Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen te hooren.

Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.

De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met zijn mes verwond had.

Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na veertien dagen geheel hersteld zijn.

Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!

Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!

Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.

Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het was zoo.

Zij kon niet vertrekken.

Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, het was zoo, zij kon niet weggaan.

Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen en toch nooit vertrekken kunnen.

Previous
            
Next
            
Download Book

COPYRIGHT(©) 2022