6 Chapters
/ 1

Als de Zuiderzee wordt afgesloten en drooggemaakt, dan zal zeker de Zuiderzee-visscherij, althans in haren tegenwoordigen vorm, verdwijnen.
Daar er dus hier een werkelijk verlies aan te toonen valt, dat een gevolg is van de afsluiting, is daarvan door de tegenstanders van het groote werk altijd zooveel mogelijk gebruik gemaakt om de wenschelijkheid daarvan te bestrijden.
Men heeft die bestrijding zelfs kracht trachten bij te zetten door demonstraties. Een revue is gehouden over de visschersvloot op het Pampus als een vlootschouw bij Spithead. En ongeveer een jaar geleden is in eene vergadering van den Zuiderzee-visschersbond te Amsterdam besloten ?te ageeren tegen de droogmaking der Zuiderzee".
Maar dit alles bewijst niets, of liever... het bewijst alleen dat het visschersvolkje aan zijn oud middel van bestaan-als het in 't algemeen dien naam verdient!-nog zeer gehecht is. Iets wat reeds lang bekend was.
Aangetoond moet worden dat het visscherijbedrijf van zooveel beteekenis is, dat het niet door een ander mag worden verdrongen en dit is alleen te bereiken, als men de uitkomsten van dat bedrijf kent.
Wel beweerde de Minister van Waterstaat de Marez Oyens bij de behandeling der Staatsbegrooting van 1905, dat de Zuiderzeevisscherij, nog altijd is ?een bloeiende tak van bedrijf" en dat ?de afsluiting aan een groot deel der bevolking van een kuststreek van groote lengte in 5 provinci?n (zou) ontnemen bestaansmiddelen op overouden toestand berustend".
Maar wat heeft men aan zulke woorden?
Feiten, cijfers moeten aantoonen hoe het met dien ?bloeienden tak van bedrijf" gesteld is.
Opbrengst v. d. Zuiderzee-visscherij.
Het is zeer moeilijk de waarde van de jaarlijks gevangen visch te schatten, daar de vangsten zeer uiteenloopen, vooral van de kostbaarste visch, de ansjovis (in 1880 1000 ankers, in 1890 190.000 ankers; één anker = 50 KG. = 2800 stuks). De geheele jaarlijksche opbrengst bedraagt soms niet meer dan 1? millioen gulden, in 1890, het ansjovisjaar, 4 millioen. Men zal niet ver van de waarheid zijn, als men de gemiddelde jaarlijksche opbrengst schat op 2 millioen gulden. Hiervan leven,-als men het zoo noemen wil,-een zeker aantal visschers met hunne gezinnen, na aftrek van hetgeen aan aanverwante bedrijven als scheepswerven, zeilmakerijen, mast- en blokmakerijen, nettenfabrieken (gedeeltelijk in het buitenland), touwslagerijen, kuiperijen, rookerijen, enz. moet worden uitbetaald.
Uitkomsten onderzoek geheel bedrijf.
Om den toestand van het geheele bedrijf tot in bijzonderheden te leeren kennen heeft de Zuiderzee-Vereeniging een Commissie van onderzoek benoemd, waarin één lid van het Dagelijksch Bestuur van die Vereeniging zitting had, welke Commissie na persoonlijke en plaatselijke onderzoekingen in 1905 een uitvoerig verslag heeft uitgebracht.32)
Wat die Commissie ons van dat ?op overouden toestand berustend bestaansmiddel" moest meedeelen, geeft daarvan waarlijk geen fraai beeld! Daardoor weten wij nu, dat van de 2069 vaartuigen die t. Z. van den afsluitdijk visschen, slechts 1390 zich daarmee gedurende het geheele jaar bezighouden, de overige slechts 2 tot 9 maanden. Rekent men deze laatste voor de helft, dan komt men tot een geheel van 1730 volledige bedrijven. Daaraan nemen deel 4434 visschers, waarvan echter 724 beneden 20 jaar oud zijn, 643 ook een ander beroep uitoefenen, 548 gedurende 6 à 7 maanden op Noordzeeloggers dienen en 196 bedeeld worden. Deze laatste drie groepen voor de helft rekenend, krijgt men een totaal van 3017 meerderjarige visschers.
Volgens het Verslag is de toestand der visschersbevolking in 't algemeen treurig. Er is bijna nergens welvaart. De toestand der schepen is slecht.
De visschers krijgen schepen en want op crediet en zijn dan niet meer vrij. Er wordt veel geleefd van schip en want (door herstellingen en onderhoud na te laten). Als de schipper van zijn gemaakte besommingen loon aan knechts, nettenverlies, slijtage en rente aftrekt en afschrijft op de netten (? à ? der waarde), dan blijft daarvan veelal weinig over. De knechts hebben meestal een zeer karig loon.
Op veel plaatsen zit de visschersbevolking diep in de schuld (Urk, Bunschoten, Hoorn, enz.).
Te Elburg wordt 's winters 24, te Bunschoten 18 en te Enkhuizen 15 percent bedeeld. De toestand is nog 't best daar, waar de visschers steun vinden in andere bedrijven, b. v. op Wieringen, waar bijna allen een huis en wat grond hebben en zij tevens wat aan landbouw doen; te Enkhuizen, waar veel tuinbouwwerk is te vinden in de Streek en waar met groenten gevaren wordt en met steenkolen, enz. voor Urk; een derde vaart op loggers op de Noordzee.
Vroeger waren die visschers er het best aan toe, die het geheele jaar of een deel er van op de Noordzee vischten. Maar die tijd is voorbij. De Noordzee-visscherij is meer en meer grootbedrijf geworden, grootendeels uitgevoerd met stoomtrawlers, stoomloggers, enz., die meer zekerheid geven op bepaalde dagen met hunne vangsten binnen te komen, die veel verder kunnen gaan en spoediger kunnen terugkomen en waarvan de groote aanvoer de marktprijzen beheerscht.
Het gevaarlijke visschen met kleine zeilschepen op de kust vormde wel goede zeelui, maar de weinige daarmee te IJmuiden aangevoerde visch moet wachten op den aanvoer van grootere partijen om verkocht te worden. Voor de Zuiderzeevisscherij is het ook moeilijk om tegen den geregelden aanvoer en de prijzen aldaar te concurreeren.
Wat blijft er dus over van dit ?op overoude toestanden berustend bestaansmiddel?" Trouwens ook ouderwetsche trekschuiten, diligences en hondekarren waren eenmaal voor velen ?een op overoude toestanden berustend bestaansmiddel" en toch heeft men ze door den aanleg van spoor- en tramwegen wreedaardig vermoord! De vraag is niet wat het oude waard is, maar wat de waarde daarvan beteekent in vergelijking met het nieuwe dat zijn plaats inneemt.
Vergelijking beteekenis visscherij met die v. h. landbouwbedrijf in de nieuwe provincie.
Men heeft het Rapport van de Commissie van de Zuiderzee-Vereeniging onwaar en tendentieus genoemd, den samenstellers verweten dat zij bevooroordeeld waren. Welnu laten we eens aannemen, dat dit bedrijf, met zijn tal van bedeelde en in schulden zittende visschers en zijn slecht materieel, is een ?bloeiende tak van bedrijf". Wat zou dit met zijn bruto-opbrengst van 2 millioen gulden 's jaars dan nog beteekenen bij het landbouwbedrijf in de nieuwe provincie met een bruto-opbrengst van 70 millioen? Wat is het bestaan van die hoogstens 15000 menschen, verbonden aan het visscherijbedrijf, vergeleken bij dat van een welvarende bevolking van 250.000 à 300.000 menschen in het nieuwe gewest, die bovendien 's jaars een netto-opbrengst van 16 millioen gulden vergaren?
Een voorbeeld uit de praktijk33). Vóórdat het westelijk gedeelte van het voormalige IJ, de Wijkermeer was drooggemaakt, vischten daar 2 visschers uit Beverwijk, waarvan een bedeeld werd. Nu, na de droogmaking, zijn in dat gedeelte der vruchtbare IJpolders 10 groote boerderijen, waar dus even zooveel boeren met hun gezinnen van den landbouw leven, 's jaars 50.000 gulden arbeidsloon uitkeeren en zeker nog een aanzienlijke som als winst maken of als pacht betalen. Ware het misschien beter geweest de Wijkermeer als vischwater te behouden om de verdiensten van dien anderhalven visscher?
In het midden der vorige eeuw werd de aanleg van den Rijnspoorweg door de Volksvertegenwoordiging afgestemd, o. a. omdat daardoor vele ondernemingen als beurtschepen, vrachtwagens, enz. te gronde zouden gaan. Men glimlacht nu daarom, maar wil ter wille van een schamele visschersbevolking de aanwinst van een groote vruchtbare provincie niet!
Schadeloosstelling oude visschers.
Toen later toch de Rijnspoorweg is tot stand gekomen, is aan het personeel, verbonden aan de oude middelen van vervoer geen cent schadeloosstelling toegekend. Maar dat personeel zal in de vele nieuwe bestaansmiddelen, die de spoorweg schiep, wel spoedig ruime schadeloosstelling hebben gevonden.
Op de begrooting van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee in het Verslag der Staatscommissie, was een bedrag van 4? millioen gulden uitgetrokken voor schadeloosstelling aan de oude visschers, enz., welke som in het aanhangig wetsontwerp op 6 millioen gebracht is, en toch werd soms op hoogen toon ge?ischt dat die som grooter moest zijn34).
De Zuiderzeevisschers zullen zich gedurende een werk dat 30 à 40 jaar duurt langzamerhand aan den nieuwen toestand aanpassen. Sommigen zullen gaan varen op de Noordzee en op de handelsvloot, vooral als daartoe voor goed voorbereidend onderwijs gezorgd wordt, waarop zij zeer gesteld zijn. Anderen zullen materialen gaan varen voor het groote werk, rijs, steen, enz. voor den afsluitdijk, enz. Acht men voor de oude visschers schadeloosstelling toch billijk, zoo geve men die. Kan aangetoond worden, dat 6 millioen niet voldoende is, dan geve men meer. Die post zal de kostenrekening der Zuiderzeezaak niet te zeer bezwaren.
Zoetwatervisscherij na de afsluiting.
In deze beschouwingen werd uitgegaan van de onderstelling, dat de Zuiderzeevisscherij geheel zal verdwijnen. Zeker zal zij verdwijnen in den tegenwoordigen vorm.
Maar wat zal de visscherij opleveren op het 145.000 HA. groote IJselmeer en in de 10.000 HA. polderwateren van het nieuwe gewest? Het is niet aan te nemen dat die onbelangrijk zal zijn. Die oppervlakte is grooter dan die van de tegenwoordige zoetwatervisscherij in geheel Nederland (134.000 HA.). Nu hangt wel de vischopbrengst niet alleen van de grootte van het vischwater af, maar zij zal toch aanzienlijk moeten zijn in die wateren.
De Zuiderzee-Vereeniging verzocht in 1905 aan de Nederlandsche Heidemaatschappij verslag te willen geven over de zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de polderwateren der droogmakerijen. Deze maatschappij bracht in het volgend jaar haar zeer voorzichtig gesteld rapport uit35), waarin men o. a. leest dat paling en spiering het IJselmeer zullen blijven bevolken, bot misschien ook (is ook gebleven in het IJ), terwijl een nieuwe vischstand daaraan zal worden toegevoerd voornamelijk door den IJsel en het Zwarte Water. En ook: ?Wanneer door een doelmatig bevisschen, waarbij waardevolle visschen gespaard worden, zoolang ze nog te klein zijn, en door het uitzetten van nieuwe marktwaardige vischsoorten gezorgd wordt, dat op het IJselmeer een rijke vischstand ontstaat en bewaard blijft, dan zal op het IJselmeer ongetwijfeld een bloeiend visscherijbedrijf kunnen worden gedreven". Cijfers omtrent te verwachten opbrengsten worden echter niet genoemd.
Merkwaardig is dat de visscherij op het tegenwoordige Noordzee-Kanaal en zijn zijtakken, waarvan men het voortbestaan ook door de droogmaking der IJpolders bedreigd achtte, nu van meer beteekenis is dan die van weleer op het open IJ36). Zou dat niet eveneens het geval kunnen zijn in de afgesloten Zuiderzee?
32) Verzameling van Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Vereeniging. Dl I. De Zuiderzee-visscherij, rapport eener Commissie tot onderzoek.-Leid. 1905.
33) K. Reijne. Een pleidooi voor de droogmaking der Zuiderzee. Beverwijk 1901, bl. 11.
34) Omtrent de wijze van schadeloosstelling en de berekening van het bedrag er van zie het Verslag der Visscherij-Commissie, bl. 239–260.
35) Verzameling v. Rapporten uitg. d. d. Zuiderzee-Ver. Dl. III. Rapp. v. d. Ned. Heide-Mij. o. d. Zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de wateren der droog te leggen polders. Leiden, 1906.
36) Zie ook den Heer Dil van Koog a. d. Zaan i. h. Alg. Handelsblad v. 1900.